Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AX9123

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
30-06-2006
Zaaknummer
15/003962-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 420 bis Sr, medeplegen van witwassen, bewijsoverweging ten aanzien van de illegale herkomst van het geld.

Verdachte heeft zich, tezamen met anderen, schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een grote

hoeveelheid geld, terwijl hij wist dat het geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

VESTIGING SCHIPHOL

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer : [nummer]

Uitspraakdatum : 13 april 2006

Tegenspraak

STRAFVONNIS (art. 359 Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 maart 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboorteplaats] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijsbeslissing

3.1 Bewijsoverweging

Ter zitting hebben verdachte en de drie ter zitting gehoorde getuigen - [getuige], [getuige] en [getuige] - in essentie de volgende lezing van de feiten trachten te geven. Van het geld dat in de woning van verdachte is aangetroffen, is slechts een klein deel van diens zwager [medeverdachte]. Het merendeel van het bij verdachte aangetroffen geld is van de broer van [medeverdachte], [getuige]. [getuige] had € 275.000,- geleend van verschillende mensen in Turkije omdat hij in Amsterdam een restaurant wilde kopen. [getuige] had dit geld aan zijn zus, [getuige], de echtgenote van verdachte, gegeven en zij heeft het onder het bed in de slaapkamer gelegd. Verdachte is hiervan pas later op de hoogte gebracht. De rechtbank heeft begrepen dat verdachte thans heeft bedoeld te stellen dat hij op het moment van aantreffen van het geld geen wetenschap had van het geld in zijn huis en dat het geld een legale herkomst had.

De rechtbank acht deze lezing ongeloofwaardig. De ter zitting gehoorde getuigen en verdachte hebben namelijk op onderdelen wisselende verklaringen afgelegd en daarnaast spreken de verklaringen van de verschillende personen elkaar op onderdelen tegen. Van doorslaggevend belang acht de rechtbank met name de verklaringen met betrekking tot het punt of verdachte vóór het aantreffen van het geld door de politie en voordat hij hierover werd verhoord, zou hebben geweten dat het merendeel van het geld van [getuige] was. Verdachte zelf heeft, ter uitleg waarom hij eerder verschillende malen heeft verklaard dat het geld dat is aangetroffen in zijn woning van [medeverdachte] was, op de zitting verklaard dat hij slechts veronderstelde dat al het geld van [medeverdachte] was, maar dat hij dat niet zeker wist. Hij verklaarde dat zijn familie hem pas na zijn vrijlating uit detentie heeft verteld dat het merendeel van het in de woning aangetroffen geld niet van [medeverdachte], maar van [getuige] was. [getuige] heeft daarentegen als getuige ter zitting verklaard dat hij aan verdachte vóór diens detentie al had verteld dat hij geld aan zijn zus [getuige] had gegeven. [getuige] heeft als getuige ter zitting verklaard dat zij vóór de detentie van haar man weliswaar niet expliciet met hem heeft gesproken over het geld dat was verstopt onder het bed in de slaapkamer van hun woning, maar dat hij wel wist dat zij geld van [getuige] had gekregen en dat dat geld ergens in hun woning lag. Ook heeft zij, net als verdachte in één van zijn verklaringen bij de KMar, verklaard dat [getuige] in de periode dat het geld in haar huis was verstopt geld heeft geleend van [medeverdachte] en dat zij notities van verdachte hierover heeft aangetroffen, terwijl [medeverdachte] juist heeft verklaard nooit geld aan [getuige] te hebben geleend. Ter zitting heeft verdachte voorts desgevraagd verklaard dat hij voor zijn detentie niet wist dat er geld onder zijn bed lag. De rechtbank stelt vast dat tijdens de doorzoeking in de woning aan het [adres] mede op aanwijzingen van verdachte een groot geldbedrag is aangetroffen onder een tweepersoonsbed van verdachte en zijn vrouw (AH/134). Reeds vanwege deze inconsistenties en tegenstrijdigheden van verdachte en de drie getuigen hecht de rechtbank geen geloof aan de door de verdachte en de drie getuigen ter zitting gegeven lezing dat het aangetroffen geld grotendeels van [getuige] was en een legale herkomst had. Ten aanzien van de door de raadsman van verdachte overgelegde schuldbekentenissen van [getuige] overweegt de rechtbank het volgende. Deze overeenkomsten zijn pas in maart 2005 - derhalve enkele maanden na het aantreffen van het geld door de politie in het huis van verdachte - in Turkije opgemaakt. In het licht van de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van verdachte en van de getuigen omtrent de herkomst van het geld, is de rechtbank van oordeel dat deze stukken slechts zijn geproduceerd om de beweerdelijk gestelde geldleningen aan [getuige] achteraf te construeren om daarmee de legale status van het geld aan te tonen.

