Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AX8996

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-06-2006
Datum publicatie
20-06-2006
Zaaknummer
AWB 05-2682 en AWB 05-2683
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitzondering op uitgangspunt dat uitspraak ABRS gevolgd dient te worden, in geval dat de goede procesorde is geschaad en/of het verdedigingsbeginsel is geschonden. Geen schadevergoeding omdat eiser niet in een slechtere positie is gekomen door het Aanwijzingsbesluit 1996, nu het preferentieel baangebruik (van de verlengde Kaagbaan) ook reeds mogelijk was op grond van het aanwijzingsbesluit uit 1962.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 05 - 2682 en 05 - 2683

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juni 2006

in de zaken van:

[Eiseres sub 1] ,

gevestigd te [woonplaats]

en

[Eiseres sub 2],

gevestigd te [woonplaats]

eiseressen,

gemachtigde: mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan den Rijn,

tegen:

de besliscommissie van het Schadeschap Luchthaven Schiphol,

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 15 mei 2001 heeft verweerster de verzoeken van eiseressen om vergoeding van schade, die zij stellen te lijden door de uitbreiding van het luchtvaartterrein van luchthaven Schiphol, afgewezen.

Tegen deze besluiten hebben eiseressen bij brief van 29 mei 2001 bezwaar gemaakt.

Verweerster heeft de bezwaren bij besluiten van 25 oktober 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 januari 2004 de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 oktober 2004 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) de daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank alsmede de besluiten van 25 oktober 2001 vernietigd en verweerster opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

Bij besluit van 1 juni 2005 heeft verweerster het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij verwezen naar het advies van de Adviescommissie van 25 februari 2005.

Tegen dit besluit hebben eiseressen bij brief van 30 juni 2005 beroep ingesteld.

Verweerster heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 27 april 2006, alwaar eiseressen zijn verschenen bij hun voornoemde gemachtigde mr. Van Binsbergen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar voorzitter mr. drs. B.P.M. van Ravels, voorzitter van verweerster, en door mr. dr. O.M. te Rijdt, werkzaam bij het Schadeschap Luchthaven Schiphol.

2. Overwegingen

2.1 De uitbreiding van Schiphol is vastgelegd in de Planologische Kernbeslissing (PKB) "Schiphol en omgeving", deel vier, goedgekeurd door de Staten-Generaal op 29 november 1995.

2.2 De Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer hebben op 23 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 211) een Aanwijzingsbesluit genomen als bedoeld in artikel 27 jo. artikel 24 van de Luchtvaartwet, strekkende tot uitbreiding van het bestaande luchtvaartterrein (hierna: het Aanwijzingsbesluit).

2.3 Bij de Gemeenschappelijke Regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol (hierna: de Regeling) is het openbaar lichaam "Schadeschap Luchthaven Schiphol" (hierna: het Schadeschap) ingesteld. Het Schadeschap is opgericht in verband met de behandeling van verzoeken tot schadevergoeding, als gevolg van de uitbreiding van de luchthaven Schiphol ten behoeve van de mainportfunctie, aan één loket.

2.4 In de Regeling zijn de bevoegdheid en werkwijze van het Schadeschap geregeld. De Regeling strekt er onder meer toe de schadevergoedingsbevoegdheden van de raden van de deelnemende gemeenten te delegeren aan het Schadeschap. De gemeenteraden hebben hun bevoegdheden ex artikel 49 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) overgedragen, doch uitsluitend voor zover het schadeverzoeken betreft die betrekking hebben op de uitbreiding van Schiphol, zoals bepaald in het Aanwijzingsbesluit en de PKB. De Minister van Verkeer en Waterstaat heeft zijn bevoegdheid tot het toekennen van schadevergoeding, zoals bepaald in artikel 21 van het Aanwijzingsbesluit, eveneens aan het Schadeschap gedelegeerd.

2.5 Eiseressen exploiteren een handel in onroerend goed respectievelijk een benzinetankstation aan [adres].

Zij hebben in maart 1998 verzocht om vergoeding van schade ten gevolge van de toename van geluidsoverlast door intensiever gebruik van de verlengde Kaagbaan op het luchtvaartterrein van Schiphol. Als schade hebben zij gesteld dat zij hun bedrijven niet meer kunnen exploiteren als voorheen, terwijl zij tevens geluidwerende voorzieningen hebben moeten treffen en huurinkomsten derven.

