Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AX8998

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-06-2006
Datum publicatie
22-06-2006
Zaaknummer
309617 AO VERZ 06-793
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Ontbinding arbeidsovereenkomst op grond van bedrijfseconomische redenen. Geen schending van het anciënniteits- en afspiegelingsbeginsel. Geen sprake van een opzegverbod als bedoeld in art. 7:685 lid 1 BW. Verweerder krijgt een vergoeding conform het Sociaal Plan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rep.nr.: 309617/ AO VERZ 06-793

datum uitspraak: 9 juni 2006

BESCHIKKING ONTBINDING ARBEIDSOVEREENKOMST

inzake

de naamloze vennootschap GTI nv

te Bunnik

verzoekster

hierna: GTI

gemachtigde: mr. Th. J. Vlot

tegen

[verweerder]

te [woonplaats]

verweerder

hierna: [verweerder]

gemachtigde: mr. S.M. Drost

De procedure

Op 2 mei 2006 is ter griffie een verzoekschrift ontvangen van GTI. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 2 juni 2006. Op deze zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. De gemachtigde van GTI heeft pleitnotities overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.

De feiten

a. [verweerder], 23 jaar oud, is sinds 1 september 2000 bij GTI in dienst, laatstelijk in de functie van hulpmonteur tegen een salaris van € 1.657,68 bruto per maand exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.

b. [verweerder] is vanaf oktober 2005 arbeidsongeschikt wegens schouderklachten.

c. GTI maakt onderdeel uit van een concern, de GTI groep, welke groep zich richt op technische dienstverlening. [verweerder] is in dienst van GTI en was feitelijk werkzaam bij GTI Utiliteit Noordwest b.v., een 100 % dochter van GTI.

d. In verband met teruglopende bedrijfsresultaten heeft de GTI groep een aantal reorganisaties doorgevoerd waardoor in totaal rond de vierhonderd arbeidsplaatsen zijn komen te vervallen.

e. Ter opvang van de eventuele nadelige gevolgen voor werknemers die een direct uitvloeisel zijn van de reorganisatie is door GTI met de vakverenigingen een Sociaal Plan overeengekomen. Het Sociaal Plan is op 28 januari 2004 bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangemeld als CAO.

Het verzoek

GTI verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verandering in de omstandigheden.

Ter toelichting stelt GTI – samengevat – het volgende. De functie van [verweerder] is door de reorganisatie komen te vervallen en [verweerder] is niet herplaatsbaar binnen GTI. Bij de keuze om [verweerder] voor te dragen voor ontslag is het afspiegelingsbeginsel gehanteerd. De boventalligheid heeft plaatsgevonden per bedrijfsvestiging, waarbij 1 juli 2005 als peildatum is gehanteerd. Voor de functie van monteur komt [verweerder] niet in aanmerking nu hij daarvoor de kwalificaties, en met name ook de nodige werkervaring, mist. [verweerder] heeft recht op een vergoeding conform het met de vakorganisaties overeengekomen Sociaal Plan ter hoogte van € 7.161,18 bruto. Er is geen aanleiding hiervan in het voordeel van [verweerder] af te wijken. Het CWI heeft reeds toestemming gegeven om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, doch de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] maakt dat GTI hier geen gebruik van heeft kunnen maken. Niet die arbeidsongeschiktheid, doch uitsluitend het vervallen van zijn functie wegens reorganisatie is de reden voor het onderhavige ontbindingsverzoek, aldus nog steeds GTI.

Het verweer

[verweerder] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een vergoeding van € 16.112,65 bruto.

Ter toelichting voert [verweerder] – samengevat – het volgende aan. De stelling dat er sprake is van een bedrijfseconomische noodzaak voor de doorgevoerde reorganisatie en het daaraan gekoppelde ontslag van [verweerder], is door GTI onvoldoende onderbouwd. GTI had [verweerder] een functie als monteur moeten aanbieden, nu hij daarvoor voldoende gekwalificeerd is. Mogelijk is sprake van schending van het anciënniteitsbeginsel. Het feit dat personeel door GTI wordt ingehuurd, valt niet te rijmen met het grote aantal gedwongen ontslagen. Het feit dat hij voor ontslag in aanmerking wordt gebracht houdt verband met zijn arbeidsongeschiktheid. Er is derhalve sprake van een opzegverbod. Anders dan GTI stelt, is bij [verweerder] nimmer sprake geweest van een intensief bemiddelingstraject. De gevolgen van het ontslag zijn gezien zijn arbeidsongeschiktheid ernstiger voor [verweerder] dan voor zijn collega’s.

Indien ondanks vorenstaande het verzoek zal worden toegewezen, is er aanleiding de kantonrechtersformule toe te passen en daarbij uit te gaan van de factor C = 1,5. GTI is bij de berekening van een vergoeding conform het Sociaal Plan ten onrechte uitgegaan van 5 dienstjaren. De gekozen peildatum is voor [verweerder] niet meer representatief. Er zou moeten worden uitgegaan van zes dienstjaren. Het verstrijken van de tijd mag niet in het nadeel van [verweerder] uitpakken.

De beoordeling van het verzoek

Omtrent de vraag of zich gewichtige redenen voordoen die tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst nopen, wordt het volgende overwogen.

