Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AX9585

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-06-2006
Datum publicatie
29-06-2006
Zaaknummer
15/030113-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Incest; oom heeft neefje misbruikt; raadsman vooert aan dat verklaringen op onderdelen zodanig tegenstrijdig zijn dat de verklaringen als onbetrouwbaar terzijde gesteld moeten worden. Rechtbank verwerpt verweer. De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij is van oordeel dat de aanwezige inconsistenties de essentie van de verklaringen niet raken en voorts niet zodanig onbegrijpelijk zijn (mede gezien het tijdsverloop) dat dit tot de conclusie zou moeten leiden dat de verklaringen als onbetrouwbaar aangemerkt moeten worden. De rechtbank acht de verklaringen van het slachtoffer bovendien geloofwaardig omdat deze naar haar oordeel authentiek en op de essentiële onderdelen ervan consistent en ongewijzigd zijn. Het slachtoffer blijft steeds consistent in zijn verklaring over hoe en waar het seksueel misbruik heeft plaatsgevonden, zonder aanvulling of wijziging van de eerder aangedragen beschuldigingen, ook nadat hij geconfronteerd is met de volhardende ontkenning van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/030113-04

Uitspraakdatum: 6 juni 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 mei 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [geboorteplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij op één of meer tijstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 april 1986 tot en met 30 november 1991 te Purmerend met [slachtof[slachtoffer 1], geboren op 8 april 1979, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd en/of genoemde [slachtoffer 1] tot het plegen en/of dulden van (een) zodanige handeling(en) heeft verleid, bestaande die ontuchtige handeling(en) uit:

- het in de hand nemen van en/of wrijven/strelen over de penis van die [slachtoffer 1] en/of

- het pijpen van die [slachtoffer 1], althans het in de mond nemen van de penis van die [slachtoffer 1] en/of

- het zich laten pijpen door die [slachtoffer 1], althans het brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 1] en/of

- het klaarkomen in de mond van, althans in het bijzijn van, die [slachtoffer 1] en/of

- het tongzoenen met die [slachtoffer 1], althans het brengen van zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer 1] en/of

- het laten brengen van een vinger van die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, anus en/of

- het laten brengen van de penis van die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, anus en/of

- het likken van/bij/om de anus van die [slachtoffer 1] en/of

- het laten likken door die [slachtoffer 1] van/bij/om zijn, verdachtes, anus;

2.

primair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 1991 tot en met 7 april 1995, te Purmerend met [slachtoffer 1], (geboren op 8 april 1979), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], immers heeft verdachte een of meermalen zijn geslachtsdeel in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en/of zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht;

subsidiair:

hij in of omstreeks tussen 1 december 1991 en 8 april 1995 te Purmerend, met [slachtoffer 1] (geboren op 8 april 1979), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

- het in de hand nemen van en/of wrijven/strelen over de penis van die [slachtoffer 1] en/of

- het pijpen van die [slachtoffer 1], althans het in de mond nemen van de penis van die [slachtoffer 1] en/of

- het zich laten pijpen door die [slachtoffer 1], althans het brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 1] en/of

- het klaarkomen in de mond van, althans in het bijzijn van, die [slachtoffer 1] en/of

- het tongzoenen met die [slachtoffer 1], althans het brengen van zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer 1] en/of

- het laten brengen van een vinger van die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, anus en/of

- het laten brengen van de penis van die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, anus en/of

- het likken van/bij/om de anus van die [slachtoffer 1] en/of

- het laten likken door die [slachtoffer 1] van/bij/om zijn, verdachtes, anus.

Op vordering van de officier van justitie is de tenlastelegging ter terechtzitting van 2 augustus 2005 gewijzigd, met dien verstande dat in het onder 1, alsmede in het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde, na de woorden "te Purmerend" moet worden toegevoegd de woorden "en/of Amsterdam".

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bewijsoverweging

De raadsman heeft onder andere aangevoerd dat de diverse afgelegde verklaringen op onderdelen zodanig tegenstrijdig zijn dat de verklaringen als onbetrouwbaar terzijde gesteld moeten worden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij is van oordeel dat de aanwezige inconsistenties de essentie van de verklaringen niet raken en voorts niet zodanig onbegrijpelijk zijn (mede gezien het tijdsverloop) dat dit tot de conclusie zou moeten leiden dat de verklaringen als onbetrouwbaar aangemerkt moeten worden. De rechtbank acht de verklaringen van het slachtoffer [slachtoffer 1] bovendien geloofwaardig omdat deze naar haar oordeel authentiek en op de essentiële onderdelen ervan consistent en ongewijzigd zijn. Het slachtoffer blijft steeds consistent in zijn verklaring over hoe en waar het seksueel misbruik heeft plaatsgevonden, zonder aanvulling of wijziging van de eerder aangedragen beschuldigingen, ook nadat hij geconfronteerd is met de volhardende ontkenning van verdachte.