3.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat:

hij op 8 december 2004 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, voorwerpen, te weten grote hoeveelheden bankbiljetten ter waarde van 343.150,- euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die bankbiljetten - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.3. Bewijsmiddelen

(1)

Een in de wettelijke vorm opgemaakt en op 8 december 2004 gesloten proces-verbaal (bijlage nr. AH/134), mutatienummer PL278C/04-079157 van de opsporingsambtenaar M. van Voorthuisen, werkzaam als opperwachtmeester bij de Koninklijke Marechaussee District Schiphol.

Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van de verbalisant voormeld:

Op 8 december 2004 bevond ik mij, verbalisant, vergezeld van rechter-commissaris mr. J.D.C. Ventevogel, ter doorzoeking in een woning gelegen aan de [adres] Op dit adres zijn woonachtig de zus van [medeverdachte], te weten [getuige] samen met haar man [verdachte] en hun twee kinderen. Tijdens de doorzoeking is, mede op aanwijzingen van [verdachte], een groot geldbedrag aangetroffen. Dit geld werd aangetroffen in drie draagtassen onder een tweepersoonsbed. Tevens werden er drie bundels van 20 euro biljetten aangetroffen en een gesloten kluis in de linnenkast. Bij het aantreffen van het geldbedrag in de linnenkast verklaarde [verdachte] ongevraagd dat het aangetroffen geld eigendom is van zijn zwager [[medeverdachte]. Tevens verklaarde hij dat hij op verzoek van [medeverdachte] met regelmaat 1000 euro uit de bundels uit de linnenkast wegnam en deze vervolgens aan [[medeverdachte] moest overhandigen.

(2)

Een schriftelijk stuk, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming, waarop het volgende staat vermeld

(bijlage nr. AH/170):

Op 8 december 2004 heb ik, G.E. Meijer, te Amsterdam, [adres], onder [verdachte], onder meer het volgende inbeslaggenomen:

- 25 bankbiljetten van 500 euro;

- 217 bankbiljetten van 100 euro;

- 4809 bankbiljetten van 50 euro;

- 750 bankbiljetten van 20 euro;

- 24 bankbiljetten van 500 euro;

- 822 bankbiljetten van 50 euro;

- 20 bankbiljetten van 20 euro.

(3)

Een in wettelijke vorm opgemaakt en op 8 december 2004 gesloten proces-verbaal (bijlage nr. V03/01) van de opsporingsambtenaren R. Bakker en C.F.J. Brink, werkzaam bij het District Kmar Schiphol/CargoHarc-team.

- Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in:als verklaring van de verdachte [verdachte], op 8 december 2004 afgelegd tegenover verbalisanten voormeld:

Vraag: Wie is [[medeverdachte]?

Antwoord: Hij is de broer van mijn vrouw.

Vraag: In uw woning is een hoeveelheid geld aangetroffen. Dit geld zat in plastic zakken en werd onder het bed aangetroffen. Van wie is dit geld?

Antwoord: Dat is van [medeverdachte].

Vraag: Hoeveel geld denkt u dat dit is?

Antwoord: Hij had mij een keer gezegd dat in 1 tas 100.000 euro zit.

Vraag: Wanneer heeft [medeverdachte] u dat gezegd?

Antwoord: Ik denk een maand geleden. Als hij langs komt om geld te brengen of te pakken, dan kan hij dat doen.

Vraag: In uw woning werd ook een kluis aangetroffen. Van wie is deze kluis?

Antwoord: De kluis is ook van [medeverdachte].

Vraag: Hoe lang ligt er al geld van [medeverdachte] in uw woning?

Antwoord: Dat er geld onder het bed ligt, dat weet ik ongeveer een jaar.

Vraag: Heeft u zelf wel eens geld uit de tassen of kluis genomen?

Antwoord: Ik kon niet in de brandkast. Waar de brandkast staat, staat een rek. Daar heeft hij geld verstopt. Ik wist dat daar geld van hem lag. Soms belde hij en moest ik hem geld geven van dat geld. Het geld lag daar, zodat ik er aan kon komen.

