Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AX9444

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-06-2006
Datum publicatie
28-06-2006
Zaaknummer
15/500349-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 2, 10 OW; art. 27 lid 4 Verdrag van Wenen; cocaïne vervoerd in een diplomatieke koffer. Cruciaal voor het oplossen van de door de raadsman opgeworpen kwestie is het antwoord op de vraag of de koffer die bij verdachte werd aangetroffen, moet worden aangemerkt als een diplomatieke koffer zoals bedoeld in artikel 27 lid 4 van het Verdrag van Wenen. (...) Een koffer kan slechts als een diplomatieke koffer worden beschouwd indien deze meerdere extern zichtbare kenmerken heeft. (...) Een diplomatieke tas dient een zegel van de zendstaat te hebben alsmede een etiket of label waarop duidelijk staat aangegeven dat het een diplomatieke tas betreft. Nu uit de stukken van het dossier blijkt dat de door verdachte meegevoerde koffer slechts voorzien was van zegellak, kan niet worden gezegd dat aan de gestelde eisen voor een diplomatieke koffer werd voldaan. Dat betekent dat in het overleg dat de desbetreffende douaneambtenaren hadden met de officier van justitie voordat zij overgingen tot het openen van de koffer, op goede gronden is vastgesteld dat het in casu niet ging om een diplomatieke koffer als bedoeld in meergenoemd Verdrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/500349-06

Uitspraakdatum: 23 juni 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 juni 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Ter Apel.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 28 februari 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 7035 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Voorvragen

2.1 Geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is.

2.2 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman van verdachte heeft - kort en zakelijk weergegeven - ter terechtzitting aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is in zijn vervolging omdat verdachte een ad hoc koerier is in de zin van artikel 27 lid 6 van het Verdrag van Wenen inzake Diplomatiek Verkeer (1961) en daarom een diplomatieke status heeft en uit dien hoofde in Nederland strafrechtelijke immuniteit geniet. Ook wanneer zou worden vastgesteld dat de koffer die verdachte bij zich had geen diplomatieke zending betrof, dan nog is verdachte een ad hoc koerier en dus niet onderworpen aan het Nederlandse strafrecht.

De raadsman heeft in dit verband nog aangevoerd dat de koffer was voorzien van een diplomatiek zegel en daardoor diplomatieke post is die bescherming geniet krachtens artikel 27 lid 3 van het Verdrag van Wenen. Ook indien er gegronde redenen zijn te vermoeden dat er andere dingen worden vervoerd dan wordt toegestaan in artikel 27 lid 4 van het Verdrag, dan nog behoudt de koffer de bescherming van eerdergenoemd lid 3. De toestemming van de officier van justitie tot het openen van de koffer was dan ook in strijd met het Verdrag, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt omtrent het verweer van de raadsman het volgende:

Cruciaal voor het oplossen van de door de raadsman opgeworpen kwestie is het antwoord op de vraag of de koffer die bij verdachte werd aangetroffen, moet worden aangemerkt als een diplomatieke koffer zoals bedoeld in artikel 27 lid 4 van het Verdrag van Wenen. Dit artikel luidt:

"The packages constituting the diplomatic bag must bear visible external marks of their character and may contain only diplomatic documents or articles intended for official use."

De bewoordingen "must bear visible external marks" kunnen niet anders worden uitgelegd dan dat een koffer slechts als een diplomatieke koffer kan worden beschouwd indien deze meerdere extern zichtbare kenmerken heeft. Deze uitleg wordt bevestigd door een zich bij de stukken van het strafdossier bevindende brief, gedateerd 20 april 2006, van M.L.C. Verbeek, Hoofd van de Afdeling Buitenlandse Missies, Voorrechten en Immuniteiten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarin wordt aangegeven dat een diplomatieke tas een zegel van de zendstaat dient te hebben alsmede een etiket of label waarop duidelijk staat aangegeven dat het een diplomatieke tas betreft. Nu uit de stukken van het dossier blijkt dat de door verdachte meegevoerde koffer slechts voorzien was van zegellak, kan niet worden gezegd dat aan de gestelde eisen voor een diplomatieke koffer werd voldaan. Dat betekent dat in het overleg dat de desbetreffende douaneambtenaren hadden met de officier van justitie voordat zij overgingen tot het openen van de koffer, op goede gronden is vastgesteld dat het in casu niet ging om een diplomatieke koffer als bedoeld in meergenoemd Verdrag.

