Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AW6192

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
01-05-2006
Zaaknummer
305114 VV EXPL 06-80
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Uitleg van een CAO-bepaling betreffende de deeltijdregeling voor oudere werknemers tot de pensioenleetijd van 62 jaar. Uitleg naar objectieve maatstaven.

De bonden vorderen dat de werkgever zal worden veroordeeld tot naleving van de CAO-bepaling, met dien verstande dat werknemers recht hebben op werken in deeltijd tot de huidige pensioenleeftijd van 65 jaar.

De vordering wordt afgewezen, aangezien de uitleg van de vakbonden ertoe leidt dat werknemers meer rechten verkrijgen dan zij op grond van de bestaande regeling zouden hebben gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2006, 106
PJ 2006, 76
Prg. 2006, 99

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 305114/VV EXPL 06-80

datum uitspraak: 28 april 2006

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER IN KORT GEDING

inzake

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging FNV Bondgenoten

hierna ook: FNV

kantoor houdende te Utrecht

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging CNV Bedrijvenbond

hierna ook: CNV

kantoor houdende te Houten

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging De Unie, Vakbond voor Industrie en Dienstverlening

hierna ook: De Unie

kantoor houdende te Culemborg

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging Belangenorganisatie voor Middelbaar en Hoger Personeel bij Corus, ook genoemd VHP-Corus

hierna ook: VHP-Corus

te Velsen

eisers

hierna gezamenlijk ook te noemen: de vakverenigingen

gemachtigde mr. M.J. Klinkert

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Corus Staal B.V.

hierna ook: Corus Staal

te Velsen-Noord, gemeente Velsen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Corus Services Nederland B.V.

hierna ook: CSN

te Velsen-Noord, gemeente Velsen

de besloten vennootschap Corus Technology B.V.

hierna ook: Corus Technology

te Velsen-Noord, gemeente Velsen

de besloten vennootschap DSM Agro B.V.

hierna ook: DSM

te Velsen-Noord, gemeente Velsen

gedaagden

hierna gezamenlijk ook te noemen: Corus

gemachtigde mr. R.A.A. Duk

De procedure

De vakverenigingen hebben Corus op 28 maart 2006 gedagvaard. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 april 1006, waarbij de gemachtigden zich hebben bediend van pleitnotities. Partijen hebben nog stukken in het geding gebracht.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweerspro-ken inhoud van de overgelegde producties, staat tussen partij-en het volgende vast, waarbij met betrekking tot de te noemen verslagen geldt dat “Duijnhoven” de woordvoerder van FNV en/of de vakverenigingen en “Haveman” respectievelijk “Rijk” de woordvoerder van Corus zijn geweest:

a. Het document genaamd “CAO akkoord voor de Sociale Eenheid Corus IJmuiden

2002 – 2004” bevat onder meer het volgende:

“Er is een nieuwe structurele ouderenregeling afgesproken waarbij medewerkers op 60, 10% en medewerkers van 61 jaar, 20% korter kunnen werken met volledige doorbetaling van het loon en volledige opbouw van pensioen.

Indien men daarnaast nog extra verlof opneemt voor eigen rekening, bijvoorbeeld door middel van gespaarde dagen, zal tot een nog nader te bepalen ondergrens, eveneens sprake zijn van volledige opbouw van pensioen.

Ter toelichting: Per 1 januari 2002 is de leeftijd van het ouderdomspensioen verlaagd naar 62 jaar (eindloonregeling).”

b. De CAO voor de Sociale Eenheid IJmuiden van Corus zoals deze gold voor de periode van 1 februari 2002 tot en met 31 maart 2004 bevatte onder meer het volgende:

“5.1 Toepasselijkheid van de Algemene Regeling

Op de arbeidsovereenkomst tussen de Onderneming en haar werknemers zijn van toepassing de bepalingen van deze Algemene Regeling, waarvan de tekst als bijlage C aan deze Collectieve Arbeidsovereenkomst is toegevoegd.”

c. Artikel 3.3.1 van die Algemene Regeling (hierna: artikel 3.3.1 AR) luidt -voor zover hier van belang- als volgt:

“Het dienstverband eindigt door:

(…)

h. het bereiken van de 62-jarige leeftijd.”

d. Artikel 7A.2 van die Algemene Regeling (hierna: artikel 7A.2 AR) luidt -voor zover hier van belang- als volgt:

“De werknemer heeft vanaf het bereiken van de 60-jarige leeftijd de mogelijkheid tot het werken in deeltijd van 90%, waarbij de Onderneming 100% van het inkomen blijft betalen.

