Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AW7214

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
11-05-2006
Zaaknummer
05/728
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwgrond is in casu eigen woning in de zin van Wet IB 2001. Woz-beschikking zoals die is vastgesteld tijdens bouw is geldende woz-beschikking voor het onderhavige jaar, ook al was er ruimte om, gezien de vorderingen van de bouw, een nadere woz-beschikking in de zin van artikel 25 Wet woz af te geven.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.111, geldigheid: 2006-04-28
Wet inkomstenbelasting 2001 3.112, geldigheid: 2006-04-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 785
FutD 2006-0899
Belastingblad 2006/1096
V-N 2007/16.20

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/728

Uitspraakdatum: 28 april 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

gemachtigde mr. A, te Q,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan eiser is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.686 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.373.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 26 januari 2005 de aanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 4 maart 2005, ontvangen bij de rechtbank op 8 maart 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2006 te Haarlem.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder is verschenen B.

Gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser heeft in augustus 2000 een koopaannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot een te bouwen woning op het adres a-straat 1 te Z (hierna: de onroerende zaak). Op 21 september 2000 is aan belanghebbende de bouwgrond geleverd. Op 12 december 2001 is de onroerende zaak opgeleverd. De onroerende zaak bestond op dat moment uit een woning zonder keuken. In deze woning waren de vloeren en tegels nog niet gelegd en de muren moesten nog worden afgewerkt.

2.2. Per 5 mei 2002 heeft eiser met zijn gezin intrek genomen in de onroerende zaak.

2.3. De heffingsambtenaar van de gemeente R heeft voor de onroerende zaak een beschikking in de zin van artikel 22 Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet woz) met dagtekening 31 maart 2002 genomen. Op de beschikking is voor zover van belang het volgende vermeld:

“Ingangsdatum: 01-01-2001

De waarde van de hieronder genoemde onroerende zaak (zaken) wordt, volgens de Wet waardering onroerende zaken, in de vorm van deze WOZ-beschikking aan u medegedeeld.

Waardepeildatum: 1 januari 1999 (...)

Tijdvak beschikking: 1 januari 2001 t/m 31 december 2004

Object objectadres Woz-waarde

nummer (euro)

(...)

1111 a-straat 1 138.856 E (...)

E = eigenaar”

2.4. De heffingsambtenaar van de gemeente R heeft vervolgens voor de onroerende zaak op grond van artikel 25 Wet woz een beschikking met dagtekening 31 mei 2003 genomen. Op de beschikking is voor zover van belang het volgende vermeld:

“Ingangsdatum: 01-01-2003

De waarde van de hieronder genoemde onroerende zaak (zaken) wordt, volgens de Wet waardering onroerende zaken, in de vorm van deze WOZ-beschikking aan u medegedeeld.

Waardepeildatum: 1 januari 1999 (...)

Tijdvak beschikking: 1 januari 2001 t/m 31 december 2004

Object objectadres Woz-waarde

nummer (euro)

(...)

1111 a-straat 1 329.860 B (...)

B = eigenaar en gebruiker”

2.5. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft eiser voor de onroerende zaak het eigenwoningforfait over de periode 6 mei 2002 tot en met 31 december 2002 in aanmerking genomen. Voor de bepaling van het eigenwoningforfait heeft eiser de waarde van de woning gehanteerd van € 138.856 als vastgesteld in de beschikking met dagtekening 31 maart 2002.

3. Geschil

In geschil is of eiser terecht de eigenwoningwaarde van € 138.856 in aanmerking heeft genomen bij de bepaling van het eigenwoningforfait over de periode van 6 mei 2002 tot en met 31 december 2002.

Eiser beantwoordt deze vraag bevestigend en verweerder ontkennend.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.680.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 3.111, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bepaalt, voor zover van belang, dat onder een eigen woning wordt verstaan een gebouw of een gedeelte van een gebouw met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouding anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. Artikel 3.111, derde lid, Wet IB 2001 bepaalt dat een woning mede als eigen woning wordt aangemerkt indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de woning in aanbouw is en uitsluitend bestemd is om in het kalenderjaar of in een van de daaropvolgende twee jaren hem als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking te staan.