Voor wat betreft het bewijs acht de rechtbank het telefoongesprek dat [slachtoffer 1] op 11 november 2003 met verdachte heeft gevoerd van cruciaal belang. De verklaringen van [slachtoffer 1], de moeder van [slachtoffer 1], zijn vriendin [betrokkene 1] en zijn broer [betrokkene 2] komen overeen in hun beschrijving van de relatie tussen [slachtoffer 1] en verdachte in de jaren voorafgaand aan dit telefoongesprek: [slachtoffer 1] meed zijn oom en negeerde hem. Tegen deze achtergrond is het opvallend dat [slachtoffer 1] op 11 november het initiatief nam om zijn oom te bellen.

[slachtoffer 1], alsmede zijn moeder die naar beider zeggen het bedoelde telefoongesprek gedeeltelijk heeft meegeluisterd, verklaren dat de reden van het gesprek was dat [slachtoffer 1] zijn oom wilde confronteren met het sexueel misbruik. Verdachte ontkent dit echter en stelt dat [slachtoffer 1] hem belde omdat hij “een probleem” met zijn oom wilde bespreken, waarover verdachte heeft verklaard: “ik denk problemen met drugs”. Tegen de achtergrond van de relatie tussen [slachtoffer 1] en zijn oom voorafgaand aan het gesprek valt niet te begrijpen waarom deze zijn oom zou bellen om een probleem te bespreken. De verklaring van [slachtoffer 1] en zijn moeder omtrent de reden van het telefoongesprek, te weten om zijn oom te confronteren met het seksueel misbruik, is daarentegen wel goed te rijmen met het gegeven dat [slachtoffer 1] zijn oom daarvoor vermeed.

Daarnaast acht de rechtbank de verklaring van verdachte over het verloop van het telefoongesprek ongeloofwaardig. Volgens verdachte zou [slachtoffer 1] hem hebben gebeld omdat hij een probleem met hem wilde bespreken, maar [slachtoffer 1] zou, nog voordat hij had verteld waar het nou om ging, hem hebben verteld dat hij weg moest en dat hij ging ophangen. Hiertegenover hebben [slachtoffer 1] en zijn moeder verklaard dat het gesprek anders verliep: [slachtoffer 1] heeft verdachte geconfronteerd met het seksueel misbruik, verdachte heeft gezegd dat hij er spijt van had maar heeft tevens verklaard dat hij het tegenover derden zou ontkennen.

Nu de rechtbank verdachtes verklaring over de reden en het verloop van het bewuste telefoongesprek ongeloofwaardig acht en zij geen reden heeft om te twijfelen aan de op dat punt overeenstemmende verklaringen van [slachtoffer 1] en zijn moeder, gaat zij uit van de door [slachtoffer 1] en zijn moeder gegeven versie van het gesprek.

De geloofwaardigheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en zijn moeder over de inhoud van het telefoongesprek tussen [slachtoffer 1] en verdachte wordt verder ondersteund door de houding van de moeder van [slachtoffer 1] jegens verdachte. Zowel de moeder van [slachtoffer 1] als verdachte hebben verklaard dat zij een zeer hechte band hadden en regelmatig contact met elkaar onderhielden. De relatie tussen [slachtoffer 1] en zijn moeder was daarentegen verstoord. Ook bezien vanuit die achtergrond is de omstandigheid dat de moeder van [slachtoffer 1] na het telefoongesprek van 11 november 2003 tussen [slachtoffer 1] en verdachte en het daaropvolgende telefoongesprek tussen de moeder en verdachte – waarin verdachte inderdaad ontkende [slachtoffer 1] seksueel te hebben misbruikt – onvoorwaardelijk haar zoon heeft gesteund en alle contact met haar broer (verdachte) heeft verbroken, beter te begrijpen indien zij inderdaad haar broer tegen [slachtoffer 1] heeft horen zeggen dat hij spijt had van het in het verleden gepleegde seksueel misbruik, maar dat hij jegens derden zou blijven ontkennen.

Op grond van het hiervoor overwogene, in combinatie met de overige bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot de navolgende bewezenverklaring.

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat

1.

hij op tijdstippen in de periode van 8 april 1988 tot en met 30 november 1991 te Purmerend met [slachtoffer 1], geboren op 8 april 1979, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd en genoemde [slachtoffer 1] tot het plegen en dulden van zodanige handelingen heeft verleid, bestaande die ontuchtige handeling(en) uit:

- het wrijven/strelen over de penis van die [slachtoffer 1] en

- het pijpen van die [slachtoffer 1] en

- het zich laten pijpen door die [slachtoffer 1] en

- het klaarkomen in de mond van die [slachtoffer 1] en

- het tongzoenen met die [slachtoffer 1] en

- het laten brengen van een vinger van die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, anus en

- het laten brengen van de penis van die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, anus en

- het likken om de anus van die [slachtoffer 1] en

- het laten likken door die [slachtoffer 1] om zijn, verdachtes, anus;

2.

primair:

hij op tijdstippen in de periode van 1 december 1991 tot en met 7 april 1995 te Purmerend met [slachtoffer 1], (geboren op 8 april 1979), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], immers heeft verdachte meermalen zijn geslachtsdeel in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1. met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd, zoals dit strafbaar was gesteld krachtens artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht, geldende ten tijde van de bewezenverklaarde feiten;

2. primair: met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de straf en van de overige beslissingen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - zakelijk weergegeven - tot het navolgende gerekwireerd:

- bewezenverklaring van de feiten onder 1 en 2 primair;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

- toewijzing van de vordering benadeelde partij tot een bedrag van € 5000,--, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- niet ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige gevorderde.