Voor de werknemer vanaf 61 jaar bestaat de mogelijkheid van het werken in deeltijd van 80%, waarbij de Onderneming 100% van het inkomen blijft betalen.”

e. Het Protocol CAO van 23 februari 2004 vermeldt dat de tussen partijen overeengekomen CAO die gold van 1 februari 2002 tot en met 31 maart 2004 werd verlengd met tien maanden tot en met 31 januari 2005.

f. Het Protocol CAO van 23 maart 2005 bevat onder meer het volgende:

“(…)

1.1 De CAO zal van kracht zijn van 1 februari 2005 tot en met 30 september 2006.

1.2 De afspraken zoals deze zijn vastgelegd in de CAO en de Algemene Regeling tot en met 31 januari 2005 zullen, in zoverre deze niet reeds zijn vervuld of in zover niet hieronder anders is bepaald, ook van kracht zijn van 1 februari 2005 tot en met 30 september 2006.

(…)

Iedere werknemer behoudt de mogelijkheid om op 62 jaar te stoppen met werken.

(…)

Uiterlijk in juni 2005 zal in het locatieoverleg overeenstemming bereikt worden over een nieuwe pensioen- en ouderenregeling op grond van aan partijen voor te leggen, uitgewerkte alternatieven waarin genoemde uitgangspunten gerealiseerd worden.

(…)”

g. Het Verslag van de Startbijeenkomst van de CAO onderhandelingen 2005 van 20 januari 2005 vermeldt onder meer het volgende:

als voorstel van FNV:

“Werknemers vanaf 60 jaar krijgen de mogelijkheid hun werkweek verder te verkorten met een halve dag met behoud van salaris en de omvang van hun vk-rechten. Voor werknemers ouder dan 61 jaar moeten deze rechten gelijk zijn aan die van 61 jaar.”

als voorstel van De Unie:

“Om de kwaliteit van de arbeid te bevorderen en de duur van de arbeidsparticipatie te vergroten, stellen wij voor om voor medewerkers vanaf 60 jaar een 4 daagse werkweek in te stellen met behoud van salaris.”

als voorstel van VHP-Corus:

“VHP Corus stelt voor de huidige deeltijdregeling zoals die nu bestaat voor werknemers vanaf 60 jaar als volgt aan te passen:

? Vanaf de leeftijd van 60 jaar wordt het deeltijdpercentage verlaagd van 90% naar 80%.

? Vanaf de leeftijd van 61 jaar wordt het deeltijdpercentage verlaagd van 80% naar 70%.

? Gelijktijdig gaat vanaf 59 jaar een deeltijdpercentage van 90% gelden.

De daarbij behorende andere afspraken uit de huidige regeling blijven onverlet van toepassing.”

Als mededeling door of namens Corus:

“Ten aanzien van leeftijdsbewust personeelsbeleid heeft Corus het duidelijke doel om medewerkers zo veel mogelijk te ondersteunen in het gezond behalen van het pensioen in het eigen werk. In een volgend CAO overleg zal Corus dieper op deze materie ingaan met daarbij ook aandacht voor arbeidsongeschiktheid en hoe daarmee om te gaan.”

h. Het Verslag van de Tweede Dag van de CAO onderhandelingen 2005 van 3 februari 2005 vermeldt onder meer het volgende:

“Duijnhoven vraagt of Haveman ook iets zegt over de leeftijd waarop medewerkers kunnen stoppen met werken. Over stoppen met 62 jaar. Hij memoreert dat de leeftijd eerst is opgetrokken van 60 naar 62 jaar. Op grond hiervan zijn de huidige regelingen ontstaan. Hij wil van Haveman weten wat zijn standpunt is ten aanzien van die regelingen.

Haveman antwoordt dat het Sociaal Akkoord, landelijk afgesproken met instemming van werkgevers, werknemers en het kabinet, uitgaat van pensionering op 65 jaar. Nu wordt binnen onze organisatie veel geld besteed aan vroeger met pensioen kunnen gaan. Corus wenst meer individuele zeggenschap voor de medewerkers bij de keuze om vroeger met pensioen te gaan. Hoe dat er precies uit zou moeten zien is onderwerp van de discussies die nu tussen partijen gevoerd dienen te worden. De “pot met geld” staat niet ter discussie en dat is belangrijk om vast te houden.

