Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AX9620

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-06-2006
Datum publicatie
21-07-2006
Zaaknummer
05/5791
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de gewezen echtgenoot terecht niet aangemerkt als fiscaal partner in de zin van de Wet en de door eiseres verzochte heffingskortingen niet uitbetaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1393
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/5791

Uitspraakdatum: 14 juni 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X,

wonende te Z, eiseres,

gemachtigde mr. A, advocaat te Q,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen met dagtekening 25 februari 2005 opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 188 (de aanslag).

Eiseres heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend, dat door verweerder is ontvangen op

3 maart 2005. Verweerder heeft bij uitspraak van 19 september 2005 de bezwaren van eiseres afgewezen en de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft hiertegen een beroepschrift ingediend, dat door de rechtbank is ontvangen op 28 oktober 2005.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2006. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde mr. A. Namens verweerder is verschenen

B tot bijstand vergezeld door C.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiseres heeft gedurende het jaar 2003 samen met haar drie kinderen op het adres

a-straat 1 te Z gewoond. Eiseres is gehuwd geweest met D (hierna: de gewezen echtgenoot). Tot september 2003 hebben eiseres en haar gewezen echtgenoot op voornoemd adres een gezamenlijke huishouding gevoerd. In september 2003 is de gewezen echtgenoot verhuisd naar een ander adres. Het huwelijk tussen eiseres en haar gewezen echtgenoot is op 18 november 2003 ontbonden.

2.2. Eiseres heeft voor het jaar 2003, met dagtekening 31 januari 2005, aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 188. Zij heeft daarbij slechts haar eigen inkomsten uit werk opgegeven en de helft van het huurwaardeforfait bij de berekening van de inkomsten uit de eigen woning betrokken. De vraag “U en uw echtgenoot of huisgenoot waren een deel van 2003 fiscale partners van elkaar. Doet u samen met uw echtgenoot of huisgenoot een verzoek om voor heel 2003 als elkaars fiscale partner te worden beschouwd?” heeft eiseres ontkennend beantwoord door het vakje “nee” aan te kruisen. Op het aangiftebiljet is evenmin een handtekening van de gewezen echtgenoot geplaatst.

2.3. De (definitieve) aanslag is, met dagtekening 25 februari 2005, conform de ingediende aangifte opgelegd. Op de aanslag is een gecombineerde heffingskorting van € 2.474 van toepassing geacht, waarvan een bedrag ter hoogte van € 62 is verrekend met de verschuldigde gecombineerde inkomensheffing van gelijke hoogte, zodat een gecombineerde inkomensheffing van nihil resteerde.

3. Geschil

3.1. In geschil is of eiseres recht heeft op uitbetaling van de niet verrekende gecombineerde heffingskorting conform het bepaalde in artikel 8.9 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (tekst 2003; hierna: de Wet); meer in het bijzonder is in geschil of eiseres aanspraak kan maken op het fiscaal partnerschap.

3.2. Eiseres heeft zich - samengevat - op het standpunt gesteld dat de aanslag tot een onjuist bedrag is vastgesteld. Eiseres meent dat zij recht heeft op een teruggaaf van € 2.474, zijnde de door verweerder berekende maar niet uitgekeerde heffingskortingen. Deze heffingskortingen zijn niet uitbetaald omdat - gelet op het inkomen van eiseres - het totaal van de inkomstenbelasting / premievolksverzekeringen voor het jaar 2003 te laag zou zijn om deze te verlenen. Echter, het gezamenlijk inkomen van eiseres en haar gewezen echtgenoot was in het onderhavige jaar hoger dan het vastgestelde inkomen bij de aanslag. Inmiddels heeft eiseres uit een andere procedure de beschikking gekregen over een kopie van de jaaropgave 2003 van haar gewezen echtgenoot, waaruit blijkt dat zijn inkomen tenminste € 57.797 heeft bedragen, zodat het gecombineerde inkomen ten minste € 61.850 bedraagt, aldus eiseres.