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland, ressort Arnhem, Unit Flevoland Zuid uitgebrachte rapport van12 april 2006 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich gedurende een groot aantal jaren schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn minderjarige neefje dat door zijn moeder aan verdachtes zorg was toevertrouwd. Verdachte heeft hierdoor niet alleen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van dit minderjarige kind, maar heeft tevens op grove wijze het vertrouwen dat dit kind en zijn moeder in hem stelden - en ook moesten kunnen stellen – beschaamd. Daarbij rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat dit misbruik plaats vond in de woning en slaapkamer van het slachtoffer, waar hij zich juist veilig moest kunnen voelen. Daarbij heeft verdachte bovendien misbruik gemaakt van zijn gezaghebbende positie binnen de familie. Uit de rapportage van het FIOM en uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat hij psychisch en emotioneel is beschadigd door het seksueel misbruik, hetgeen overeenkomt met de ervaringsregel dat slachtoffers van dergelijk misbruik ook na jaren nog dergelijke nadelige gevolgen hiervan ondervinden.

Gezien de ernst van het feit acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur op zijn plaats. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om bij deze ontkennende verdachte te bepalen dat een deel van de straf in voorwaardelijk vorm zal worden opgelegd, ook niet omdat herhaling niet gevreesd hoeft te worden.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10.000,-- ingediend tegen verdachte als voorschot op de immaterië-le schade die hij als gevolg van de tenlastegelegde feiten zou hebben geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde voorschot schade betreft die rechtstreeks voortvloeit uit de bewezenverklaarde feiten en dat de vordering – gelet op de onderbouwing daarvan en het verhandelde ter terechtzitting – redelijk en billijk is. De vordering zal dan ook worden toegewezen. Voor wat betreft de gevorderde wettelijke rente overweegt de rechtbank dat deze toewijsbaar is met ingang van de dag waarop de schade is ontstaan. Uit de verklaringen van het slachtoffer moet worden afgeleid dat hij in zijn zeventiende levensjaar zich zodanig is gaan afzetten tegen de seksuele handelingen met verdachte, dat verdachte in elk geval vanaf dat moment geacht kan worden de schade te hebben ondervonden. De rechtbank zal derhalve de ingangsdatum van de wettelijke rente stellen op 8 april 1997, de achttiende verjaardag van het slachtoffer.

Namens de benadeelde is door mr. [advocate], advocate te Alkmaar, een nadere vordering tot schadevergoeding ingediend van € 390,80 wegens materiële schade die de benadeelde partij als gevolg van de tenlastegelegde feiten zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade, voorzover het betreft de reiskosten naar het FIOM ten bedrage van € 300,- en de telefoonkosten van € 50, eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit de bewezenverklaarde feiten. De vordering zal dan ook tot een bedrag van € 350,- worden toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat de reiskosten in verband met het gesprek met de officier van justitie, het bijwonen van de terechtzitting en de gesprekken met de advocaat niet kunnen worden beschouwd als kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de bewezen verklaarde feiten. Benadeelde zal derhalve voor wat betreft deze kosten, ten bedrage van totaal € 40,80, niet ontvankelijk worden verklaard. Deze reiskosten zullen echter wel worden toegewezen in het kader van een veroordeling in de kosten die door benadeelde zijn gemaakt.

Verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op € 40,80, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Tevens acht de rechtbank termen aanwezig om een schadevergoe-dingsmaatregel aan verdachte op te leggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 10.350- te vermeerderen met de wettelijke rente over € 10.000,- vanaf 8 april 1997.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen: 36f, 57, 245, 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEE JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 10.350,- te vermeerderen met de wettelijke rente over €. 10.000,-- vanaf 8 april 1997 tot de dag der algehele voldoening en veroor-deelt verdach-te tot betaling van deze bedragen aan [slachtoffer 1], voornoemd, rekeningnummer 66.797.49, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering.

Veroor-deelt verdachte in de kosten door de benadeel-de partij gemaakt, tot op heden begroot op € 40,80, en in de kosten ten behoeve van de tenuit-voerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 10.350,- te vermeerderen met de wettelijke rente over €. 10.000,- vanaf 8 april 1997 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 186 dagen hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.M.A. van den Boogaard, voorzitter,

mrs. Kalden en Burg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier De Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 juni 2006.

Mr. Van den Boogaard is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.