Duijnhoven vraagt of Haveman nu bedoeld dat de leeftijdsverlofregelingen niet zullen worden teruggedraaid door Corus.

Haveman benadrukt nogmaals dat daarbij oplossingen gezocht dienen te worden in verband met de WBG richting levensloopregeling.

(…)

Haveman benadrukt nogmaals dat Corus, het hele kluster van VV-voorstellen bij elkaar nemende, van mening is dat uitbreiding van de collectieve rechten niet de richting is, die Corus als onderneming wenst in te slaan. Corus wenst geen uitbreiding van de collectieve rechten, maar meer individueel maatwerk en heeft, om dat te bereiken, andere instrumenten.

(…)”

i. Het Verslag van de Vierde Dag van de CAO onderhandelingen 2005 van 14 februari 2005 vermeldt onder meer het volgende:

“Haveman vervolgt zijn reactie op de reacties van de vakverenigingen.

Inzake de regeling voor 60- en 61-jarigen is Corus er geen voorstander van deze deeeltijdregeling nog verder uit te breiden. Er zijn in de vorige CAO afspraken gemaakt. In het licht van de WGB dienen deze ook opnieuw te worden bezien en Corus richt zich erop medewerkers zolang mogelijk gezond aan het werk te houden.

(…)”

j. Het Verslag van de Vijfde Dag van de CAO onderhandelingen 2005 van 21 maart 2005 vermeldt onder meer het volgende:

“Haveman start zijn toelichting op de voorstellen van de zijde van Corus (…):

(…)

Corus heeft de volgende uitgangspunten op pensioengebied:

(…)

Met deze uitgangspunten ziet het voorstel van Corus er als volgt uit:

Schets van de nieuwe regeling (ingangsdatuim 1 januari 2006):

Pensioeningangsdatum 65 jaar

(…)

Deeltijdpensioen is eveneens mogelijk. Geen uitbreiding naar boven van de huidige deeltijdregeling voor senioren. Deze regeling blijft gelijk voor 60- en 61-jarigen en bij 62 jaar is er voor de medewerkers de eigen keuze voor stoppen met werken of deeltijdpensioen.

Duijnhoven interrumpeert met de mededeling dat in AR artikel 7A.2 staat “…vanaf het bereiken van de 60-jarige leeftijd …” En “…vanaf 61 jaar bestaat de mogelijkheid…”.

Haveman antwoordt dat dit nu geldt in het licht van het collectieve pensioen op 62 jaar.

Rijk vult aan dat in de huidige CAO het collectieve pensioen op 62 jaar staat.

Duijnhoven antwoordt dat die combinatie er nooit is geweest. Hij memoreert dat deze twee zaken op verschillende momenten zijn afgesproken met Henstra.

Rijk antwoordt dat er nu feitelijk de afspraak ligt dat een ieder op 62 jaar met pensioen gaat. 99,5% van de medewerkers gaat ook met 62 jaar met pensioen. Er ligt nu, in de nieuwe wetgeving, het onvoorwaardelijk recht op tot 65 jaar door te werken met opbouw van pensioen. Tegelijkertijd kan in de nieuwe voorstellen nog steeds iedereen stoppen met werken als dit wordt verkozen.

Duijnhoven stelt dat vakverenigingen de deeltijddagen erbij betrekken. Die zijn ook belangrijk.

Haveman memoreert dat deze deeltijdregeling voor senioren opgesteld is in het kader van de afschaffing van de VUT.

Duijnhoven antwoordt dat Haveman dan maar een CAO-wijzigingsvoorstel moet indienen voor AR artikel 7A.2. Dan verspreidt hij dit vervolgens in 10.000 exemplaren.

(…)”

k. Het Verslag van de Zesde Dag van de CAO onderhandelingen 2005 van 15 maart 2005 vermeldt onder meer het volgende:

“Duijnhoven verwoordt vervolgens het standpunt van de vakverenigingen t.a.v.:

12. Ouderenbeleid: de voorstellen inzake 59- en 61 jarigen worden ingetrokken.

Vakverenigingen stellen voor dat medewerkers vanaf 60 jaar 4 dagen kunnen werken, inclusief de vertaalsleutel naar de vijfploegendienst. Deeltijdpensioen vanaf 62 jaar wordt afgewezen.”

l. Het verslag van het op 30 november 2005 gehouden Technisch Overleg vermeldt onder meer het volgende:

“Duijnhoven wenst de gang van zaken rond de CAO-teksten aan de orde te stellen.