3.3. Verweerder heeft zich - samengevat - op het standpunt gesteld dat de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Gelet op de feitelijke omstandigheden is geen sprake van fiscaal partnerschap en kan het inkomen van de gewezen echtgenoot niet bij het inkomen van eiseres worden geteld. Dit betekent dat voornoemde heffingskortingen terecht niet zijn uitbetaald.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 8.8. juncto 8.10 van de Wet bedraagt de gecombineerde heffingskorting maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing. Omdat eiseres voor het onderhavige jaar zelf een belastbaar inkomen had van € 188 en inkomstenbelasting verschuldigd was ten bedrage van € 62, kan zij alleen met de nadere regeling, zoals neergelegd in artikel 8.9 van de Wet in aanmerking komen voor uitbetaling van de door haar geclaimde heffingskortingen.

4.2. In het geval van fiscaal partnerschap voorziet artikel 8.9 van de Wet in een regeling tot verhoging van de gecombineerde heffingskorting bij de partner zonder dan wel zonder voldoende inkomen. Voor deze partner wordt de heffingskorting verhoogd tot het gezamenlijke bedrag van de algemene heffingskorting en enkele andere kortingen en wel voor zover de gecombineerde inkomensheffing van de meest verdienende partner dat toelaat.

4.3. Het begrip partner is gedefinieerd in artikel 1.2, eerste lid van de Wet:

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder partner verstaan:

a. de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot;

b. de ongehuwde meerderjarige die:

1°. met de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouding voert en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en

2°. samen en uitsluitend met de belastingplichtige voor het kalenderjaar kiest voor kwalificatie als partner.

4.4. De keuze voor kwalificatie als partner is uitgewerkt in artikel 1.3. van de Wet:

1. De gezamenlijke keuze van de belastingplichtige en de andere ongehuwde meerderjarige voor de kwalificatie als partner wordt gemaakt bij verzoek om voorlopige teruggaaf of bij aangifte.

2. De keuze voor de kwalificatie als partner geldt voor de periode in het kalenderjaar dat de ongehuwde meerderjarige met de belastingplichtige onafgebroken een gezamenlijke huishouding voert en op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.

(…)

4.5. De toerekening van inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag bij partners is uitgewerkt in artikel 2.17 van de Wet:

(…)

7. Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft, wordt hij geacht voor de toepassing van dit artikel het gehele kalenderjaar die partner te hebben gehad indien hij daarvoor samen met die partner kiest. De keuze wordt gemaakt bij verzoek om voorlopige teruggaaf of bij aangifte.

4.6. Vaststaat dat eiseres en haar gewezen echtgenoot tot september 2003 op grond van huwelijkse staat als fiscaal partner van elkaar kunnen worden aangemerkt. Om gedurende het gehele jaar als fiscaal partner van elkaar te kunnen worden aangemerkt, dient eiseres aannemelijk te maken dat zij en haar gewezen echtgenoot hiervoor hebben gekozen.

4.7. De wijze waarop eiseres haar aangiftebiljet heeft ingevuld, zoals hiervoor onder 2.2. is weergegeven en het daarop ontbreken van de handtekening van de gewezen echtgenoot, zoals vereist in het geval van een mede door een partner gedaan gezamenlijk verzoek, laten geen andere conclusie toe dan dat eiseres en haar gewezen echtgenoot daarbij niet een gezamenlijk keuze hebben gemaakt voor de kwalificatie als partner. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres geen concrete feiten dan wel omstandigheden aangedragen, die tot een andere conclusie zouden kunnen leiden. De enkele omstandigheid dat de gewezen echtgenoot middels een schrijven van 18 maart 2005 heeft verklaard dat hij tot 18 november 2003 met eiseres getrouwd was en dat zij fiscale partners van elkaar waren, maakt dit niet anders. Immers, hiermee is nog steeds niet aannemelijk geworden dat door eiseres en haar gewezen echtgenoot is gekozen voor het fiscale partnerschap voor het gehele belastingjaar.

4.8. Gelet op het vorenstaande is het beroep van eiseres ongegrond. Verweerder heeft de gewezen echtgenoot terecht niet aangemerkt als fiscaal partner in de zin van de Wet en de door eiseres verzochte heffingskortingen niet uitbetaald.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 14 juni 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.L. Bruinsma, in tegenwoordigheid van mr. H. Çiblak, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.