Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AX9681

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-06-2006
Datum publicatie
30-06-2006
Zaaknummer
15/094142-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artt. 225 (oud) en 225 Sr, valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd, uitkeringsfraude.

Verweer inzake overschrijding redelijke termijn afgewezen; het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld, ving op een latere datum aan dan door de raadsvrouw aangevoerd.

Verdachte heeft langdurig en stelselmatig op de formulieren van de Sociale Dienst onjuiste inlichtingen verstrekt. Als gevolg hiervan heeft verdachte ten onrechte een uitkering verkregen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot het verrichten van 240 uren taakstraf in de vorm van een werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: [nummer]

Uitspraakdatum: 6 juni 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 mei 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 juli 1997 tot en met 31 december 1997

te weten ondermeer

op of omstreeks 4 november 1997 (pagina 51) en/of

op of omstreeks 1 december 1997 (pagina 52)

te Haarlem, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een geschrift, (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten (telkens) een formulier van de Gemeente Haarlem, Sector Welzijn, Sociale Zaken en Gezondheid te Haarlem, waarop opgave moest worden gedaan (onder meer) van inkomsten en/of samenwoning - (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid 'nee' aangekruist en/of ingevuld op de vraag of hij, verdachte, samenwoonde met een partner en/of hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, partner, in de periode waarop het formulier betrekking had, werkzaamheden had(den) verricht en/of inkomen had(den) genoten, zulks (telkens) terwijl hij, verdachte, samenwoonde (te weten met [betrokkene] en/of [betrokkene]) en/of dat zijn, verdachtes, partner(s) werkzaamheden verrichtte(n) (te weten als prostituee) en/of dat zij, verdachtes partner(s), en/of hij, verdachte, (daaruit) inkomen geno(o)t(en) en/of (telkens) dat formulier ondertekend, (tel-kens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 1998 tot en met 17 september 2001

te weten ondermeer op of omstreeks 1 juli 1998 (pagina 53) en/of

op of omstreeks 1 februari 1999 (pagina 57) en/of

op of omstreeks 2 augustus 1999 (pagina 59) en/of

op of omstreeks 3 maart 2000 (pagina 61) en/of

op of omstreeks 12 december 2000 (pagina 64) en/of

op of omstreeks 22 mei 2001 (pagina 68) en/of

op of omstreeks 17 september 2001 (pagina 72)

te Haarlem, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een geschrift, (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten (telkens) een formulier van de Gemeente Haarlem, Sector Welzijn, Sociale Zaken en Gezondheid te Haarlem, waarop opgave moest worden gedaan (onder meer) van inkomsten en/of samenwoning - (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid 'nee' aangekruist en/of ingevuld op de vraag of hij, verdachte, samenwoonde met een partner en/of hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, partner, in de periode waarop het formulier betrekking had, werkzaamheden had(den) verricht en/of inkomen had(den) genoten, zulks (telkens) terwijl hij, verdachte, samenwoonde (te weten met [betrokkene] en/of [betrokkene] en/of [betrokkene] en/of [betrokkene]) en/of dat zijn, verdachtes, partner(s) werkzaamheden verrichtte(n) (te weten als prostituee) en/of dat zij, verdachtes partner(s), en/of hij, verdachte, (daaruit) inkomen geno(o)t(en) en/of (telkens) dat formulier ondertekend, (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (‘EVRM’). Daartoe heeft zij het navolgende aangevoerd. Verdachte is in april 2002 aangehouden op verdenking van vrouwenhandel en daarmee samenhangende feiten en is toen gehoord over die feiten en over zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn thuissituatie en inkomen. Daarmee is de ‘criminal charge’ ook voor het onderhavige feit gegeven en nam de redelijke termijn een aanvang. Sinds de aanvang van de redelijke termijn tot het moment van de zitting in eerste aanleg is derhalve een termijn van nagenoeg vier jaren verstreken.

De rechtbank stelt voorop dat op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk kan worden gemaakt door een te groot tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

In dit geval is verdachte in april 2002 gehoord in verband met de tegen hem gerezen verdenking van mensenhandel. In het kader van dit verhoor zijn aan verdachte algemene vragen gesteld omtrent zijn inkomen en leefsituatie. Naar aanleiding van gegevens die naar voren zijn gekomen uit het onderzoek naar verdachtes betrokkenheid bij mensenhandel is in juli 2002 bij de afdeling Sociale Zaken in Haarlem een eerste melding van de Politie Kennemerland binnengekomen inzake vermoedelijke uitkeringsfraude door verdachte. De sociale recherche heeft echter, in verband met capaciteitsproblemen, het onderzoek daarnaar pas in 2004 in gang gezet. Op 22 juni 2004 is verdachte voor het eerst gehoord over mogelijke uitkeringsfraude.

