Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AW4047

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-03-2006
Datum publicatie
04-05-2006
Zaaknummer
284221
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Gedaagde beroept zich op verjaring van de vordering. Eiser stelt daartegenover dat de werkgever geacht moet worden het onregelmatig ontslag per 1 februari 2005 te hebben omgezet in een regelmatig ontslag per 1 maart 2005. Niet gebleken is echter dat eiser heeft verzocht het onregelmatig ontslag om te zetten in een regelmatig ontslag. Arbeidsovereenkomst moet dus geacht worden te zijn geëindigd op 1 februari 2005, zodat de vordering is verjaard. Eiser wordt niet ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Burgerlijk Wetboek Boek 7 683
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2006, 104
Prg. 2006, 100
JAR 2006/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton Locatie Zaandam

zaaknummer : 284221

rolnummer : 5025/05

datum uitspraak : 2 maart 2006

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eisende partij

nader te noemen [eiser]

gemachtigde: J. Spaargaren (FNV Kiem)

tegen:

de besloten vennootschap Bloem Digital Imaging BV

te Wormer gemeente Wormerland

gedaagde partij

nader te noemen Bloem

gemachtigde: mr J.C. Kuipéri-Botter te Alkmaar

Verloop van de procedure

Bij tussenvonnis van 3 november 2005 is een comparitie na antwoord bevolen die is gehouden op 22 december 2005.

De griffier heeft aantekening gehouden van wat ter zitting is behandeld en besproken.

De inhoud van die stukken kan als hier ingelast en herhaald worden beschouwd.

De vordering

De vordering betreft primair herstel van een door opzegging beëindigd dienstverband, subsidiair een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, en een vordering tot het doen van een correcte eindafrekening.

Het verweer

Bloem bestrijdt alle vorderingen.

Het verweer komt met betrekking tot de vorderingen wegens kennelijk onredelijk ontslag primair neer op een beroep op verjaring en subsidiair op de stelling, dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is geweest, en nog meer subsidiair, dat de vordering van [eiser] in verband met de werkelijk door hem geleden en te lijden schade exorbitant is.

Beoordeling van het geschil

Feitelijke vaststellingen

[eiser] is op 1 juli 1999 bij Bloem in dienst gekomen als lithograaf/opmaker.

Op of omstreeks 12 november 2004 heeft Bloem aan [eiser] en een andere medewerker (xxx) moeten meedelen dat zij op bedrijfseconomische gronden genoodzaakt was een ontslagvergunning aan te vragen.

[eiser] en zijn gemachtigde hebben verweer gevoerd tegen die aanvraag.

Op 8 december 2004 heeft het CWI de ontslagvergunningen gegeven.

Vanaf dat moment hebben zijn [eiser] en [xxx] vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van salaris.

Bij brief van 28 december 2004 heeft Bloem aan [eiser], met verwijzing naar de aangegeven ontslagvergunning, de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 februari 2005.

Bloem heeft daarbij met zoveel woorden de opzegtermijn met een maand verkort omdat er een procedure bij het CWI was gevoerd.

Bij brief van 16 februari 2005 heeft [eiser] geprotesteerd met de volgende bewoordingen.

Bij deze wil ik u laten weten het niet eens te zijn met de, door het CWI verleende, ontslagvergunning en de daaruit voortgevloeide, door u, opgezegde arbeidsovereenkomst.

Ook de door u gehanteerde opzegtermijn en de in mindering gebrachte maand i.v.m. de CWI procedure zijn, mijns inziens, onjuist.

[eiser] en [xxx] zijn een WW-uitkering gaan aanvragen.

Namens hen is Bloem er toen door het UWV op gewezen dat de verkorting van de opzegtermijn bij oudere werknemers niet vanzelfsprekend was en daarop heeft Bloem besloten de betrokkenen nog een maandsalaris uit te keren.

Dat is bevestigd aan het UWV in de volgende bewoordingen:

In aansluiting op telefonisch overleg is besloten dat onze vennootschap de salarissen over de maand februari 2005 nog aan de twee betrokkenen zal uitkeren.

Een lastige betaling en terugvordering wordt hiermee voorkomen.

Per 1 maart 2005 zal UWV de betalingen overnemen.

Deze brief is door UWV voor akkoord getekend en ter informatie in afschrift naar [eiser] en zijn collega gezonden.

[eiser] krijgt vanaf 1 maart 2005 een WW-uitkering en door een door Bloem gefinancierde aanvullende verzekeringsuitkering op basis van de CAO Grafimedia geniet hij tot 100 weken na beëindiging van de arbeidsovereenkomst een aanvulling tot 95% van zijn laatstverdiende salaris.

Het geschil

Het gaat om de vraag of het ontslag van [eiser] kennelijk onredelijk is geweest en zo ja of daar een wedertewerkstelling, ofwel schadevergoeding daar aan zou moeten worden verbonden, maar voorafgaande daaraan moet worden ingegaan op het meest verstrekkende verweer, het beroep op verjaring.

Beoordeling van de geschilpunten

Partijen zijn het er over eens dat de vordering die [eiser] thans instelt binnen zes maanden na de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet worden ingesteld.

Als 1 februari 2005 de datum van beëindiging was is [eiser] te laat.

Als het 1 maart 2005 was komt [eiser] met zijn vordering nog nipt binnen de verjaringstermijn.

Een onregelmatige opzegging is ingevolge artikel 7:677 lid 2 BW niet nietig, maar maakt degene die ze doet schadeplichtig.