2.6 De ABRS heeft in haar uitspraak van 27 oktober 2004 in overweging 2.8.1. het volgende overwogen:

"Nu de Ke-geluidszone met betrekking tot de verlengde Kaagbaan pas definitief is vastgesteld bij het aanwijzingsbesluit en die vaststelling voorts afwijkt van de indicatieve geluidszone in de pkb Schiphol, bestaat er geen grond voor het oordeel dat de geluidsbelasting, die voortvloeit uit het gebruik van de verlengde Kaagbaan, niet een gevolg is van het aanwijzingsbesluit. (... ) De omstandigheid dat de verlenging van de Kaagbaan planologisch mogelijk werd gemaakt door het sinds januari 1987 van kracht zijnde bestemmingsplan "Schiphol en omgeving ", neemt niet weg dat voor het gebruik door het vliegverkeer een aanwijzingsbesluit op grond van de Luchtvaartwet vereist was.

Evenmin bestaat er grond voor het oordeel dat appellanten er in vergelijking met het aanwijzingsbesluit van 17 augustus 1962, zoals gewijzigd bij besluit van 17 september 1965, niet in een nadeliger positie zijn gekomen ten gevolge van het onderhavige aanwijzingsbesluit. Weliswaar waren in het voorheen geldende aanwijzingsbesluit geen geluidszones vastgesteld, maar omdat ten tijde van dat besluit nog niet was besloten tot een preferentieel gebruik van de Kaagbaan konden appellanten destijds geen nadeel ondervinden van de geluidsbelasting ten gevolge van een zodanig gebruik. In dit opzicht is het huidige aanwijzingsbesluit nadeliger in vergelijking met het voorheen geldende aanwijzingsbesluit.(...)."

2.7 Verweerster heeft het bezwaar bij het thans bestreden besluit wederom ongegrond verklaard. Daarbij heeft zij erop gewezen - zowel in de beslissing als ook in haar pleidooi ter zitting -, dat het uitgangspunt dat de ABRS in haar uitspraak heeft gehanteerd inzake het preferentieel baangebruik geen onderwerp van discussie is geweest voor of tijdens de procedure in hoger beroep. Het uit de hiervoor geciteerde overweging blijkende oordeel van de ABRS komt niet voort uit een van de zijde van eiseressen ingenomen standpunt of opgeworpen stelling. Verweerster stelt eerst bij de uitspraak van de ABRS te zijn geconfronteerd met dit nieuwe element in de procedure. Voor noch tijdens de behandeling ter zitting in hoger beroep is verweerster in de gelegenheid gesteld zich te dien aanzien te beraden of een standpunt daaromtrent in te nemen.

2.8 De rechtbank overweegt dat, hoewel uitgangspunt is dat uitspraken van de ABRS gevolgd dienen te worden, er zich zodanige omstandigheden kunnen voordoen, dat een uitzondering op dit uitgangspunt gerechtvaardigd kan zijn.

De door verweerster aangegeven gang van zaken in de hoger beroepsprocedure is als een zodanige omstandigheid te beschouwen. Daarbij is van belang dat tussen partijen - naar ter zitting van de rechtbank duidelijk naar voren is gekomen - geen verschil van mening bestaat over het feit dat de door de ABRS verwoorde overwegingen ten aanzien van het preferentieel baangebruik niet door de eisende partijen naar voren zijn gebracht en ook niet ter zitting in hoger beroep in discussie zijn geweest of onderwerp van debat hebben gevormd.

Het beginsel van een goede procesorde en het verdedigingsbeginsel vereisen dat partijen zich moeten kunnen uitspreken over een opvatting of standpuntbepaling, die een dragende grond voor de te geven uitspraak kan vormen.

Naar het oordeel van de rechtbank stond het verweerster dan ook vrij om opnieuw te heroverwegen zoals ze bij de thans bestreden beslissing op het bezwaar heeft gedaan.