Ik weet niet precies wat voor werk [medeverdachte] deed, maar zijn moeder en ik dachten dat het iets illegaals was. Zijn moeder heeft hem ook herhaaldelijk gewaarschuwd ermee te stoppen.

Vraag: Heeft u wel eens geld van [medeverdachte] aan andere mensen gegeven?

Antwoord: De broer van [medeverdachte], [getuige], leent wel eens geld van [medeverdachte], maar betaalt dat weer terug. [medeverdachte] belt mij om te zeggen hoeveel geld ik aan [getuige] moet geven. Het gaat om 5.000 of 6.000; niet meer dan € 10.000 per keer. Dan schrijf ik dat op voor [medeverdachte].

Vraag: Hoe dacht u dat [medeverdachte] aan zoveel geld kwam?

Antwoord: Ik veronderstel dat hij zich met heroïne bezighoudt. Ik weet echt niet hoe hij anders aan zoveel geld komt. Mijn vrouw heeft [medeverdachte] ook gewaarschuwd en gezegd dat hij moest ophouden voordat er iets naars gebeurt.

(4)

Een in wettelijke vorm opgemaakt en op 9 december 2004 gesloten proces-verbaal (bijlage nr. V03/02) van de opsporingsambtenaar C.F.J. Brink, werkzaam bij het District Kmar Schiphol/CargoHarc-team.

Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in:

- als verklaring van de verdachte [verdachte], op 9 december 2004 afgelegd tegenover verbalisant voormeld:

U vraagt mij of [medeverdachte] mij gezegd heeft dat hij aangehouden kon worden.

[medeverdachte] had laten doorschemeren dat als hij in een bepaalde situatie terecht zou komen, dan was het beter dat het geld niet bij hem thuis was.

U vraagt mij waar het geld dan van afkomstig is.

Als het om zulke grote bedragen gaat, dan is het toch duidelijk waar het geld van afkomstig is: van onwettige praktijken. Dat kan niet met gewoon werken verdiend worden. Dat kan smokkelarij zijn,

verdovende middelen zaken.

U vraagt mij hoe ik bij heroïne kom en niet hashish of cocaïne.

Ik ken de namen van de spullen niet. In het algemeen wordt in de Turkse taal gesproken over heroïne.

(5)

Strafvonnis van de rechtbank Haarlem d.d. 15 juni 2005, waarbij medeverdachte [[medeverdachte] is veroordeeld voor de invoer van cocaïne op tijdstippen gelegen in de periode van 28 oktober en 17 november 2004.

(6)

Een in wettelijke vorm opgemaakt en op 14 december 2004 gesloten proces-verbaal (bijlage nr. V01/03) van de opsporingsambtenaren R. Mahabier en J.H.A. Kenter, beiden werkzaam als opperwachtmeester bij de

Koninklijke Marechaussee District Schiphol.

Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als verklaring van de medeverdachte [[medeverdachte], afgelegd op 13 december 2004 tegenover verbalisanten voormeld:

[medeverdachte] had tegen mij gezegd dat ik € 1000 per kilo zou krijgen.

Wij kregen ons geld meestal na twee tot vier dagen.

Ik bewaarde het geld wat ik had gekregen bij mijn zus waar jullie het gevonden hebben.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van witwassen

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

De officier van justitie heeft - zakelijk weergegeven - tot het navolgende gerekwireerd:

- bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit;

- oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich, tezamen met anderen, schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een grote

hoeveelheid geld, terwijl hij wist dat het geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.

Door aldus te handelen hebben verdachte en zijn mededaders de feitelijke zeggenschap gehad over opbrengsten van misdrijven die aan het zicht van justitie werden onttrokken, hetgeen een ernstige aantasting van de

integriteit van het financieel en economisch verkeer betekent. Met de opgelegde straf wordt de

maatschappelijke afkeuring voor dit strafbare feit tot uiting gebracht.

Op grond van het vorenoverwogene en mede in aanmerking genomen de strafoplegging in vergelijkbare

gevallen van witwassen van een dergelijke hoeveelheid geld is de rechtbank van oordeel dat een

vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

De straf is lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank - meer dan de officier van justitie dat doet - de (ondergeschikte) rol in aanmerking neemt die verdachte in het geheel heeft gespeeld.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: 47 en 420 bis Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHT MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Burg, voorzitter,

mrs. Van Dijk en Van Andel, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. drs. Rive,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 april 2006.