Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AX5814

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
29-05-2006
Zaaknummer
111685/HA ZA 05-510
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ex-echtelieden zijn beide rechthebbende op een appartementsrecht in Frankrijk dat bij echtscheidingsconvenant aan de man is toegedeeld. De man misleidt de notaris als gevolg waarvan deze ten onrechte een valse handtekening legaliseert op een volmacht van de vrouw tot verkoop en levering van het appartementsrecht. De beroepsaansprakelijkheidsverzekering van de notaris keert een schadevergoeding uit aan de vrouw en krijgt haar vordering op de man uit onrechtmatige daad gecedeerd. De verzekeringsmaatschappij spreekt de man in rechte aan. Vordering wordt afgewezen nu de schade van de vrouw zou bestaan uit het mislopen van verhaalsmogelijkheid op het appartementsrecht. Schade bestaat ingevolge 6:95 BW in vermogenschade en ander nadeel. Aangezien het appartementsrecht al aan de man was toegedeeld heeft de overdracht van het appartementsrecht geen vermogensschade of ander nadeel aan de vrouw toegebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 111685 / HA ZA 05-510

Vonnis van 12 april 2006

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

J. & B. B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. E. Schutte te Amsterdam,

tegen

1. M.J.P.M. L.,

wonende te [woonplaats],

2. R. N. W.,

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. R.J. van Meerten.

Partijen zullen hierna J. & B. BV en respectievelijk L. en W. genoemd worden. L. en W. zullen tezamen L. c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 juli 2005;

- het proces-verbaal van comparitie van 31 augustus 2005;

- de conclusie van repliek met 5 producties;

- de conclusie van dupliek met 3 producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. W. is van 1972 tot en met 1996 in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met J.M.B. S. (verder: S.).

2.2. S. en W. waren ieder voor de helft gerechtigd in een appartementsrecht in La Norma in Frankrijk (verder: het appartement). In het door partijen getekende echtscheidingsconvenant zijn partijen overeengekomen dat het appartement aan W. wordt toebedeeld. Voorts is in het convenant vastgelegd dat W. met ingang van 1 januari 1996 aan S. een bedrag van fl. 2.000,-- (€ 907,56) bruto per maand diende te betalen als bijdrage in haar levensonderhoud.

2.3. W. heeft in december 2001 contact opgenomen met notaris mr. A.D.G. H. (verder: de notaris) met de mededeling dat hij overeenstemming met S. had bereikt over de verkoop van het appartement aan L. en J.L. den R.. Hij heeft daarbij gemeld dat alle stukken voor de verkoop en levering naar zijn adres konden worden verzonden en dat hij voor ondertekening zou zorgdragen. W. heeft aan de notaris opgegeven dat S. woonachtig zou zijn op het adres Sportlaan 74 te Amsterdam.

2.4. De notaris heeft vervolgens een Franse notaris ingeschakeld om de levering van het appartement te verzorgen.

2.5. Op 16 april 2002 heeft de notaris aan W. een volmacht gestuurd waarmee de Franse notaris door W. en S. gemachtigd zou worden om namens hen het appartement aan de kopers te leveren voor een bedrag van € 68.067,--. De notaris heeft de op 25 mei 2002 door W. en S. getekende volmacht van W. ontvangen. Omdat de notaris niet eerder contact met S. had gehad en hij de volmacht van W. retour had ontvangen, wilde hij niet tot legalisatie van de handtekening van S. overgaan dan nadat hij daarover contact met S. had gehad.

2.6. Op 17 juni 2002 heeft iemand die zich aankondigde als mevrouw W. telefonisch contact opgenomen met de secretaresse van de notaris. Afgesproken is dat de notaris op 20 juni 2002 telefonisch contact met S. zou opnemen op haar mobiele telefoon. Op 20 juni 2002 heeft dit telefoongesprek plaatsgevonden en in dit gesprek werd aan de notaris bevestigd dat S. de volmacht op 25 mei 2002 had ondertekend. Vervolgens heeft de notaris de handtekening op de volmacht vergeleken met de handtekening op de kopie van het paspoort van S. en daarna de handtekening op de volmacht gelegaliseerd.