Met betrekking tot de bedrijfseconomische noodzaak voor de reorganisatie geldt dat GTI naar het oordeel van de kantonrechter met de verwijzing naar de brief van GTI aan de CWI van 17 oktober 2005 betreffende de melding collectief ontslag en de in de CWI procedure overgelegde stukken, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij redelijkerwijs tot de doorgevoerde reorganisatie heeft kunnen besluiten. [verweerder] heeft aangevoerd dat niet alle onderliggende stukken zijn overgelegd, doch nu onbetwist is dat deze stukken in de CWI procedure voorhanden waren en ook feitelijk in bezit van (de gemachtigde van) [verweerder], geldt dat het op diens weg had gelegen meer concreet te onderbouwen in welk opzicht en om welke redenen deze stukken in twijfel zouden moeten worden getrokken. Nu dit is nagelaten, dient deze stelling als onvoldoende feitelijk onderbouwd te worden gepasseerd. Overwogen wordt nog dat het enkele feit dat GTI mogelijk veelvuldig gebruik maakt van in te lenen personeel onvoldoende is om te concluderen dat een bedrijfseconomische noodzaak voor de reorganisatie ontbreekt.

Voorts acht de kantonrechter de stelling van GTI aannemelijk dat op juiste wijze toepassing is gegeven aan het anciënniteits- en afspiegelingsbeginsel, nu dit blijkens overgelegde stukken zowel door de CWI als de UWV wordt bevestigd. Ook hier geldt dat [verweerder] daartegenover onvoldoende concreet heeft aangegeven in welk opzicht een en ander desalniettemin niet zou kloppen, zodat diens stelling dat “mogelijk” sprake is van schending van het anciënniteitsbeginsel, hem evenmin kan baten.

Nu uit vorenstaande volgt dat de functie van [verweerder] wegens bedrijfseconomische redenen is komen te vervallen, moet worden aangenomen dat dit de aanleiding is voor het ontbindingsverzoek. Dit wordt bevestigd door de gevoerde CWI procedure. De kantonrechter acht het dan ook niet aannemelijk dat desalniettemin de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] de werkelijke reden is voor het ontbindingsverzoek. Er is derhalve - anders dan aangevoerd door [verweerder] - geen sprake van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:685 lid 1 BW.

[verweerder] heeft ook nog aangevoerd dat GTI zich onvoldoende heeft ingespannen om te bemiddelen c.q. hem te herplaatsen. Hieromtrent wordt als volgt overwogen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft GTI voldoende aannemelijk gemaakt dat [verweerder] ondanks zijn diploma MBI niet kon worden geplaatst als monteur, nu daaraan door GTI hogere eisen worden gesteld. Deze eisen zijn onder meer gelegen in meer werkervaring welke zou moeten worden opgedaan door uitoefening van de functie van aankomend monteur. Onvoldoende betwist is dat ook de functie van aankomend monteur binnen GTI niet meer aanwezig was. [verweerder] heeft ter zitting nog aangevoerd dat hem is gezegd dat hij direct na zijn functie als hulpmonteur in aanmerking zou komen voor de functie van monteur, doch van een werkelijke toezegging op dit punt is niet gebleken.

De kantonrechter acht het wel mogelijk dat voor [verweerder] averechts heeft gewerkt dat hij arbeidsongeschikt was ten tijde van het bij GoFlex ingezette bemiddelingstraject. [verweerder] heeft toen overigens om hem moverende geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de beslissing van GoFlex hem niet plaatsen.

Wat daarvan zij, gesteld noch gebleken is dat GTI zich ten aanzien van [verweerder] niet heeft gehouden aan de met de bonden overeengekomen afspraak om boventallige medewerkers aan GoFlex aan te bieden. Om die reden moet worden aangenomen dat GTI zich voldoende heeft ingespannen om [verweerder] behulpzaam te zijn bij het vinden van een andere functie, doch daarin helaas niet is geslaagd. Ook hier geldt dat [verweerder] niet concreet heeft aangegeven wat dan nog meer van GTI verwacht had kunnen worden.

Er zijn gezien het vorenstaande naar het oordeel van de kantonrechter dan ook voldoende gewichtige redenen om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden tegen 1 juli 2006. Daarbij is geen rekening gehouden met de zogenaamde “fictieve opzegtermijn”, nu deze omstandigheid niet voor rekening van de werkgever dient te komen en in het Sociaal Plan daarvoor ook geen compensatie wordt geboden.

Thans komt de vraag aan de orde of de omstandigheden van het geval meebrengen dat aan [verweerder] een hogere vergoeding behoort te worden toegekend dan hem ingevolge het Sociaal Plan toekomt. Het Sociaal Plan is in overeenstemming met de vakorganisaties tot stand gekomen. Afwijking daarvan is slechts dan gerechtvaardigd indien sprake is van een evident onbillijke uitkomst voor de betrokken werknemer. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Het feit dat – hoe schrijnend ook – [verweerder] arbeidsongeschikt is en dit naar alle waarschijnlijkheid voor zijn werk als hulpmonteur nog wel enige tijd zal blijven, is onvoldoende om een afwijking van het Sociaal Plan – dat onverkort geldt voor alle ontslagen collega’s, ook degenen die arbeidsongeschikt zijn of waren ten tijde van het ontslag - te rechtvaardigen. Ook afwijking van de in het Sociaal Plan gehanteerde peildatum van 1 december 2005 kan, gezien het vorenstaande, niet worden toegewezen.

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat aan [verweerder] in redelijkheid een vergoeding toekomt conform het Sociaal Plan, derhalve ten bedrage van het door GTI genoemde bedrag van € 7.161,18 bruto.

Nu GTI reeds een dergelijke vergoeding heeft aangeboden, is het verzoek toewijsbaar en kan de zaak bij eindbeslissing worden afgedaan.

Gezien de aard van de procedure worden de kosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tegen 1 juli 2006;

- kent aan [verweerder] ten laste van GTI een vergoeding toe van € 7.161,18 bruto, als aanvulling op ingevolge sociale verzekeringswetten te ontvangen uitkeringen dan wel elders te verwerven lager inkomen uit arbeid;

- veroordeelt voor zover nodig GTI tot betaling van die vergoeding;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad

- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.A. Boom en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.