Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY3500

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-06-2006
Datum publicatie
10-07-2006
Zaaknummer
Awb 06-4583
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Strijdig gebruik van gronden waarop een agrarische bestemming rust. Ingevolge de van toepassing zijnde planvoorschriften is het verboden deze gronden te gebruiken voor niet-agrarische doeleinden. Verweerder is derhalve bevoegd handhavend op te treden. Een concreet uitzicht op legalisatie is niet aanwezig en ook overigens zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken op grond waarvan van handhaving zou moeten worden afgezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06 - 4583

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juni 2006

in de zaak van:

[verzoeker]]

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. M.J.S. van der Vorst, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder.

Tegenwoordig: mr. M. Groverman, voorzieningenrechter, en mr. G.J. Deen, griffier.

Zitting: 28 juni 2006.

Verschenen: Verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, voornoemd. Verweerder vertegenwoordigd door M.M. Jobst en mr. M.J.M. Koopman, werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer.

Voorts aanwezig was de heer [naam zakenpartner], zakenpartner van verzoeker.

Het geschil betreft het besluit van 3 april 2006 waarin verweerder verzoeker heeft gelast, binnen drie maanden na verzending van het besluit, het strijdige gebruik op de percelen [perceel A] en [perceel B] te [woonplaats], zijnde het stallen van motorvoertuigen en het brengen en halen van reizigers van en naar de Luchthaven Schiphol, te beëindigen en beëindigd te houden. Indien niet aan de lastgeving wordt voldaan, verbeurt verzoeker met ingang van de dag na ommekomst van de gegeven termijn een dwangsom van € 100.000,- ineens.

Verzoeker heeft bij brief van 5 mei 2006 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij brief van 24 mei 2006 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij mondelinge uitspraak van 28 juni 2006 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

De voorzieningenrechter heeft daartoe het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

Het perceel [perceel A] - kadastraal kenmerk [...] - valt binnen de grenzen van het bestemmingsplan "Rijsenhout Catharine-Segrina". Het perceel [perceel B] - kadastraal kenmerk [...] - valt binnen de grenzen van het bestemmingsplan "Rijsenhout". Op de in het geding zijnde percelen rust een agrarische bestemming. Ingevolge de van toepassing zijnde planvoorschriften is het verboden deze gronden te gebruiken voor niet-agrarische doeleinden.

Vast staat dat het gebruik dat verzoeker van de percelen maakt - het stallen van motorvoertuigen van reizigers die via Schiphol naar hun bestemming vliegen - niet kan worden aangemerkt als agrarisch gebruik. Vast staat daarmee ook dat verzoeker de gebruiksvoorschriften van de geldende bestemmingsplannen heeft overtreden. Gelet hierop is verweerder bevoegd handhavend op te treden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zal, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie dient te worden afgezien (zie onder meer de uitspraak van 30 juni 2004, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer AP4683).

Een concreet uitzicht op legalisering van het strijdige gebruik van de percelen is niet aanwezig omdat verweerder geen vrijstelling van het bestemmingsplan wil verlenen. Verweerder stelt zich in dit verband op het standpunt dat het gebruik niet strookt met het door hem gevoerde planologisch beleid. Dat beleid heeft als uitgangspunt dat ten aanzien van landelijke gebieden niet-agrarisch gebruik van gronden en opstallen wordt geweerd. Verweerder heeft hierbij gewezen op de kadernota 'Handhaving Openbare Werken' en de nota 'Handhaving gebruiksvoorschriften bestemmingsplannen' waarin de betreffende percelen in een gebied vallen, dat agrarisch zal blijven in de planperiode van het Structuurplan 2005 en de Toekomstvisie Haarlemmermeer 2015. Volgens verweerder wordt in de intergemeentelijke gebiedsvisie 'Haarlemmermeer, Aalsmeer, Uithoorn en Ronde Venen' het belang van handhaving van dit kerngebied voor de glastuinbouw onderstreept. De voorzieningenrechter acht dit beleid niet kennelijk onredelijk.

Ook overigens zijn de voorzieningenrechter geen bijzondere omstandigheden gebleken op grond waarvan van handhaving zou moeten worden afgezien.

Verzoekers beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen. Verweerder heeft voldoende weerlegd dat het door verzoeker ter zitting genoemde voorbeeld aan de [perceel C] een vergelijkbaar geval is. Anders dan het geval is bij verzoeker, betreft de caravanstalling op het bedoelde perceel aan de [perceel C] stille opslag in kassen, waarvoor verweerder afzonderlijk beleid heeft ontwikkeld. Nu verzoeker geen andere concrete voorbeelden van gelijke gevallen heeft genoemd, is van schending van het gelijkheidsbeginsel niet gebleken.

De voorzieningenrechter overweegt voorts dat het enkele feit dat de betreffende percelen reeds langdurig voor niet-agrarische doeleinden worden gebruikt, geen grond oplevert voor het oordeel dat verweerder dient af te zien van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden.

Verzoekers grief dat de begunstigingstermijn van 3 maanden te kort is, slaagt niet. De begunstigingstermijn heeft tot doel om verzoeker in de gelegenheid te stellen de overtreding ongedaan te maken teneinde te voorkomen dat de dwangsom wordt verbeurd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de gegunde termijn van drie maanden ruim voldoende om de ontruiming van de betreffende percelen te realiseren.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal,

griffier voorzieningenrechter

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.