(…)

8. Deeltijd voor ouderen en deeltijd pensioen

Haveman brengt naar voren dat er ten aanzien van de deeltijd voor ouderen meerdere mogelijkheden zijn:

- de regeling kan ingaan twee jaren voor de individuele pensioendatum

- deeltijdpensioen kan afgesproken worden

- het kan gewoon blijven bestaan als een regeling voor de 60- en 61-jarigen.

Duijnhoven reageert dat het hem verbaast dat Corus nu hiermee komt en niet tijdens de CAO-onderhandelingen. Hij wijst erop dat in de CAO-tekst is opgenomen “vanaf het bereiken van de 60-jarige leeftijd ……” In zijn visie zijn de letterlijke teksten doorslaggevend.

Haveman merkt op dat dit onderwerp in de CAO-onderhandelingen van 2005 wel degelijk besproken is. Dit heeft echter nog niet tot overeenstemming tussen sociale partners geleid. Hij stelt voor hier bij de volgende vergadering op terug te komen.

(…)”

m. Het verslag van het op 14 december 2005 gehouden Locatie Overleg IJmuiden en Technisch Overleg vermeldt onder meer het volgende, waarbij “Duijnhoven” de woordvoerder van FNV is en “Haveman” namens Corus het woord heeft gevoerd:

“Duijnhoven antwoordt dat de vakverenigingen er niet mee akkoord gaan dat de tekst van AR 7A.2 wordt gewijzigd en hierover nu geen discussie wensen. Hij stelt voor dat Corus dit punt inbrengt bij de volgende CAO-onderhandelingen en zegt dat ook hier geldt “contract is contract”.

Haveman zegt dat er door partijen lang en duidelijk is gediscussieerd over de deeltijdouderenregeling. Dit punt is gekoppeld aan de pensioenleeftijd van 62 jaar. De pensioenleeftijd is gewijzigd van 62 jaar naar 65 jaar, opgelegd door de nieuwe wetgeving. Corus wenst derhalve ook de ermee verbonden ouderenregeling met overlegpartners inhoudelijk te bekijken. Corus wil aan de inhoud van deze regeling niet tornen, maar de regeling flexibel opneembaar maken nu ook de ingangsdatum van het pensioen voor de werknemers flexibel wordt. Vakverenigingen drijven de organisatie anders in een volstrekt onhandelbare situatie.

(…)

Haveman antwoordt (…) Kernpunt van het artikel inzake de deeltijd-ouderenregeling is het met pensioen gaan op 62-jarige leeftijd, niet het creëren van allerlei extra voordelen.

(…)”

n. Bij brief van 9 januari 2006 heeft Duijnhoven namens FNV het volgende aan Haveman van Corus Staal meegedeeld:

“De regeling waarbij medewerkers vanaf 60 jaar 90% en vanaf 61 jaar 80% in deeltijd kunnen werken waarbij de onderneming 100% van het inkomen blijft betalen, dient onverkort gehandhaafd te blijven zonder toevoegingen welke consequenties hebben voor medewerkers van 62 jaar en ouder! Ofschoon het woord ‘vanaf’ op zich al duidelijk genoeg is willen we dit nog eens benadrukken. Met andere woorden medewerkers van 62 jaar en ouder behouden dit specifieke deeltijdrecht zoals dat geldt voor 61 jarigen.

(…)

U oproepend om het overleg van 11 januari 2006 weer tot een constructief overleg te maken

(…)”

o. Bij brief van 10 januari 2006 heeft Corus aan de vakbonden de volgende informatie verschaft over de deeltijdouderenregeling:

“Corus kent een zogenaamde deeltijdouderenregeling waarbij de werknemer op

60-jarige leeftijd kan gaan werken in deeltijd van 90% en op 61-jarige leeftijd in deeltijd van 80%, waarbij de Onderneming 100% van het inkomen blijft betalen.

Deze bepaling is ingevoerd in de CAO van 1 februari 2002 toen het reguliere ouderdomspensioen inging op 62 jaar en de ontslagleeftijd 62 jaar was. Het betreft dus een afbouwfaciliteit voor de oudere werknemer om het rustiger aan te doen in de periode van 2 jaar voorafgaand aan het pensioen.

