Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AW2546

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
20-04-2006
Zaaknummer
Awb 05-2757
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtsreeks beroep. Betrokkene wil een ontheffing ex artikel 14, tweede lid, onder b, Luchtvaartwet om gedurende één jaar een veld te kunnen gebruiken voor 100 vliegbewegingen met een snorvliegtuig, verdeeld over 25 niet aaneengesloten dagen. De landeigenaar heeft toestemming gegeven. Gelet op het bepaalde in artikel 158a Regeling Toezicht Luchtvaart heeft betrokkene aan de burgemeester van de gemeente Edam-Volendam verzocht een verklaring van geen bezwaar af te geven. De burgemeester heeft, mede op grond van een advies van de politie, in verband met gevaar voor de verkeersveiligheid geweigerd een verklaring van geen bezwaar af te geven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester bij de afweging van de belangen zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het persoonlijk (hobbymatig) belang van betrokkene niet opweegt tegen het zwaarwegend algemeen belang van de verkeersveiligheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 05 - 2757

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2006

in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen:

de burgemeester van Edam-Volendam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders geweigerd een verklaring van geen bezwaar aan eiser af te geven.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 15 februari 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft het college verwezen naar het advies van 12 april 2005, van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Edam-Volendam.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 3 juni 2005, aangevuld bij brieven van 3 augustus 2005 en 15 november 2005, beroep ingesteld.

Het college van burgemeester en wethouders heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 25 november 2005, alwaar eiser in persoon is verschenen en alwaar het college van burgemeester en wethouders zich heeft laten vertegenwoordigen door K. Kooijman, werkzaam bij de gemeente Edam-Volendam.

De rechtbank heeft het onderzoek te zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om in het kader van eisers verzoek een besluit te nemen ten aanzien van de verklaring van geen bezwaar op grond van artikel 158a Regeling Toezicht Luchtvaart.

Bij besluit van 12 januari 2006 heeft verweerder het verzoek van eiser om een verklaring van geen bezwaar voor het verkrijgen van een ontheffing op grond van artikel 14 Luchtvaartwet afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 9 februari 2006 bezwaar gemaakt.

Bij diezelfde brief heeft eiser verweerder verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechter.

Bij brief van 27 februari 2006 heeft verweerder ingestemd met voormeld verzoek en inhoudelijk gereageerd op het bezwaar van eiser.

Het college van burgemeester en wethouders heeft bij brief van 27 februari 2006 het bestreden besluit van 26 april 2005 ingetrokken.

Het beroep is behandeld ter zitting van 22 maart 2006, alwaar eiser in persoon is verschenen en alwaar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door L.J. Spilt, werkzaam bij de gemeente Edam-Volendam.

2. Overwegingen

2.1 Nu het college van burgemeester en wethouders het besluit van 25 april 2005 heeft ingetrokken, ligt dit besluit in deze procedure niet meer voor ter beoordeling van de rechtbank. Daarvoor in de plaats is getreden het primaire besluit van de burgemeester van 12 januari 2006, waarin hij heeft geweigerd de gevraagde verklaring van geen bezwaar te verlenen.

2.2 De rechtbank stelt vast dat eiser bij voormelde brief van 9 februari 2006 heeft verzocht om rechtstreeks beroep bij de administratieve rechter. Voorts stelt de rechtbank vast dat zich geen wettelijke weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 7:1a, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat onderhavige zaak geschikt is voor rechtstreeks beroep bij de administratieve rechter.

2.3 Ten aanzien van de rechtmatigheid van het besluit van 12 januari 2006 overweegt de rechtbank als volgt.

2.4 In artikel 14, eerste lid, Luchtvaartwet is bepaald dat het verboden is binnen Nederland:

a. met een luchtvaartuig op te stijgen of een luchtvaartuig te doen opstijgen anders dan van een luchtvaartterrein;

b. met een luchtvaartuig te landen of een luchtvaartuig te doen landen anders dan op een luchtvaartterrein;

c. een niet als luchtvaartterrein aangewezen terrein in te richten voor het opstijgen en landen van luchtvaartuigen.

