Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AX7985

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-06-2006
Datum publicatie
12-06-2006
Zaaknummer
Awb 05-3982
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2006:AZ5163, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen schadevergoeding ex artikel 49 WRO omdat realisering Vijfde Baan Schiphol voorzienbaar was na publicatie van ontwerp-PKB Schiphol en omgeving en het betreffende perceel pas nadien is verworven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 05 - 3982

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juni 2006

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. G.J.I.M. Seelen, advocaat te Leiden,

tegen:

de besliscommissie van het Schadeschap Luchthaven Schiphol,

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2004 heeft verweerster het verzoek van eiser om vergoeding van schade, die hij stelt te hebben geleden in verband met de uitbreiding van het luchthaventerrein van luchthaven Schiphol, afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 29 oktober 2004 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 juli 2005 heeft verweerster het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 24 augustus 2005, aangevuld bij brief van 28 september 2005, beroep ingesteld.

Verweerster heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 27 april 2006, alwaar eiser is verschenen bij zijn voornoemde gemachtigde mr. Seelen, alsmede zijn kantoorgenoot mr. A. P. van Delden, vergezeld van mr. R. Maat. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar voorzitter mr. drs. B.P.M. van Ravels, en mr. dr. O. te Rijdt, werkzaam bij het Schadeschap Luchthaven Schiphol.

2. Overwegingen

2.1 De uitbreiding van Schiphol is vastgelegd in de Planologische Kernbeslissing (PKB) "Schiphol en omgeving", deel vier, goedgekeurd door de Staten-Generaal op 29 november 1995, van kracht geworden op 8 januari 1996.

2.2 De Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer hebben op 23 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 211) een Aanwijzingsbesluit genomen als bedoeld in artikel 27 jo. artikel 24 Luchtvaartwet, strekkende tot uitbreiding van het bestaande luchtvaartterrein (hierna: het Aanwijzingsbesluit).

2.3 Bij de Gemeenschappelijke Regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol (hierna: de Regeling) is het openbaar lichaam "Schadeschap Luchthaven Schiphol" (hierna: het Schadeschap) ingesteld. Het Schadeschap is opgericht in verband met de behandeling van verzoeken tot schadevergoeding, als gevolg van de uitbreiding van de luchthaven Schiphol ten behoeve van de mainportfunctie, aan één loket.

2.4 In de Gemeenschappelijke Regeling zijn de bevoegdheid en werkwijze van het Schadeschap geregeld. De Gemeenschappelijke Regeling strekt er onder meer toe de schadevergoedingsbevoegdheden van de raden van de deelnemende gemeenten te delegeren aan het Schadeschap. De gemeenteraden hebben hun bevoegdheden ex artikel 49 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) overgedragen, doch uitsluitend voor zover het schadeverzoeken betreft die betrekking hebben op de uitbreiding van Schiphol, zoals bepaald in het Aanwijzingsbesluit en de PKB.

2.5 Eiser heeft bij brief van 20 april 1999, aangevuld bij brief van 13 november 2000, verzocht om vergoeding van schade ten gevolge van de aanleg en het gebruik van de Vijfde Baan op het luchtvaartterrein van Schiphol.

Dit heeft naar eiser stelt geleid tot vermindering van de waarde van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] als gevolg van de (toename) van geluidsoverlast en luchtvervuiling. Voorts heeft hij schade gesteld ter zake van tijdelijk verminderd woongenot als gevolg van uitvoeringswerkzaamheden en mogelijke bedrijfsschade in de vorm van omrijschade.

2.6 Op de gestelde schadeoorzaken is artikel 9, eerste lid, tweede lid, aanhef en sub a, en het derde lid sub a en e van de Regeling van toepassing. De gestelde schade houdt verband met de planologische maatregelen van de gemeente Haarlemmermeer die voorzien in de uitbreiding van het luchtvaartterrein en die voortvloeien uit het Aanwijzingsbesluit, met name het bestemmingsplan "Schiphol-West en omgeving", in werking getreden op 29 april 1999, zodat het verzoek kan worden aangemerkt als een verzoek ingevolge artikel 49 WRO.

2.7 Niet in geschil is en ook voor de rechtbank staat vast dat eiser, op grond van de in het kader van artikel 49 WRO te maken vergelijking tussen de nieuwe planologische situatie ten gevolge van genoemd bestemmingsplan - waarin op de grond waarop de Vijfde Baan is gesitueerd de bestemming "Luchtvaartdoeleinden I (VL I)" rust - en de direct daaraan vooraf gaande planologische situatie op grond van het toen vigerende bestemmingsplan "Landelijk Gebied" uit 1988/1989 - waarin op die grond grotendeels de bestemming "Agrarische doeleinden II" rustte alsmede de bestemming "Begraafplaats" -, in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren.