Als gevolg van de per 1 mei ingevoerde Wet Gelijke Behandeling op grond van leeftijd, is de ontslagleeftijd met ingang van de nieuwe CAO per 1 februari 2005 gewijzigd van 62 jaar in 65 jaar. Verder geldt er op grond van nieuwe wetgeving en de gemaakte CAO-afspraken per 1 januari 2006 een nieuwe pensioenregeling waarbij het reguliere ouderdomspensioen ingaat op 65 jaar. Zoals eerder aangegeven blijft echter voor iedereen de mogelijkheid behouden om, net als onder de oude regeling en tegen een verglijkbaar inkomensniveau, vanaf 62 jaar met pensioen te gaan. De werknemer kan dus nog steeds stoppen op 62-jarige leeftijd en er is geen noodzaak om door te werken tot 65 jaar maar hij kan daar wel zelf voor kiezen.

Tijdens de CAO-onderhandelingen in 2005 hebben Corus en de VV gesproken over de gevolgen van de nieuwe ontslagleeftijd voor de deeltijdouderenregeling. Corus is van mening dat, gelet op de wijziging van de reguliere pensioenleeftijd, de betreffende CAO-bepaling in redelijkheid zo moet worden begrepen dat de faciliteit geldt voor een periode van twee jaar voorafgaand aan de individuele pensioeningangsdatum.

Wie vanaf 60 jaar van de faciliteit gebruik maakt zal derhalve met 62 jaar met penisoen willen gaan; wie eerst met 65 jaar met pensioen wil gaan, kan eerst vanaf 63 jaar van de faciliteit gebruik maken.

(…)”

p. Het verslag van het op 11 januari 2006 gehouden Technisch Overleg vermeldt onder meer het volgende:

“8. Deeltijd voor ouderen

Haveman zegt dat de onderneming haar opvatting over deze kwestie heeft neergelegd in de toegestuurde notitie.

Duijnhoven stelt dat de vakverenigingen de mening van de onderneming niet delen. Zij hebben het uitgangspunt dat een contract, eenmaal gesloten, niet tussentijds kan worden opengebroken. Er zijn nu al medewerkers die te maken hebben met dit punt. In hun visie is de letterlijke tekst van de CAO doorslaggevend.

Haveman antwoordt dat het standpunt van de vakverenigingen duidelijk is, dat van de onderneming eveneens. Het is wel degelijk nodig om dit nu te bespreken.

Rijk merkt op dat de vakverenigingen steeds de suggestie wekken dat Corus de CAO schendt. Corus doet dit niet. Hij verwijst nogmaals naar de toegezonden notitie.

Duijnhoven zegt dat er bij de CAO-onderhandelingen geen besluit over genomen is en wenst de onderneming veel succes met haar visie.

Haveman merkt op dat de wet de onderneming heeft gedwongen af te stappen van de pensioenleeftijd van 62 jaar. De onderneming heeft op geen enkele wijze laten merken dat zij van mening is dat iedereen tot 65 moet doorwerken. Vandaar de flexibilisering zoals voorgesteld.

Duijnhoven zegt dat Corus een brief over deze kwestie krijgt.

(…)”

q. Het (nog niet formeel vastgestelde) Verslag van het op 16 februari 2006 gehouden Technisch Overleg -voor zover kenbaar uit het door Corus als productie H overgelegde chronologische overzicht vermeldt onder meer het volgende:

“Haveman memoreert dat er overeenstemming is bereikt over de aangepaste CAO-teksten op één punt in artikel CAO AR 7A.2 na.

Duijnhoven stelt dat de vakverenigingen de mening van de onderneming niet delen. Zij hebben het uitgangspunt dat een contract, eenmaal gesloten, niet tussentijds kan worden opengebroken. Er zijn nu al medewerkers die te maken hebben met dit punt. In hun visie is de letterlijke tekst van de CAO doorslaggevend.

(…)

Rijk merkt op dat partijen het erover eens zijn dat zij het over één kwestie niet eens zijn.

Duijnhoven corrigeert hem en merkt op dat het er twee zijn, te weten artikel AR 7A.2 en FUWA.

Rijk antwoordt dat de kwestie AR 7A.2 dan bij de rechter ligt en partijen zullen zien wat daaruit komt.