Het verhoor van verdachte in april 2002 in verband met de tegen hem gerezen verdenking van mensenhandel, waarbij door de politie aan verdachte algemene vragen zijn gesteld omtrent zijn leefsituatie en inkomen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een handeling waardoor de redelijke termijn voor berechting van verdachte terzake van bijstandsfraude een aanvang nam. De redelijke termijn voor dit laatste feit nam eerst een aanvang met het verhoor van verdachte op 22 juni 2004 dat specifiek gericht was op mogelijke bijstandsfraude en daarmee samenhangende valsheid in geschrifte. Dat verdachte na de verhoren in 2002 wel zou hebben vermoed dat hij ook terzake van bijstandsfraude zou worden vervolgd - zoals door de raadsvrouw ten gronde aanvullend is aangevoerd - maakt dat niet anders. Daargelaten dat verdachte van dat vermoeden geen blijk geeft in het verhoor van 22 juni 2004, neemt de redelijke termijn met dat enkele vermoeden van verdachte geen aanvang nu dit niet redelijkerwijs kan zijn ontleend aan een handeling vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte in bovenbedoelde zin.

Het voorgaande leidt ertoe dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van schending van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk.

Het openbaar ministerie is ook overigens ontvankelijk in zijn vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat

1.

hij op tijdstippen in de periode van 12 augustus 1997 tot en met 1 december 1997

te weten ondermeer

op 4 november 1997 (pagina 51) en

op 1 december 1997 (pagina 52)

te Haarlem meermalen een geschrift, elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten telkens een formulier van de Gemeente Haarlem, Sector Welzijn, Sociale Zaken en Gezondheid te Haarlem, waarop opgave moest worden gedaan onder meer van inkomsten en samenwoning - telkens valselijk heeft opgemaakt , immers heeft verdachte telkens valselijk en in strijd met de waarheid 'nee' aangekruist op de vraag of hij, verdachte, samenwoonde met een partner en of hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, partner, in de periode waarop het formulier betrekking had, werkzaamheden had(den) verricht en/of inkomen had(den) genoten, zulks telkens terwijl hij, verdachte, samenwoonde te weten met [betrokkene] en/of [betrokkene] en zijn, verdachtes, partner(s) werkzaamheden verrichtte(n) te weten als prostituee en dat zij, verdachtes partner(s), en hij, verdachte, daaruit inkomen genoten en(telkens dat formulier ondertekend, telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 1998 tot en met 17 september 2001

te weten ondermeer op 1 juli 1998 (pagina 53) en

op 1 februari 1999 (pagina 57) en

op 2 augustus 1999 (pagina 59) en

op 12 december 2000 (pagina 64) en

op 22 mei 2001 (pagina 68) en

op 17 september 2001 (pagina 72)

te Haarlem meermalen, telkens een geschrift, elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten telkens een formulier van de Gemeente Haarlem, Sector Welzijn, Sociale Zaken en Gezondheid te Haarlem, waarop opgave moest worden gedaan onder meer van inkomsten en samenwoning - telkens valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk en in strijd met de waarheid 'nee' aangekruist op de vraag of hij, verdachte, samenwoonde met een partner en of hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, partner, in de periode waarop het formulier betrekking had, werkzaamheden had(den) verricht en/of inkomen had(den) genoten, zulks telkens terwijl hij, verdachte, samenwoonde te weten met [betrokkene] en/of [betrokkene] en/of [betrokkene] en/of [betrokkene] en zijn, verdachtes, partner(s) werkzaamheden verrichtte(n) te weten als prostituee en dat zij, verdachtes partner(s), en hij, verdachte, daaruit inkomen genoten en telkens dat formulier ondertekend, telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1. valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

2. valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - zakelijk weergegeven - tot het navolgende gerekwireerd:

- bewezenverklaring van de feiten;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden onvoorwaardelijk.

De straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft langdurig en stelselmatig op de formulieren van de Sociale Dienst onjuiste inlichtingen verstrekt. Immers, verdachte heeft met betrekking tot de periode van augustus 1997 tot en met september 2001 op de formulieren die op zijn naam waren gesteld niet vermeld dat hij samenwoonde. Voorts heeft hij op de formulieren niet gemeld dat de personen met wie hij samenwoonde inkomen genoten, te weten een inkomen door werkzaamheden in de prostitutie. Als gevolg hiervan heeft verdachte ten onrechte een uitkering verkregen.

Op grond van het vorenoverwogene en in aanmerking genomen artikel 63 Sr, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. Aangezien naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, ziet de rechtbank geen plaats voor strafvermindering op grond van artikel 359a Sv, zoals door de raadsvrouw betoogd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikelen 22c, 22d, 57, 63, 225 (oud) en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 240 uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis.

De taakstraf moet worden voltooid binnen de termijn van één jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Kalden, voorzitter,

mrs. M.M.A. van den Boogaard en Burg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier De Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 juni 2006.