4.2. Op grond van artikel 3.112, tweede lid, Wet IB 2001 is de eigenwoningwaarde zoals vermeld in artikel 3.112, eerste lid, Wet IB 2001, de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het tijdvak waarbinnen het kalenderjaar valt.

4.3. Eiser stelt dat de beschikking met dagtekening 31 maart 2002 voor het onderhavige jaar

bepalend is voor de eigenwoningwaarde van de onroerende zaak. Verweerder stelt dat de woz-beschikking met dagtekening 31 maart 2002 niet in aanmerking kan worden genomen ter bepaling van het eigenwoningforfait nu deze woz-beschikking uitsluitend ziet op bouwgrond. Verweerder stelt dat bouwgrond niet hetzelfde is als een eigen woning in de zin van de Wet IB 2001. Hierdoor ontbreekt, in de visie van verweerder, een geldige adequate woz-beschikking, zodat de eigenwoningwaarde moet worden vastgesteld met toepassing van artikel 3.112, derde lid, Wet IB 2001.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat - gelet op artikel 3.111, eerste en derde lid, Wet IB 2001 - een eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 ook is de bouwgrond waarop een woning gebouwd wordt of gaat worden, welke bestemd is om, na voltooiing van de bouw, in het kalenderjaar of een van de daaropvolgende twee jaren als eigen woning te dienen. Nu eiser na voltooiing van de bouw met zijn gezin intrek heeft genomen in de onroerende zaak en daarmee, naar tussen partijen niet in geschil is, de onroerende zaak is aan te merken als eigen woning, is de rechtbank van oordeel dat de onroerende zaak vanaf het moment van de levering van de bouwgrond eveneens is aan te merken als eigen woning in de zin van de Wet IB 2001. De woz-beschikking met dagtekening 31 maart 2002 is daarmee een woz-beschikking in de zin van artikel 3.112, tweede lid, Wet IB 2001.

4.5. De doelstelling van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) is te voorzien in een uniforme waardering van onroerende zaken ten behoeve van verscheidene heffingsinstanties. De door de heffingsambtenaar van de gemeente R uitgevoerde waardebepaling en waardevaststelling op de voet van de Wet woz heeft geleid tot de woz-beschikking van 31 maart 2002 die bindend is zowel voor de heffingsinstantie die afnemer is, in casu verweerder, als voor de belanghebbende, in casu eiser, voor de periode waarvoor deze beschikking is afgegeven, zijnde (nadat de in 2.4 vermelde beschikking was genomen) 1 januari 2001 tot 1 januari 2003. Dit geldt ook in het geval de heffingsambtenaar, om wat voor reden dan ook, heeft nagelaten om op basis van artikel 25 Wet woz met ingang van het jaar 2002 een nadere beschikking af te geven in verband met de vorderingen van de bouw van de onroerende zaak. De woz-beschikking met dagtekening 31 maart 2002 behoudt ook onder deze omstandigheden haar formele rechtskracht. Dit leidt tot de conclusie dat de woz-beschikking met dagtekening 31 maart 2002 bepalend is voor de vaststelling van de eigenwoningwaarde in de zin van artikel 3.112, tweede lid, Wet woz. Eiser heeft derhalve terecht het eigenwoningforfait berekend conform de eigenwoningwaarde van € 138.856.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

Ter zitting heeft eiser verklaard geen kosten van beroepsmatige rechtsbijstand te hebben gemaakt. Nu niet is gesteld of gebleken dat eiser andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.680, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 28 april 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mrs. J.L. Bruinsma, voorzitter, mr. J. van de Merwe en S.C.W. Douma in tegenwoordigheid van mr. F.M. van Waalwijk van Doorn - Goedhart, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.