Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AX7713

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-06-2006
Datum publicatie
09-06-2006
Zaaknummer
05/4190
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ziekenfondswet zelfstandigen. Geen bezwaar tegen positieve verklaring. De verzekeringsplicht kan niet bij bezwaar/beroep tegen de (voorlopige) aanslag premie Ziekenfondswet worden getoetst. De voorlopige aanslag is terecht opgelegd. De stelling van X dat hij niet WAZ verzekerd is, wat daarvan ook zij, doet daaraan niet af.

Wetsverwijzingen
Ziekenfondswet 3
Ziekenfondswet 3d
Ziekenfondswet 15a
Ziekenfondswet 76
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/4190

Uitspraakdatum: 6 juni 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

gemachtigde A te Z,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan eiser is, met dagtekening 15 juli 2004, voor het jaar 2003 een voorlopige aanslag in de premie ingevolge de Ziekenfondswet opgelegd, berekend naar een inkomen van € 20.250.

De voorlopige aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van verweerder van 28 juli 2005 gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 1 augustus 2005, ontvangen bij de rechtbank op 17 augustus 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2006 te Haarlem. De gemachtigde van eiser is daar verschenen. Namens verweerder zijn verschenen B en C.

2. Feiten

2.1. Eiser is jonger dan 65 jaar, woont in Nederland en geniet sinds 1997 inkomsten als artiest. Daarnaast heeft eiser van 24 februari 2003 tot en met 18 mei 2003 een NWW-uitkering genoten.

2.2. Eiser voldoet voor het jaar 2003 aan de in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de Ziekenfondswet gestelde voorwaarden voor de verplichte ziekenfondsverzekering voor werknemers.

2.3. Eiser heeft de inkomsten als artiest voor de jaren 1997 tot en met 2002 in de aangiften inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen aangegeven als winst uit onderneming.

2.4. Verweerder heeft, met dagtekening 15 november 2002, ten name van eiser een verklaring afgegeven in de zin van artikel 3d, tweede lid, van de Ziekenfondswet welke inhoudt dat eiser voor het jaar 2003 voldoet aan de in het eerste lid van het genoemde artikel gestelde voorwaarden voor de verplichte ziekenfondsverzekering voor zelfstandigen. Tegen die verklaring heeft eiser geen bezwaar gemaakt.

2.5. In genoemde verklaring is vermeld:

“Verklaring

Uit de gegevens van de Belastingdienst per 1 oktober 2002 is gebleken dat u als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor verplichte ziekenfondsverzekering in 2003.

Deze verklaring is een voor bezwaar vatbare beschikking. Als u het niet eens bent met de beschikking, moet u binnen zes weken na de dagtekening ervan een bezwaarschrift sturen naar de Belastingdienst.”

In de toelichting bij de verklaring is vermeld:

“Toelichting bij positieve verklaring ziekenfondsverzekering voor zelfstandigen 2003

De voorwaarden voor verplichte ziekenfondsverzekering zijn:

1. U bent jonger dan 65 jaar.

2. U woont in Nederland en geniet winst uit een onderneming die u feitelijk voor eigen rekening drijft (...)

3. Uw toetsinkomen is € 20250 of lager. (...)

U voldoet aan deze voorwaarden. De Belastingdienst heeft dit geconcludeerd op basis van uw gegevens per 1 oktober 2002.”

2.6. Op 7 juni 2004 heeft eiser voor het jaar 2003 aangifte voor de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.439. In de aangifte zijn de inkomsten als artiest aangegeven als resultaat uit een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3.94 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2.7. Aan eiser is, met dagtekening 15 juli 2004, de onderhavige voorlopige aanslag opgelegd, berekend naar een inkomen van € 20.250.

3. Geschil

In geschil is of de voorlopige aanslag in de premie ingevolge de Ziekenfondswet voor het jaar 2003 terecht is opgelegd.

Tussen partijen is de hoogte van het inkomen als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Ziekenfondswet niet in geschil.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 15a, eerste lid, van de Ziekenfondswet luidt:

“1. (...) de verzekerde, bedoeld in artikel 3d, eerste lid, [is] een premie verschuldigd (...) over het inkomen, bedoeld in artikel 3d, vierde, zevende en achtste lid.”

Artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet (tekst 2003) luidt:

“1. Verzekerd gedurende een kalenderjaar is de zelfstandige, die verzekerd is ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en wiens inkomen niet meer bedraagt dan € 20.250.

4.2. Eiser bestrijdt dat de voorlopige aanslag terecht aan hem is opgelegd, omdat hij geen verzekerde is als bedoeld in artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet, in het bijzonder omdat hij niet verzekerd is ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

Een geschil over het al dan niet bestaan van ziekenfondsverzekeringsplicht voor zelfstandigen kan uitsluitend aan de orde komen in bezwaar/beroep tegen een verklaring (als bedoeld in artikel 3d, tweede lid, van de Ziekenfondswet) en niet tevens in bezwaar/beroep tegen een (voorlopige) aanslag in de premie ingevolge de Ziekenfondswet (Hoge Raad 25 februari 2005, nr. 40157, BNB 2005/172). Vaststaat dat eiser een positieve verklaring heeft ontvangen en dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen deze verklaring. Voorts heeft eiser ter zitting desgevraagd verklaard dat het beroepschrift slechts is gericht tegen de uitspraak van verweerder van 28 juli 2005, betreffende de voorlopige aanslag in de premie ingevolge de Ziekenfondswet voor het jaar 2003.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank, wat er ook zij van de stelling van eiser, niet toe aan de beoordeling of eiser voor het jaar 2003 voldoet aan de in artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet gestelde voorwaarden. Nu eiser, door de ontvangst van de verklaring in november 2002, heeft geweten of heeft moeten weten dat de inspecteur hem als verzekerde ingevolge artikel 3d van de Ziekenfondswet heeft aangemerkt, is eiser ingevolge artikel 15a van de Ziekenfondswet premie verschuldigd en is de voorlopige aanslag terecht opgelegd.

4.3. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 6 juni 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.J. Leijdekker, voorzitter, mr. J. Snitker en mr. H.A. Tulp in tegenwoordigheid van mr. H. Schiltkamp, griffier.

Afschrift

verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.