Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AW5770

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-04-2006
Datum publicatie
01-05-2006
Zaaknummer
122154/KG ZA 06-90
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Burenrecht. Executiegeschil. Uitleg van een veroordeling om werkzaamheden aan een voorgevel ongedaan te maken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat waar de muur is opgetrokken op de fundering, het gedeelte van het bouwwerk dat zich onder het maaiveld bevindt niet onder het begrip voorgevel begrepen moet worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 122154 / KG ZA 06-90

Vonnis in kort geding van 7 april 2006

in de zaak van

1. A.E.,

wonende te [woonplaats],

eiser,

2. W.B.V.,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. D. Elmhassani,

tegen

1. M.W.L.,

wonende te [woonplaats],

2. K.B.L.R.,

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. A.E. Jobse te Amsterdam.

Partijen zullen hierna E. c.s. en L. c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 4 producties

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van E. c.s.

- de pleitnota van L. c.s., met producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. E. c.s. en L. c.s. zijn buren aan de [straatnaam] te [woonplaats]. Bij transportakte van 7 juli 1989 is ten laste van E. c.s. en ten nutte van (o.m.) het perceel van L. c.s. een erfdienstbaarheid van uitzicht gevestigd.

2.2. E. c.s. hebben het voornemen om hun woning aan de voorzijde uit te bouwen ten behoeve van vergroting van de keuken. Zij hebben daarvoor een bouwvergunning gevraagd en gekregen. L. c.s. hebben bezwaren tegen de bouw, omdat die zou leiden tot vermindering van lichtinval en uitzicht. Na ongegrondverklaring van een tegen de bouwvergunning ingediend bezwaarschrift zijn E. c.s. begonnen met de bouw, door het aanbrengen van de fundering.

2.3. Om daadwerkelijke verdere uitvoering van de bouwwerkzaamheden te voorkomen hebben L. c.s. een kort geding aangespannen, dat heeft gediend voor deze rechtbank. De voorzieningenrechter heeft op 5 augustus 2005 het volgende beslist (verder: het vonnis):

“De voorzieningenrechter

5.1 gebiedt E. c.s. om met onmiddellijke ingang de werkzaamheden aan de voorgevel van de woning op het perceel [straatnaam] 111 te [woonplaats] te staken en gestaakt te houden.

5.2 gebiedt E. c.s. om de reeds uitgevoerde werkzaamheden aan de voorgevel van de woning op het perceel [straatnaam] 111 te [woonplaats] ongedaan te maken binnen een termijn van twee weken na betekening van het betreffende vonnis.

5.3 verbiedt E. c.s. opstallen of beplantingen in hun voortuin te plaatsen die het uitzicht van L. c.s. belemmeren.

5.4 bepaalt dat E. c.s. voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelen met het hiervoor bepaalde, aan L. c.s. een dwangsom verbeuren van € 1.000,--, tot een maximum van € 50.000,--.”

2.4. Nadat het vonnis van de voorzieningenrechter was uitgesproken hebben E. c.s. de fundering voor de geplande aanbouw bedekt met zand.

1.5. Op 13 februari 2006 hebben E. c.s. een exploot ontvangen van de deurwaarder, van de zijde van L. c.s., met het bevel dat zij binnen twee dagen na die datum aan L. c.s. de in het vonnis genoemde dwangsommen ter hoogte van € 50.000,--, zijnde de maximaal verbeurde dwangsommen, moeten voldoen.

3. Het geschil

3.1. E. c.s. vorderen - samengevat – de verdere executie van het vonnis van 5 augustus 2005 te verbieden, op straffe van een dwangsom van € 100.000,-- ineens, te verbeuren door het verrichten van iedere handeling of het treffen van maatregelen in strijd met dit verbod.

3.2. L. c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Ter zitting is gebleken dat de opvatting dat het vonnis niet is uitgevoerd daarop berust dat E. c.s. de aangebrachte fundering niet hebben verwijderd.

Het gaat daarmee om de reikwijdte van het gebod sub 5.2 van het vonnis.

4.2. E. c.s. voeren aan dat niet kan worden gezegd dat zij zich niet naar het vonnis hebben gedragen Zij stellen daartoe onder meer dat funderingswerk geen werkzaamheden aan de voorgevel zijn en dat het gebod sub 5.2 moet worden uitgelegd aan de hand van de strekking van de veroordeling en het doel dat daarmee wordt gediend. Naar de mening van E. c.s. is de strekking en het doel van de veroordeling dat E. c.s. de werkzaamheden aan de voorgevel van de woning staken, zodat L. c.s. het vrije en ongestoorde genot van (de erfdienstbaarheid van) hun uitzicht hebben en behouden. Volgens E. c.s. belemmert de aanwezigheid van de fundering het uitzicht van L. c.s. geenszins, zodat de uitleg van het gebod onder 5.2 van het vonnis meebrengt dat de fundering niet onder de reikwijdte van het gebod valt. Nu L. c.s. ongestoord gebruik kunnen maken van de erfdienstbaarheid van uitzicht, is er geen sprake van handelen in strijd met het vonnis, aldus E. c.s.. Derhalve zijn er naar de mening van E. c.s. geen dwangsommen verbeurd, zodat executie van het vonnis onrechtmatig is.