(…)”

De vordering

De vakverenigingen vorderen dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Corus zal veroordelen:

1. tot naleving van de artikelen 7A.2 van de Algemene Regeling welke regeling deel uitmaakt van de CAO door werknemers die 60 jaar respectievelijk 61 jaar zijn en hierom verzoeken in de gelegenheid te stellen om met behoud van het volledige salaris van 90% in deeltijd te werken vanaf het moment dat zij 60 jaar zijn geworden respectievelijk 80% in deeltijd te werken vanaf het moment dat zij 61 jaar zijn geworden, onder verbeurte van een dwangsom van €1.000,00 per dag indien gedaagden binnen zeven dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis niet aan hun veroordeling voldoen;

2. tot naleving van de artikelen 7A.2 van de Algemene Regeling welke regeling deel uitmaakt van de CAO door aan de bonden en de werknemers van gedaagden per brief mee te delen dat werknemers die 60 jaar respectievelijk 61 jaar zijn en hierom verzoeken in de gelegenheid worden gesteld om met behoud van het volledige salaris 90% in deeltijd te werken vanaf het moment dat zij 60 jaar zijn geworden respectievelijk 80% in deeltijd te werken vanaf het moment dat zij 61 jaar zijn geworden, onder verbeurte van een dwangsom van €1.000,00 per dag indien gedaagden binnen zeven dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis niet aan hun veroordeling voldoen;

3. tot betaling aan de bonden van €9.000,00 aan voorschot op schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 15 en 16 Wet CAO, te voldoen aan de bonden binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis;

4. tot betaling aan de bonden van €3.000,00 aan voorschot op de vergoeding van de kosten die de bonden hebben moeten maken om gedaagden ertoe te brengen de CAO na te leven;

5. tot betaling van de proceskosten.

De vakverenigingen stellen daartoe het volgende:

De vakverenigingen en gedaagden zijn partij bij de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Sociale Eenheid IJmuiden van Corus. De huidige CAO loopt van 1 maart 2005 tot en met 30 september 2006.

De vakverenigingen zijn als partij bij de CAO gerechtigd nakoming te vorderen. Zij zijn ingevolge hun statuten tevens gerechtigd op basis van artikel 3:305aBW de belangen van hun leden te behartigen.

Artikel 7A.2 van de Algemene Regeling die deel uitmaakt van de CAO bepaalt dat de werknemer vanaf het bereiken van de 60-jarige leeftijd de mogelijkheid heeft om in deeltijd te gaan werken (tot 90% op 60-jarige leeftijd en tot 80% vanaf 61-jarige leeftijd) waarbij Corus 100% van het salaris blijft betalen.

Corus leeft deze bepaling niet na.

De vakverenigingen zijn van oordeel dat Corus een onjuiste uitleg geeft aan de genoemde bepaling uit de Algemene Regeling.

De vakverenigingen hebben diverse malen met Corus over dit onderwerp gesproken en Corus er zowel schriftelijk als mondeling op gewezen dat Corus de CAO dient na te leven. Corus heeft evenwel te kennen gegeven genoemd artikel 7A.2 niet onverkort toe te willen passen.

Na lang onderhandelen zijn partijen op 23 maart 2005 een nieuwe CAO overeengekomen, het Protocol CAO. Deze CAO geldt van 1 februari 2005 tot en met 30 september 2006.

In het Protocol van 24 februari 2004 is de CAO zoals deze gold gedurende 2002/2003 verlengd tot 1 februari 2005. In het Protocol van 23 maart 2005 is nauwkeurig vastgelegd welke regelingen veranderingen zullen ondergaan gedurende de looptijd en wat die veranderingen inhouden. Eveneens is in het Protocol CAO van 23 maart 2005 bepaald dat de afspraken zoals die zijn vastgelegd in de CAO en de Algemene Regeling, die heeft gegolden tot en met 31 januari 2005, van kracht blijven vanaf 1 februari 2005 tot en met 30 september 2006 voor zover zij niet zijn gewijzigd.

Er zijn geen nieuwe afspraken gemaakt over genoemd artikel 7A.2 van de Algemene Regeling. Deze regeling is derhalve ook na het van kracht worden van de nieuwe CAO op

1 februari 2005 ongewijzigd gebleven.

De tekst van artikel 7A.2 is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar.