Ingevolge het tweede lid van artikel 14 geldt het bepaalde in het eerste lid niet:

a. in de gevallen, aangegeven bij algemene maatregel van bestuur;

b. indien en voor zover Onze Minister ontheffing heeft verleend.

Voor het aanvragen van een ontheffing van het in artikel 14, eerste lid, Luchtvaartwet vervatte verbod, moet ingevolge artikel 158a Regeling Toezicht Luchtvaart (RTL) tenminste 21 dagen voor de eerste dag waarop het terrein zal worden gebruikt een daartoe strekkend verzoekschrift worden ingediend bij Onze Minister. In het tweede lid van artikel 158a RTL is - voor zover hier van belang - bepaald dat bij het verzoekschrift moeten worden overlegd een verklaring van geen bezwaar afgegeven door de burgemeester van de gemeente waarin het betrokken terrein is gelegen.

2.5 Een snorvliegtuig is een schermvliegtuig met hulpmotor. Eiser wil een ontheffing ex artikel 14, tweede lid, onder b, Luchtvaartwet, om gedurende één jaar een veld te kunnen gebruiken voor 100 vliegbewegingen met een snorvliegtuig, geldend voor hemzelf en twee gastvliegers, verdeeld over 25 niet aaneengesloten dagen. Tijdens de start en het wegvliegen wordt gebruik gemaakt van een snorvliegmotor. De landing is geluidloos. De landeigenaar heeft hiervoor al toestemming verleend. Gelet op het bepaalde in het tweede lid van artikel 158a RTL heeft eiser verweerder verzocht een verklaring van geen bezwaar te verlenen.

2.6 Verweerder heeft geweigerd een verklaring van geen bezwaar af te geven. Mede op grond van het advies van de politie Zaanstreek-Waterland is verweerder tot het oordeel gekomen dat het vliegen met een snorvlieger vanaf het betrokken terrein de verkeersveiligheid op de weg in gevaar kan brengen. Omdat de gewenste activiteit een spectaculair karakter heeft kan de aandacht van de weggebruikers worden afgeleid volgens verweerder. Verweerder vreest dat door het verlenen van medewerking aan eisers verzoek verkeersongevallen kunnen plaats vinden. Omdat het belang van de verkeersveiligheid zwaarder moet wegen dan het belang van eiser bij het verkrijgen van een verklaring om zijn hobby te kunnen uitoefenen, is verweerder niet tot verlening van de verklaring van geen bezwaar overgegaan.

2.7 Eiser kan zich niet met deze weigering verenigen en vordert van de burgemeester een verklaring van geen bezwaar. Eiser heeft betwist dat de verkeersveiligheid in gevaar wordt gebracht door het snorvliegen. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat het betrokken terrein 340 meter van de N244 afligt en dat het - gelet op verkeerssituaties ter plaatse - onwaarschijnlijk is dat op dat deel van de N244 100 kilometer per uur wordt gereden. Tevens ligt de uitvliegroute van de N244 af. Eiser heeft voorts aangevoerd dat er geen verband ligt tussen startende vliegtuigen en het in gevaar brengen van de verkeersveiligheid en eiser heeft hierbij gewezen op het feit dat veel grote luchthavens naast een rijksweg of een provinciale weg liggen. Bovendien is bij de terreinen waarvoor wel een ontheffing ex artikel 14 Luchtvaartwet is gegeven nooit enige melding gemaakt van het in gevaar brengen van de verkeersveiligheid. Tot slot heeft eiser aangeboden mee te willen werken aan het plaatsen van twee waarschuwingsborden langs de N244 gedurende de ontheffing.