4.3. L. c.s. betogen dat onder het opgedragen ongedaan maken van de reeds uitgevoerde werkzaamheden aan de voorgevel van de woning, wel degelijk moet worden verstaan het verwijderen van de aangelegde fundering. Zij wijzen erop dat het volgen van de door E. c.s. verdedigde uitleg zou meebrengen L. c.s. geen enkel belang hadden gehad bij hun vordering, aangezien de aanleg van de fundering de enige uitgevoerde werkzaamheden zijn. De vordering had in dat geval bij gebrek aan belang afgewezen moeten worden. Voorts betogen L. c.s. dat ook E. c.s. kennelijk meenden dat de fundering onder 5.2 van het dictum viel, aangezien zij door de fundering met zand te bedekken, hebben getracht deze ongedaan te maken.

4.4. In casu is sprake van een algemeen geformuleerd verbod, dat, getuige het onderhavige geschil, voor meer dan één interpretatie vatbaar is. Voor algemeen geformuleerde verboden heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 3 januari 1964, NJ 1964, 445 (Lexington) en van 18 februari 1966, NJ 1966, 208 (Klokkenspel) een restrictieve interpretatieregel gegeven, die inhoudt dat een “redelijke uitlegging van een dergelijk verbod meebrengt de draagwijdte daarvan beperkt te achten tot handelingen waarvan niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op de gronden waarop het verbod werd gegeven, inbreuken als door de rechter verboden opleveren.” Het gaat erom van geval tot geval te beoordelen wat een redelijke uitleg van het betreffende verbod inhoudt, mede gelet op de grond waarop het wordt gegeven, waarbij de rechter dan tot de slotsom kan komen dat gezien de algemene strekking van het verbod een meer restrictieve interpretatie is geboden.

4.5. Bij de uitleg van de betekenis van het dictum is allereerst van belang dat onder voorgevel naar gangbaar spraakgebruik wordt verstaan de gevel aan de voorzijde van een gebouw, waarbij onder gevel wordt verstaan, de voormuur of buitenmuur van een gebouw. Waar de muur is opgetrokken op de fundering, moet het gedeelte van het bouwwerk dat zich onder het maaiveld bevindt niet onder het begrip voorgevel begrepen worden geacht.

4.6. Voorts is van belang dat de veroordeling blijkens het vonnis strekt tot handhaving van een erfdienstbaarheid van uitzicht. Verwijdering van bouwwerkzaamheden die zich onder het maaiveld bevinden, zoals de fundering, kan geen geschikte maatregel worden geacht om een erfdienstbaarheid van uitzicht te waarborgen.

4.7. Zoals ter zitting besproken hebben L. c.s. belang bij ongedaanmaking van werkzaamheden, in die zin dat de situatie ter plaatse weer het aanzicht van een ordelijke voortuin krijgt. Voor zover de veroordeling mede die strekking had, is dat in het dictum echter niet voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht. Onder de geschetste omstandigheden kan niet worden gezegd dat E. c.s. het vonnis niet hebben uitgevoerd. Het sub 4.3 weergegeven betoog, dat erop neerkomt dat de door E. c.s. voorgestane uitleg van de voorziening meebrengt dat L. c.s. met die voorziening niets zouden opschieten en deze op grond van dat gezichtspunt door de voorzieningenrechter zou zijn afgewezen, is te speculatief en verdraagt zich in zoverre niet met de sub 4.4. weergegeven maatstaf.

4.8. Het voorgaande brengt mee dat de gevraagde voorziening voor toewijzing vatbaar is.

4.9. De rechtbank zal de gevorderde dwangsom matigen en maximeren als na te melden.

4.10. L. c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van E. c.s. worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,87

- vast recht 248,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.148,87

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verbiedt de verdere executie van het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Haarlem van 5 augustus 2005,

5.2. bepaalt dat L. c.s. door het verrichten van enige handeling of het treffen van enige maatregel in strijd met het onder 5.1 bepaalde, aan E. c.s. een dwangsom verbeurt van € 5.000,--, tot een maximum van € 50.000,--.

5.3. veroordeelt L. c.s. in de proceskosten, aan de zijde van E. c.s. tot op heden begroot op EUR 1.148,87,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2006.?