2.9 Verweerster heeft zich in de beslissing op bezwaar - in punt 3.20 - , in reactie op de overwegingen van de ABRS, op het standpunt gesteld dat op grond van een vergelijking van het (preferentieel) gebruik van de Kaagbaan dat mogelijk was onder de werking van het aanwijzingsbesluit van 17 augustus 1962, en het preferentieel gebruik van de Kaagbaan dat mogelijk was onder de vigeur van het Aanwijzingsbesluit van 23 oktober 1996, niet kan worden geconcludeerd dat verzoekers op het punt van geluidsbelasting in een nadeliger positie zijn komen te verkeren als gevolg van het Aanwijzingsbesluit.

2.10 Verweerster heeft daarbij betrokken dat de gronden, waarop de verlenging van de Kaagbaan planologisch mogelijk werd gemaakt door het bestemmingsplan Schiphol en omgeving" uit 1987, ook bij het aanwijzingsbesluit uit 1962, gewijzigd in 1965, reeds waren aangewezen als luchtvaartterrein. De op grond van het Aanwijzingsbesluit uit 1996 (beweerdelijk toegenomen) geluidsbelasting zou zich ook onder het aanwijzingsbesluit uit 1962, bij maximale benutting ervan, hebben kunnen voordoen, aldus verweerster.

Verweerster wijst er daarbij op dat de eerder geldende regelgeving, in het bijzonder in de periode van 1967 tot 1996, niet in de weg stond aan (geluids)preferentieel baangebruik. Hierbij verwijst zij naar het aanwijzingsbesluit zelf, waarin geen geluidsbegrenzing is aangegeven en naar het Structuurschema Burgerluchtvaartterreinen uit 1979-1980, waarin tevens reeds operationele regelingen voor het (geluid)preferente baangebruik worden vermeld. Voorts wordt gewezen op het Integraal Milieueffectrapport Schiphol en Omgeving van 1993, waarin is vermeld dat het begin van het (daadwerkelijke) geluidspreferente baangebruik in de jaren 70 ligt en tevens dat in het geluidspreferente baangebruik het gebruik van de Kaagbaan de voorkeur geniet boven de andere banen.

2.11 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerster zich terecht op dit standpunt gesteld. Gelet op de in het dossier beschikbare stukken kan ook de rechtbank niet tot de conclusie komen dat het Aanwijzingsbesluit eiseressen in een slechtere positie heeft doen geraken. Het Aanwijzingsbesluit geeft geen nieuwe mogelijkheden tot bepaald of preferent baangebruik. Er is daarin slechts sprake van een afweging van belangen ten aanzien van de keuze in reeds bestaande benutbare mogelijkheden van (preferent) baangebruik. De rechtbank wijst in dit verband op een passage in het - aan het thans bestreden besluit mede ten grondslag liggende - advies van de Adviescommissie op pagina 6 bovenaan, waarin de adviescommissie vermeldt dat het gebruik van het luchtvaartterrein of delen daarvan, zoals de verlengde Kaagbaan, niet afhankelijk was van het inwerkingtreden van een Aanwijzingsbesluit met geluidszonering en de aangegeven Ke-geluidszones er dan ook niet toe strekken om gebruik van het luchtvaartterrein (geheel of gedeeltelijk) mogelijk te maken, maar tot doel hebben grenzen te stellen aan geluidsoverlast.

De rechtbank leidt hieruit af dat onder het aanwijzingsbesluit uit 1962, dat geen geluidsgrenzen stelde, evenveel of zelfs meer geluidshinder mogelijk was en dat het Aanwijzingsbesluit uit 1996 aan de (tot dan ongelimiteerde) geluidshinder thans grenzen stelt, zodat gezegd zou moeten worden dat de - theoretische, in de zin van qua mogelijkheden maximaal benutbare - situatie dus zelfs beter is, in elk geval niet slechter.

Naar verweerster terecht heeft gesteld, ontbreekt een causaal verband tussen de gestelde schade en het Aanwijzingsbesluit. Het verzoek om schadevergoeding is derhalve terecht afgewezen.

2.12 Eiseressen hebben zich in beroep niet zozeer gekeerd tegen de inhoud van het thans bestreden besluit maar met name betoogd dat verweerster zich ten onrechte niet heeft gehouden aan de door de ABRS gegeven opdracht om een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan dit betoog niet slagen.

2.13 De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs F.F.W. Brouwer en A.J. Medze, rechters, en op 8 juni 2006 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Hekelaar, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.