2.7. De levering van het appartement heeft op 31 augustus 2002 plaatsgevonden. Later is gebleken dat de handtekening op de volmacht niet van S. was en dat S. niet op 20 juni 2002 met de notaris heeft gesproken. De handtekening van S. is door toedoen van W. vervalst en iemand anders dan S. heeft zich in het telefoongesprek van 20 juni 2002 met de notaris voorgedaan als S..

2.8. Ter afwending van eventuele aansprakelijkheid van de notaris tegenover S. heeft J. & B. BV, de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van de notaris, aan S. een schadeloosstelling betaald van € 90.000,--. Als onderdeel van de overeenkomst tot schadeloosstelling heeft S. haar vordering op W. uit hoofde van zijn alimentatieverplichting en/of onrechtmatige daad en haar vordering op L. uit hoofde van onrechtmatige daad aan J. & B. BV gecedeerd tot een bedrag van € 90.000,--.

2.9. In de cessieovereenkomst staat onder meer het volgende:

“1.1 In het kader van de bereikte schikking betaalt Assuradeur aan S. (...) een totaalbedrag van EUR 90.000,--. Dit bedrag is als volgt samengesteld. Partijen hebben in het kader van deze schikking de waarde van het appartement in La Norma in onderling overleg bepaald op EUR 90.000,--. De op het appartement rustende preferente lasten bedragen, door partijen vastgesteld en afgerond op EUR 25.000,--, zodat de “netto” opbrengst door partijen is begroot op EUR 65.000,--. Van dit bedrag is EUR 30.000,-- toegeschreven aan alimentatie, een bedrag van EUR 20.000,-- als vergoeding voor kosten, onder meer ter verkrijging van deze schadeloosstelling, waaronder voor juridische bijstand, en een bedrag van EUR 15.000,-- als vergoeding voor immateriële schade.

2. Cessie van de vordering

2.1 Indien en zodra Assuradeur het in artikel 1.1 genoemde bedrag aan S. heeft voldaan, cedeert en draagt S. in eigendom over aan Assuradeur haar vorderingen terzake op W. en L. en alle eventueel aan de vordering verbonden nevenrechten en zekerheden tot de in deze overeenkomst genoemde bedragen, welke cessie en overdracht door Assuradeur wordt aanvaard.”

3. De vordering

3.1. J. & B. BV vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

3.1.1. W. en L. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, zal veroordelen om aan J. & B. BV te betalen een bedrag van € 90.000,-- (zegge: negentigduizend euro), vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 januari 2005, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

3.1.2. W. en L. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, zal veroordelen om aan J. & B. BV te vergoeden de kosten ter verkrijging van voldoening van de vordering buiten rechte, met inachtneming van het rapport Voorwerk begroot en gematigd op een bedrag van € 5.160,--;

3.1.3. W. en L. zal veroordelen in de kosten van dit geding, de beslagkosten daaronder begrepen.

3.2. Tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven vaststaande feiten legt J. & B. BV het volgende aan haar vordering ten grondslag. L. c.s. hebben de notaris misleid door de handtekening van S. te vervalsen en door een ander dan S. de notaris telefonisch te woord te laten staan, als ware zij S.. Door aldus te handelen hebben L. c.s. onrechtmatig gehandeld jegens S. en heeft S. schade geleden. Voorts is W. zijn alimentatieverplichting tegenover S. uit het echtscheidingsconvenant ondanks herhaalde aanmaningen en sommaties nooit nagekomen. S. heeft haar vordering tegenover L. c.s. uit hoofde van onrechtmatige daad en haar vordering tegenover W. uit hoofde van zijn alimentatieverplichting aan J. & B. BV gecedeerd. Op grond van deze cessie vordert J. & B. BV thans van L. c.s. een bedrag van € 90.000,--. Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat zij aan S. heeft betaald ter afwending van eventuele aansprakelijkheid van de notaris. De buitengerechtelijke kosten worden door J. & B. BV als door haar geleden vermogensschade gevorderd.

4. Het verweer

4.1. L. c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Voorzover van belang zal bij de beoordeling van het geschil nader op het verweer worden ingegaan.