2.8 De rechtbank merkt allereerst op dat de motivering van het bestreden besluit met name stoelt op het advies van de politie Zaanstreek-Waterland. In het rapport wordt geconcludeerd dat het stijgen en landen van een snorvliegtuig op het terrein aan de Oosterweg in Edam de verkeersveiligheid in gevaar zal brengen. In het rapport wordt gesteld dat het betreffende terrein parallel ligt aan de provinciale weg N244. Dit is een autoweg waarop dagelijks veel verkeersbewegingen plaats vinden en waarop een snelheidsregime van 100 kilometer per uur geldt. Omdat het beoogde terrein in de directe nabijheid van de voornoemde weg ligt waarbij er onbelemmerd zicht op dat terrein is, en het vliegen een spectaculair gebeuren is dat de aandacht trekt, zullen de vliegbewegingen de aandacht van de weggebruikers trekken waardoor de veiligheid op de weg in gevaar kan worden gebracht. Volgens de politie is dit een ontwikkeling die niet wenselijk is. De politie wijst verder op het feit dat blijkens de situatieschets slechts één aan- en uitvliegroute is aangegeven en dat deze routes parallel liggen aan de N244. Bij andere windrichtingen komen de aan- en uitvliegroutes anders te liggen en wellicht over de N244. Hierdoor is het aannemelijk dat de aandacht van de weggebruikers niet meer op de weg gericht zal zijn, maar op de vliegbewegingen, waardoor de veiligheid op de weg in gevaar kan worden gebracht. De politie heeft in het rapport van 30 november 2005 tevens gewezen op artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 op grond waarvan het verboden is om zich zodanig te gedragen dat de veiligheid op de weg in gevaar wordt gebracht of kan worden gebracht. Dit verbod richt zich tot een ieder en niet slechts tot weggebruikers.

2.9 Eiser heeft de conclusies uit dit rapport betwist. Hij heeft zijn standpunt dat de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht door de vliegactiviteiten echter niet onderbouwd met bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld een deskundig tegen-rapport. Gelet op de bekendheid met de lokale verkeerssituatie en de aanwezige deskundigheid op het terrein van de verkeersveiligheid bij de politie, ziet de rechtbank geen reden waarom verweerder bij zijn besluitvorming niet mocht uitgaan van het negatieve advies.

2.10 Gelet op de door eiser naar voren gebrachte grieven merkt de rechtbank nog op dat de politie er bij de beoordeling van het verzoek rekening mee heeft gehouden dat de afstand tussen het terrein en de N244 meer dan 300 meter bedraagt. Uit navraag bij de politie door verweerder is verder gebleken dat op het betreffende weggedeelte van de N244 in de praktijk 100 kilometer per uur wordt gereden. Eisers stelling dat de wet een minimum vlieghoogte boven de N244 voorschrijft van 150 meter en de nationale wetgever de door verweerder genoemde gevaren kennelijk niet ziet, hetgeen eiser sterkt in zijn overtuiging dat er geen sprake is van een gevaarlijke verkeerssituatie, onderschrijft de rechtbank niet. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde verklaring van geen bezwaar uitsluitend ziet op het landen en stijgen anders dan van een luchtvaartterrein. Nu ingevolge de toepasselijke regelgeving voor deze specifieke activiteit een ontheffing van de minister nodig is, is duidelijk dat de wetgever het noodzakelijk acht dat voor deze activiteiten een afzonderlijke afweging wordt gemaakt. En juist omdat in deze afweging de lokale omstandigheden een doorslaggevende rol kunnen spelen, kan aan een verleende ontheffing in een andere gemeente geen betekenis worden toegekend. Verweerder heeft in het kader van de openbare orde en veiligheid binnen zijn gemeente een eigen verantwoordelijkheid en hij dient terzake zijn eigen afweging te maken.

2.11 Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder bij de afweging van de belangen zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het persoonlijk (hobbymatig) belang van eiser niet opweegt tegen het zwaarwegend algemeen belang van de verkeersveiligheid, hetgeen heeft geleid tot een weigering de verklaring van geen bezwaar af te geven.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.Guinau, rechter, en op 13 april 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.