Het standpunt van Corus dat de mogelijkheid om in deeltijd te werken met behoud van het volledige salaris een aanvang neemt twee jaar voor de pensioendatum is, als de werknemer niet met pensioen gaat wanneer hij 62 jaar is maar later, in strijd met de CAO.

Door de weigering van Corus om de CAO op correcte wijze na te leven ondervinden de vakverenigingen schade, die met name hieruit bestaat dat zij bij haar leden vertrouwen en prestige hebben verloren, nu zij ondanks hun inspanningen vooralsnog niet hebben kunnen bewerkstelligen dat Corus alsnog haar verplichtingen uit de CAO naleeft. Bovendien heeft de werfkracht van de vakverenigingen ten aanzien van het aantrekken van nieuwe leden door de handelwijze van Corus duidelijk aan belang ingeboet. De schade die de vakverenigingen hebben geleden begroten zij op €15.000,00. De vakverenigingen vragen nu een voorschot van €9.000,00 op de door Corus verschuldigde schadevergoeding.

Voorts hebben de vakverenigingen schade geleden nu hun gesalarieerd personeel aan deze zaak vele uren heeft besteed, welke uren werden en nog worden onttrokken aan de tijd bestemd voor andere werkzaamheden ten behoeve van hun leden. De kosten die daarmee gemoeid zijn geweest begroten de vakverenigingen op €5.000,00. De vakverenigingen vragen een voorschot van €3.000,00 op de door Corus verschuldigde vergoeding van de gemaakte kosten.

Het verweer

Gedaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd waarop, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil zal worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

Tegenover het gemotiveerde verweer van Corus hebben de vakverenigingen onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit een spoedeisend belang bij de onder 3. en 4. gevorderde voorschotten op de gestelde schadevergoedingen valt af te leiden. Reeds om die reden worden deze twee voorlopige voorzieningen geweigerd.

Hetgeen door de vakverenigingen onder 1. en 2. wordt gevorderd begrijpt de kantonrechter aldus dat gevorderd wordt dat Corus zal worden veroordeeld tot naleving van de genoemde deeltijdouderenregeling van artikel 7A.2 AR in dier voege dat deze regeling ook zal gelden tot de huidige pensioenleeftijd van 65 jaar. Immers, in andere zin opgevat zou de vordering weinig zin hebben, omdat gebleken is dat Corus bereid is de huidige regeling na te komen in die zin dat werknemers dan vanaf hun 62-jarige leeftijd weer voltijd zouden moeten gaan werken dan wel zouden moeten kiezen voor deeltijdpensioen. Maar dat willen de verenigingen nu juist niet.

Voorts is ten aanzien van deze twee onderdelen van de vordering ook de vraag gerezen of sprake is van een voldoende spoedeisend belang. Hoewel de vakverenigingen hadden nagelaten dit spoedeisende belang bij dagvaarding te stellen en Corus terzake gemotiveerd verweer heeft gevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat het spoedeisende belang ter zitting wel voldoende aannemelijk is geworden. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben de vakverenigingen immers desgevraagd gesteld dat momenteel individuele werknemers door Corus worden benaderd om in hun geval akkoord te gaan met een regeling die tot twee jaar is beperkt en waarbij zij nadien met (deeltijd)pensioen kunnen gaan. Hoewel, zoals door de vakverenigingen ter zitting mondeling is toegelicht, het hier om een klein aantal werknemers gaat, staat dit gegeven er niet aan in de weg een spoedeisend belang aan te nemen, ook al is denkbaar dat, zoals door Corus is aangevoerd, de betrokken werknemers zich bij de aangeboden regeling alle rechten voorbehouden voor het geval de vakverenigingen in het gelijk worden gesteld. Bij dit alles speelt voor de kantonrechter mee dat partijen gebaat zijn bij een oordeel op korte termijn teneinde al dan niet de onderhandelingen voort te zetten. Dat oordeel, ook al is het nog maar een voorlopig oordeel, kan ook worden gegeven, omdat partijen hun standpunten uitgebreid met onderliggende verslagen van de onderhandelingen naar voren hebben gebracht en niet aannemelijk is geworden dat in een eventuele bodemprocedure nog andere stukken met betrekking tot de onderhavige kwestie van artikel 7A.2 AR zullen (kunnen) worden overgelegd.

Nu de vakverenigingen in hun vorderingen ontvangen kunnen worden, moet worden beoordeeld of de vorderingen onder 1. en 2. toewijsbaar zijn.