Terecht wijst [eiser] op de uitspraak van de Hoge Raad van 30 mei 1995 NJ 96.52 waarin wordt uitgemaakt dat een onregelmatige opzegging niet kan worden geconverteerd in een regelmatige opzegging om de werknemer, ook als die werknemer van de onregelmatige opzegging geen enkele schade heeft, zijn recht op die wettelijke schadeloosstelling te ontnemen.

In dit geval is niet aan de orde gekomen af [eiser] schade leed door de onrelmatige opzegging. De gefixeerde schade is zonder bezwaar betaald.

Zowel Bloem als later ook [eiser] zijn ingegaan op de recente uitspraak van de Hoge Raad van 22 april 2005, JAR 2005.118.

Terecht wijst Bloem er op dat de Hoge Raad in die uitspraak niet afwijkt van het beginsel dat een onregelmatig ontslag niet nietig is.

In die casus ging het om de vraag of partijen op verzoek van een hunner vrijwillig het onregelmatig ontslag kunnen omzetten in een regelmatig ontslag en zo ja welke vereisten daaraan zijn te stellen.

In die zaak, die overigens nog niet is afgewikkeld omdat zij door de Hoge Raad is terugverwezen naar een Gerechtshof, was aan de orde dat de rechtbank van oordeel was dat het rechtsgeldig mogelijk is dat een werkgever, op verzoek van en aldus met instemming van de werknemer, terugkomt van een opzegging met een te korte opzegtermijn die op zichzelf volkomen rechtsgeldig is doch die de werkgever schadeplichtig maakt, en dat herstel van een onregelmatig opzegging door de werkgever –met instemming van de werknemer- kan geschieden door een vormvrije verklaring gericht op wijziging van de opzegtermijn welke besloten kan liggen in een of meer gedragingen.

De in het kader van deze -destijds in cassatie niet betwiste- hypothese gestelde feiten en omstandigheden waren naar het oordeel van de Hoge Raad door de rechtbank niet voldoende onderzocht, met name niet door te motiveren welke betekenis de werknemer destijds aan de gedragingen van de werkgever had mogen toekennen.

In deze zaak stelt [eiser] naar aanleiding van het beroep op verjaring dat hij ook geacht wil worden een verzoek te hebben gedaan aan Bloem om het onregelmatig ontslag om te zetten in een regelmatig ontslag met een juiste opzegtermijn.

In dat verband moet eerst worden gekeken naar de brief van [eiser] aan Bloem van 16 februari 2005 en vervolgens naar de reactie daarop van Bloem.

In de hierboven geciteerde brief wordt duidelijk tegen twee zaken bezwaar gemaakt.

In de eerste plaats verklaart [eiser] het helemaal niet eens te zijn met de afgegeven ontslagvergunning en het op grond daarvan gegeven ontslag, en voorts dat het ook niet eens is met de korting op de opzegtermijn.

[eiser] vraagt helemaal niets. Hij biedt zijn diensten aan maar doet verder niets, ook niet na het aangekondigde overleg met zijn juridisch raadsman.

Hij stond al vanaf december op non-actief met behoud van zijn salaris.

[eiser] vraagt wel direct na 1 februari 2005 een WW-uitkering aan en krijgt daar te horen dat hij nog een maandloon meer van zijn werkgever had kunnen vorderen.

Hij laat toe dat het UWV daarover contact opneemt met Bloem, die daarna reeds op 21 februari 2005 aankondigt [eiser] nog een maand salaris te zullen doorbetalen en er van uit te gaan dat UWV de betalingen vanaf 1 maart 2005 zal overnemen.

Daarna doet [eiser] niets tot de dagvaardig op 25 augustus 2005.

De kantonrechter kan in de brief van [eiser] geen –zelfs geen impliciet- verzoek lezen om het onregelmatig ontslag vrijwillig om te zetten in een regelmatig ontslag met een latere ingangsdatum, en in het antwoord van Bloem aan UWV nog minder een inwilliging van dat verzoek.

Integendeel valt in de brief te lezen dat [eiser] het zowel niet eens is met het ontslag op zich als met het onregelmatig karakter er van.

Met betrekking tot dat laatste aspect mochten zowel [eiser] als Bloem begrijpen dat dat [eiser] een extra maandsalaris zou opleveren en Bloem een extra maandsalaris kosten.

Dat gebaar heeft Bloem –desgevraagd en dan nog via het UWV- direct gemaakt.

Bloem heeft de protesten verder voor kennisgeving aangenomen.

Met betrekking tot het eerste aspect heeft [eiser] toen niet duidelijk gemaakt welk bezwaar hij had tegen het ontslag, maar indien en voorzover hij moet worden geacht zich een vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag te willen voorbehouden, hebben hij en zijn raadsman daar te lang mee gewacht.

Dat betekent dat het beroep op verjaring slaagt en dat de kantonrechter aan het beweerde kennelijk onredelijk karakter van het gegeven ontslag niet toe komt.

Conclusie

[eiser] is niet ontvankelijk in zijn vorderingen.

Kosten

[eiser] moet als de (hoofdzakelijk) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Beslissing

De kantonrechter:

Verklaart [eiser] niet ontvankelijk in zijn vorderingen.

Veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding aan de zijde van Bloem gevallen, begroot op € 800,-- aan salaris gemachtigde.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr J.J. van der Valk als kantonrechter, en op 2 maart 2006 in het openbaar uitgesproken en door kantonrechter en griffier ondertekend.