2.8 Verweerster heeft het verzoek om schadevergoeding evenwel afgewezen, omdat de schade voor eiser voorzienbaar was, aangezien reeds op 18 januari 1994 het ontwerp-PKB ter visie is gelegd, derhalve vóór 24 maart 1994, de datum waarop eiser zijn woning kocht. Ook de gestelde omrijschade was voorzienbaar, aangezien eiser eerst in april 1997 een opslagruimte ten behoeve van het elders gevestigde bedrijf bij zijn woning realiseerde, dus ruim na de genoemde peildatum van 18 januari 1994.

2.9 Van voorzienbaarheid is sprake indien ten tijde van de aankoop van de woning concrete beleidsvoornemens bestonden op grond waarvan de gewraakte planologische ontwikkeling had kunnen worden voorzien.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerster zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat het ontwerp-PKB voldoet aan de in de jurisprudentie gestelde criteria, dat ten aanzien van een concreet beleidsvoornemen sprake moet zijn van een voldoende concreet en ter openbare kennis gebracht stuk waaruit een voornemen tot wijziging van het planologische regime kan worden afgeleid.

In het ontwerp-PKB zijn zowel de komst en ligging van de Vijfde Baan als de situering van de 35 Ke geluidszone in voldoende mate duidelijk aangegeven, in die zin dat eiser er, ten tijde van de aankoop van de woning op 24 maart 1994, rekening mee had kunnen houden dat de Vijfde Baan gerealiseerd zou worden en dat dit tot een voor hem nadeliger situatie zou leiden. Op pagina 14 van het ontwerp-PKB is immers als concreet beleidsvoornemen opgenomen dat het "banenstelsel (...) wordt uitgebreid met een vijfde start- en landingsbaan, parallel aan de huidige Zwanenburglaan (inclusief taxibanen)". In figuur 2 op pagina 44 van het ontwerp-PKB zijn reeds de ligging van deze vijfde baan en de daarbij behorende geluidscontouren weergegeven. Aan de voorzienbaarheid doet niet af dat de geluidszones nog niet definitief en in detail waren vastgesteld en evenmin dat niet alle geluidscontouren, maar slechts de 35 en 40 Ke contour zijn aangegeven. (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) 14 april 2004 (nr 200304146/1, www.rechtspraak.nl, LJN: AO7470). Ook ten aanzien van de taxibanen was voldoende duidelijkheid omtrent de komst en de mogelijke ligging ervan. De rechtbank oordeelt dat op grond van het ontwerp-PKB (pagina 13 in samenhang met pagina 48, figuur 9) in een geïndiceerd gebied rekening moest worden gehouden met zowel een noordelijk als een zuidelijk gelegen taxibaan. Ook met de daaruit mogelijk voortvloeiende inherente hinder behoort een redelijk denkende en handelende koper derhalve rekening te houden.

2.10 Anders dan eiser heeft aangevoerd is het hanteren van de datum van 18 januari 1994 als peildatum niet in strijd met het beleid van verweerster, zoals dat is neergelegd in het Basisdocument van het Schadeschap en de aanvulling daarop van 5 april 2004. In genoemde aanvulling is de datum van 29 april 1999 (inwerkingtreding bestemmingsplan "Schiphol-West en omgeving") genoemd als datum voor het ontstaan van mogelijke schade en niet voor de voorzienbaarheid ervan. Op pagina 37 van het Basisdocument is weliswaar in beginsel 8 januari 1996 (het van kracht worden van het PKB) genoemd als peilmoment voor de voorzienbaarheid, maar wordt tevens vermeld dat ook rekening gehouden zal moeten worden met de datum van 18 januari 1994 (tervisielegging van het ontwerp-PKB), "aangezien in veel gevallen vanaf dat moment reeds aangenomen kan worden dat voldoende voorzienbaarheid in vorenbedoelde zin bestond".

2.11 Evenmin staat aan het hanteren van de peildatum van 18 januari 1994 voor de voorzienbaarheid in de weg de uitspraak van de ABRS van 7 april 2004 (nr 200304702/1, www.rechtspraak.nl, LJN: AO7131) met betrekking tot de PKB-Betuweroute, waarop eiser zich heeft beroepen. Immers aan het criterium dat sprake moet zijn van een openbaar en gepubliceerd document, waarin een concreet planologisch beleidsvoornemen is gelegen, wordt in casu reeds door de aanwezigheid van het ontwerp-PKB voldaan, zodat niet kan worden geoordeeld dat daaraan eerst nog in andere documenten nadere uitwerking gegeven had moeten worden.

2.12 Gezien het voorafgaande heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om een deskundige - eiser heeft ter zitting de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voorgesteld - om advies te vragen.

2.13 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen komt het bestreden besluit niet voor vernietiging in aanmerking en is het beroep derhalve ongegrond. Overige grieven van eisers behoeven niet te worden besproken. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.F.W. Brouwer, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs. I.M. Ludwig en A.J. Medze, rechters, en op 1 juni 2006 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Hekelaar, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.