Een en ander betekent dat verdachte geen beroep kan doen op de status van diplomatiek koerier ad hoc, zoals door de raadsman gesteld. Daartoe is immers onvoldoende dat verdachte beschikt over een diplomatiek paspoort en een ongedateerde en met betrekking tot de diplomatieke tas niet gespecificeerde brief. Later ontvangen brieven, die afkomstig zouden zijn van een afdeling van het Bureau van de president van Oeganda, kunnen - onder de gegeven omstandigheden van deze zaak - evenmin de gewenste betekenis worden toegekend. Ook andere gronden voor het ontbreken van Nederlandse rechtsmacht ten aanzien van verdachte zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aanwezig. Verdachte staat niet in Nederland ingeschreven als diplomaat en is ook geen diplomatiek ambtenaar op doorreis of terugkeer naar zijn standplaats dan wel zijn eigen land.

Nu haar conclusie is dat verdachte geen diplomatieke onschendbaarheid toekomt, verklaart de rechtbank het Openbaar Ministerie ontvankelijk in zijn vervolging.

2.3 Overige voorvragen

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit;

- een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van de tijd die reeds door verdachte in voorarrest is doorgebracht;

- verbeurdverklaring van hetgeen op de beslaglijst is opgenomen onder de nummers 2, 5-11 alsmede één van de onder nummer 14 van de beslaglijst genoemde Nokia-telefoons (met UK-simmkaart);

- verbeurdverklaring van $ 4369,-;

- teruggave aan de verdachte van de overige goederen op de beslaglijst.

4. Bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat:

hij op 28 februari 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 7035 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

7.1 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 7035 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Daarnaast neemt de rechtbank het verdachte bijzonder kwalijk dat hij de cocaïne middels een valse diplomatieke koffer Nederland heeft willen binnenbrengen. Hiermee maakt verdachte niet alleen duidelijk dat hij er niet voor terugdeinst misbruik te maken van een diplomatieke hoedanigheid om verdovende middelen te smokkelen maar schendt hij ook welbewust en in ernstige mate het algemene vertrouwen dat in en ten aanzien van het internationale diplomatieke verkeer bestaat en ook behoort te kunnen bestaan.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat geen andere dan een vrijheidsbenemende straf van lange duur dient te worden opgelegd.

7.2 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen onder de nummers 2 en 5 tot en met 11 van de beslaglijst, alsmede de Nokia telefoon met UK-simmkaart (vermeld onder nummer 14 van de beslaglijst), dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van deze voorwerpen die aan verdachte toebehoren, is begaan en/of voorbereid.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van strafrecht: 33, 33a,

Opiumwet: 2, 10.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- 2 instapkaarten (nummers 2 en 9 beslaglijst)

- 2 claimtags (nummers 5 en 11 beslaglijst)

- brief van Cadushi travel met reisinfo (nummer 6 beslaglijst)

- 2 tickets (nummers 7 en 10 beslaglijst)

- 2 brieven van ministerie van Buitenlandse Zaken van Uganda (nummer 8 beslaglijst)

- Nokia telefoon met UK-simmkaart (nummer 14 op de beslaglijst)

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- diplomatiek paspoort Uganda (nummer 1 beslaglijst)

- 2 brieven; Miraflores Colon hotel en Interbank (nummer 3 beslaglijst)

- Ugandees identiteitsbewijs (nummer 12 beslaglijst)

- diplomatiek stempel (nummer 13 beslaglijst)

- 2 telefoontoestellen Nokia (uitgezonderd telefoon met UK-simmkaart / nummer 14 beslaglijst)

- 4 x 1 US dollar

- 1 x 5 US dollar

- 1 x 10 US dollar

- 1 x 50 US dollar

- 43 x 100 US dollar

10. Samenstelling van de rechtbank en de uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Verpalen, voorzitter,

mrs. Kronenberg en Samkalden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Kerkhof,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 juni 2006.

Mr. Samkalden is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.