Daarbij wordt vooropgesteld dat een voorlopige voorziening zoals gevraagd alleen kan worden toegewezen als in dit geding aan de hand van de thans bekende feiten en omstandigheden de verwachting gewettigd is dat in een eventueel tussen partijen nog te voeren bodemprocedure een soortgelijke vordering van de vakverenigingen tot een toewijzing daarvan zal leiden.

De kantonrechter is voorshands, op grond van de thans voorliggende gegevens, van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende.

Uit de diverse verslagen van de onderhandelingen en het technisch overleg komt duidelijk naar voren dat partijen het niet eens zijn geworden over een herziening van de onderhavige ouderenregeling van artikel 7A.2 AR. In tegenstelling tot de vakverenigingen is de kantonrechter van oordeel dat dit onderwerp wel degelijk onderdeel van de onderhandelingen heeft uitgemaakt, zij het dat het bereiken van een oplossing is opgeschoven naar het technisch overleg. Dat dit uitstel slechts betrekking zou hebben op de financiële afwikkeling van de pensioenvoorzieningen, zoals ter zitting door de vakverenigingen is betoogd, is onvoldoende aannemelijk geworden.

Partijen zijn nog niet tot overeenstemming gekomen over de ouderenregeling van artikel 7A.2 AR. De tekst van dat artikel is derhalve nog niet gewijzigd. De vakverenigingen verbinden daaraan de conclusie dat Corus gehouden is de daarin neergelegde ouderenregeling toe te passen in die zin dat deze regeling zou gelden tot de huidige pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar.

Blijkens de stellingen van partijen zijn zij beiden van oordeel dat hun geschil zich aldus beperkt tot de uitleg van de bovengenoemde bepaling van artikel 7A.2 AR.

In het licht van de huidige rechtspraak op dit punt gaat het om een uitleg naar objectieve maatstaven, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Voorts moeten ook de bewoordingen van de eventueel bij de CAO behorende schriftelijke toelichting bij de uitleg van de CAO worden betrokken. Tenslotte kan ook betekenis worden toegekend aan de bedoeling van de partijen bij de CAO indien deze naar objectieve maatstaven volgt uit de CAO-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is.

Het standpunt van de vakverenigingen komt erop neer dat werknemers van Corus recht zouden hebben op deeltijd werken tot aan hun huidige pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar.

Corus heeft daar tegenover gesteld dat er een directe samenhang bestaat tussen de deeltijdregeling voor ouderen en de bepaling van artikel 3.3.1AR waaruit volgt dat bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd het dienstverband eindigt en dat de twee jaren waarin men eerst 10% en daarna 20% minder werkt tegen hetzelfde salaris de overgang naar het pensioen bepalen.

Artikel 7A.2 AR is opgenomen in een regeling waarin, zoals tussen partijen vaststaat, in artikel 3.3.1 is opgenomen dat de pensioengerechtigde leeftijd bij 62 jaar ligt. Deze ouderenregeling hield derhalve in dat de werknemers een aanloop kregen van twee jaren om aan de overgang naar pensioen te wennen. Een ruimere uitloop dan twee jaar bestond niet om de eenvoudige reden dat de arbeidsovereenkomst op 62-jarige leeftijd eindigde.

Het standpunt van de vakverenigingen, zoals hierboven omschreven, zou tot gevolg hebben dat de werknemers meer rechten zouden verkrijgen dan zij op grond van de bestaande regeling uit artikel 7A.2 AR zouden hebben gehad. Immers, zij zouden gedurende vijf jaren in plaats van gedurende twee jaren kunnen omschakelen naar hun pensioen met als gevolg voor Corus een verhoging van de loonkosten. Het was bovendien voor partijen bij de afspraak in 2002 niet te voorzien dat de pensioengerechtigde leeftijd met ingang van

1 januari 2006 naar 65 jaar zou (moeten) worden verhoogd. Het standpunt van de vakverenigingen kan daarom geen stand houden.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat ook de onder 1. en 2. gevorderde voorlopige voorzieningen worden geweigerd.

De proceskosten komen voor rekening van de vakverenigingen omdat deze in het ongelijk worden gesteld.

Beslissing

De kantonrechter:

Weigert de gevorderde voorlopige voorzieningen.

Veroordeelt de vakverenigingen tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van Corus tot en met vandaag worden begroot op €400,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.