5. De beoordeling

5.1. L. c.s. hebben in de eerste plaats aangevoerd dat J. & B. BV niet-ontvankelijk zijn in hun vordering, aangezien de notaris met betrekking tot de legalisatie van de handtekening van S. zorgvuldig heeft gehandeld. Van enige aansprakelijkheid van de notaris voor de door S. vermeende schade is dan ook geen sprake. Dit impliceert dat J. & B. BV de aansprakelijkheidsstelling van S. ten aanzien van de notaris had moeten afwijzen. Dat zij niettemin besluit om tot schadeloosstelling over te gaan komt dan ook geheel voor haar rekening. Aangezien S. geen vordering had op de notaris, heeft zij ook haar vermeende vorderingen op L. c.s. niet kunnen overdragen op J. & B. BV. J. & B. BV heeft derhalve geen rechtsgeldige titel om L. c.s. thans in rechte te betrekken, aldus nog altijd L. c.s.

5.2. Dit betoog faalt. J. & B. BV en S. zijn overeengekomen dat S. haar vorderingen op L. c.s. aan J. & B. BV zal overdragen. De onderhavige vordering van J. & B. BV vloeit voort uit deze overeenkomst van cessie. Voor de beoordeling van de vordering van J. & B. BV is niet van belang wat de aanleiding is geweest voor de cessie, zoals J. & B. BV terecht heeft gesteld, maar slechts of deze rechtsgeldig is. Gesteld noch gebleken is dat de levering van de vorderingen niet in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen heeft plaatsgevonden, zodat er geen grond is om J. & B. BV het recht te ontzeggen de onderhavige vordering in te stellen.

5.3. W. heeft toegegeven dat hij betrokken is geweest bij de vervalsing van de handtekening van S. en de misleiding van de notaris. Er is daarom sprake van onrechtmatig handelen van W. tegenover S.. J. & B. BV heeft gesteld dat ook L. bij dit onrechtmatig handelen betrokken is geweest. Naar het oordeel van J. & B. BV blijkt deze betrokkenheid in de eerste plaats uit het feit dat de brief waarin de notaris aan S. verzoekt om telefonisch contact met hem op te nemen, naar het adres van de dochter van L. is gestuurd. Voorts herkent S. de stem van L. als zij naderhand belt met het destijds door W. aan de notaris opgegeven telefoonnummer en is het handschrift op de volmacht volgens S. van de dochter van L.. L. c.s. hebben de betrokkenheid van L. bij het onrechtmatig handelen betwist. Blijkens de door J. & B. BV als productie 12 overgelegde getuigenverklaring heeft W. verklaard dat een zekere mevrouw Meuzelaar zich tegenover de notaris heeft voorgedaan als S..

5.4. In het licht van deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van J. & B. BV gelegen om feiten en omstandigheden aan te dragen om haar stelling dat ook L. betrokken was bij het onrechtmatig handelen te onderbouwen. Hetgeen J. & B. BV heeft aangedragen is daarvoor onvoldoende. Gesteld dat de brief van de notaris naar de dochter van L. is gestuurd, wat door L. c.s. wordt betwist, en dat S. het handschrift van de dochter op de volmacht zou hebben herkend, zou dit kunnen duiden op betrokkenheid van de dochter van L., maar niet van L. zelf. Ook de gestelde stemherkenning door S. kan niet tot een ander oordeel leiden, aangezien deze pas geruime tijd na de overdracht van het appartement zou hebben plaatsgevonden. Ten slotte is ook het eventuele bestaan van een affectieve relatie tussen W. en L. op zich nog geen aanleiding om betrokkenheid van L. bij het onrechtmatig handelen van W. aan te nemen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eventuele wetenschap van L. van het handelen van W. onvoldoende is om op haar een aansprakelijkheid te vestigen voor de eventuele schade als gevolg van dat handelen. Nu J. & B. BV de gestelde betrokkenheid van L. onvoldoende heeft onderbouwd heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan. Aan bewijslevering op dit punt wordt daarom niet toegekomen. Het betoog van J. & B. BV voor omkering van de bewijslast behoeft dus geen bespreking.

5.5. Op grond van het voorgaande zal de vordering voor zover zij is ingesteld tegen L. worden afgewezen.

5.6. J. & B. BV heeft gesteld dat S. schade heeft geleden door het onrechtmatig handelen van W.. Als het appartement niet zou zijn overgedragen had S. dit immers - bijvoorbeeld door het leggen van beslag - als pressiemiddel kunnen gebruiken om W. te dwingen alsnog aan zijn alimentatieverplichtingen te voldoen. De schade die S. heeft geleden is derhalve gelijk aan de waarde van het appartement minus de preferente kosten, aldus nog altijd J. & B. BV. Dit betoog faalt. Ingevolge artikel 6:95 bestaat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed in vermogenschade en ander nadeel. Tussen partijen is niet in geschil dat het appartement bij de boedelscheiding aan W. was toebedeeld. De overdracht van het appartement heeft derhalve aan S. geen vermogensschade of ander nadeel toegebracht, aangezien zij geen aanspraak kon maken op de waarde van het appartement en haar alimentatievordering op W. door de overdracht niet wordt geraakt.

5.7. J. & B. BV heeft voorts gesteld dat het onrechtmatig handelen van W. heeft geleid tot immateriële schade. L. c.s. hebben bij conclusie van antwoord betwist dat er sprake is van immateriële schade en gevraagd om een nadere onderbouwing van het door J. & B. BV gestelde bedrag van € 15.000,--. Aangezien J. & B. BV bij conclusie van repliek heeft nagelaten om enige onderbouwing van de gestelde immateriële schade van S. te geven en zonder deze onderbouwing niet valt in te zien dat S. immateriële schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking zou moeten komen, heeft zij onvoldoende aan de op haar rustende stelplicht voldaan. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.

5.8. Nu van enige schade bij S. als gevolg van het onrechtmatig handelen van W. niet is gebleken, is er ook geen grond om de door J. & B. BV gestelde kosten van S. voor het verkrijgen van schadeloosstelling aan het onrechtmatig handelen van W. toe te schrijven.

5.9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van J. & B. BV niet kan worden toegewezen voor zover deze haar grondslag vindt in het onrechtmatig handelen van W..

5.10. Blijkens de door J. & B. BV overgelegde overeenkomst van cessie heeft S. behalve haar vermeende vorderingen op L. c.s. uit hoofde van onrechtmatig handelen ook haar vordering op W. uit hoofde van zijn alimentatieverplichting aan J. & B. BV overgedragen. Beide vorderingen zijn overgedragen tot een totaalbedrag van € 90.000,--. In artikel 2.1 van de cessieovereenkomst (zie hiervoor onder 2.9) is bepaald dat de vorderingen zijn overgedragen tot de in artikel 1.1 van die overeenkomst genoemde bedragen. Met L. c.s. leidt de rechtbank hier uit af dat de alimentatievordering aan J. & B. BV is overgedragen tot een bedrag van € 30.000,--. Nu W. de alimentatievordering van S. op hem tot een bedrag van € 114.599,56 (per ultimo 2004) heeft erkend, zal de vordering op dit punt worden toegewezen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding, aangezien gesteld noch gebleken is dat W. voordien al in verzuim was.

5.11. J. & B. BV heeft een bedrag ad € 5.160,-- aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Ter onderbouwing van deze kosten heeft zij een aantal declaraties overgelegd (producties 13, 14 en 15). L. c.s. hebben terecht aangevoerd dat deze declaraties alle betrekking hebben op S. en niet op J. & B. BV. Voorts hebben L. c.s. aangevoerd dat zij rauwelijks door J. & B. BV zijn gedagvaard. J. & B. BV heeft dit niet weersproken. Nu zij bovendien de door haar gestelde buitengerechtelijke kosten niet anderszins heeft onderbouwd, zal de vordering op dit punt worden afgewezen.

5.12. Aangezien de beslagkosten verband houden met beslag onder L. en de vordering tegen haar is afgewezen, zal ook de gevorderde vergoeding van de beslagkosten worden afgewezen.

5.13. Nu J. en B. BV en W. deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd als na te melden. J. & B. BV zal worden veroordeeld in de proceskosten van dit geding gemaakt aan de zijde van L. met dien verstande dat deze kosten bij helfte zullen worden berekend, omdat L. en W. zijn verschenen bij één procureur met dezelfde processtukken. Aldus worden de door J. & B. BV aan L. te betalen proceskosten begroot op:

- salaris procureur € 1.117,50 (0,5 x 2,5 punten x € 894,00).

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. veroordeelt W. om aan J. & B. BV te betalen een bedrag van € 30.000,-- (zegge: dertigduizend euro), vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 maart 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;

6.2. compenseert de proceskosten tussen J. & B. BV en W. aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

6.3. verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

6.4. veroordeelt J. & B. BV in de proceskosten aan de zijde van L. tot op heden begroot op € 1117,50.

6.5. wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2006.?