Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AW2427

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
122233 - KG ZA 06-107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

In een uitvoerig gemotiveerd verstekvonnis gaat de voorzieningenrechter in op de vraag of de voorschriften van de artikelen 111 en 112 Rv toepasselijk zijn op de kort gedingdagvaarding, en op de vraag wat de gevolgen voor de kort gedingdagvaarding zijn indien niet aan die voorschriften is voldaan, althans wanneer die voorschriften niet juist zijn toegepast.

De vordering zelf ziet op een drietal tussen de respectievelijke eisers als verzoeker en Spanje als verweerder uitgesproken beschikkingen, waarbij Spanje telkens is bevolen om de signalering van eisers in het Schengen Informatie Systeem daaruit te verwijderen. Aan de veroordeling van Spanje tot nakoming van die beschikkingen wordt een dwangsom verbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 122233/ KG ZA 06-107

Vonnis in kort geding van 19 april 2006

in de zaak van

1. J.S.P.,

wonende te [woonplaats],

2. I. DE L.,

wonende te [woonplaats],

3. D.C.M. DE W.,

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. J.K. Gaasbeek,

advocaten mrs. J. Pauw en M.J.G. Uiterwaal te Amsterdam,

tegen

HET KONINKRIJK SPANJE,

zetelend te Madrid, Spanje,

gedaagde,

niet verschenen.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling

het gevraagde verstek

2.1. Gedaagde is gedagvaard om te verschijnen “in persoon of vertegenwoordigd door een procureur”. Daarbij is niet vermeld het bepaalde in artikel 255 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dat de gedaagde niet kan verschijnen vertegenwoordigd door een gemachtigde die geen procureur is. De vraag is of de dagvaarding daarmee aan een gebrek lijdt dat nietigheid meebrengt en moet leiden tot het niet verlenen van verstek tegen gedaagde (vergelijk artikel 121 Rv). De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. De gewone regels van de dagvaardingsproce- dure gelden in kort geding voorzover daarvan in de wet niet uitdrukkelijk is afgeweken. De verplichting om - op straffe van nietigheid (artikel 120 lid 1 Rv) - in de dagvaarding de wijze waarop de gedaagde in het geding moet verschijnen te vermelden is voor de dagvaardingsprocedure wijze geregeld in artikel 111 lid 2 sub h. en sub g. Rv.

Die bepalingen houden onder meer in dat in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen vermeld moet worden dat de gedaagde vertegenwoordigd door een procureur moet verschijnen en in zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen vermeld moet worden dat de gedaagde in persoon of vertegenwoordigd door een gemachtigde moet verschijnen. Die bepalingen vermelden echter niet dat in de situatie dat de eiser bij procureur moet verschijnen, maar de gedaagde in persoon kan verschijnen - zoals in kort geding voor de voorzieningenrechter het geval is - tevens vermeld moet worden dat de gedaagde niet kan verschijnen vertegenwoordigd door een gemachtigde die geen procureur is. Nu het niet vermelden in de dagvaarding van het bepaalde in artikel 255 lid 1 Rv op zich niet met nietigheid is bedreigd, kan het feit dat in het onderhavige geval in de dagvaarding niet is vermeld dat gedaagde niet kan verschijnen vertegenwoordigd door een gemachtigde die geen procureur is, niet tot nietigheid van de dagvaarding leiden. Daarenboven kan nog worden opgemerkt dat een toevoeging in de dagvaarding in een kort geding voor de voorzieningenrechter dat de gedaagde niet kan verschijnen bij gemachtigde die geen procureur strikt genomen overbodig is, nu de vermelding dat de gedaagde in persoon of bij procureur moet verschijnen dat reeds impliceert.

2.2. Voorts is in de dagvaarding aangezegd dat “indien gedaagde niet uiterlijk op de genoemde zitting bij procureur verschijnt, de rechtbank tegen haar verstek zal verlenen”. Deze aanzegging is, omdat gedaagde ook in persoon kan verschijnen, in zoverre onvolledig en daarmee niet juist. Nu echter voorafgaand aan deze aanzegging vermeld is dat gedaagde in persoon of bij procureur kan verschijnen en de hier aan de orde zijnde aanzegging (op grond van het bepaalde in artikel 111 lid 2 sub i. j? 139 Rv) omtrent de rechtsgevolgen die intreden indien de gedaagde niet op de voorgeschreven wijze in het geding verschijnt op zich die gevolgen op juiste wijze vermeldt, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook op dit punt geen sprake van nietigheid.

2.3. In de dagvaarding is in overeenstemming met artikel 112 Rv medegedeeld dat bij verschijning een vast recht zal worden geheven, alsmede de hoogte daarvan. De daarbij vermelde hoogte van het vast recht bedraagt EUR 244,- terwijl dit voor de gedaagde in kort geding sedert 1 februari 2006 EUR 248,- is. Nu de dagvaarding wel de hoogte van het vast recht dat bij verschijning zal worden geheven vermeld, zij het niet de juiste hoogte, kan ook niet worden gezegd dat op dit punt sprake is van nietigheid. Dat kan overigens anders zijn indien in de dagvaarding een hoger bedrag wordt vermeld dan bij verschijning van de gedaagde feitelijk zal worden geheven. Een (te) hoog vast recht zou de gedaagde er immers van kunnen weerhouden om te verschijnen. De vermelding van een te laag bedrag kan in het geval de gedaagde wel verschijnt alleen gevolgen hebben voor (de hoogte van) de kostenveroordeling, in de zin dat daarbij wordt bepaald dat hetgeen bij de gedaagde meer aan vastrecht wordt geheven dan de in de dagvaarding staat vermeld voor rekening van de eiser komt.

2.4. Nu voor het overige de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, zal het gevraagde verstek zal worden verleend.

2.5. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat het ter zitting door eisers impliciet gedane beroep op het bepaalde in artikel 66 Rv - eisers hebben betoogd dat gedaagde door bovenvermelde verzuimen niet onredelijk is benadeeld - niet opgaat. Dit artikel heeft betrekking op de betekeningsvoorschriften van de zesde afdeling van titel 1, boek 1 Rv, en niet op de vermeldingen in de dagvaarding waarop de vierde afdeling van titel 2 van boek 1 Rv ziet.

de vorderingen zelf

2.6. De vordering van eisers strekt er in de eerste plaats toe om gedaagde te veroordelen de signaleringen van eisers in het Schengen Informatie Systeem (hierna: SIS) daaruit te verwijderen. Die signaleringen zijn gedaan nadat eisers in 1993 zijn aangehouden in Salou, Spanje op verdenking van strafbare feiten waarvoor eisers niet zijn veroordeeld.

2.7. Bij beschikking d.d. 10 november 2005 van de rechtbank Alkmaar is bepaald dat gedaagde zal bewerkstelligen dat de signalering van eiseres sub 3 wordt verwijderd. Bij beschikkingen d.d. 6 december 2005 van de rechtbank Haarlem is gedaagde geboden de signaleringen van eisers sub 1 en sub 2 te verwijderen. Gelet op deze beschikkingen ontbreekt het eisers aan belang bij hun hoofdvordering, die dus in zoverre niet toewijsbaar is. De voorzieningenrechter zal echter op grond van het navolgende - het mindere toewijzend - gedaagde veroordelen tot nakoming van de beschikkingen, op straffe van verbeurte van een dwangsom zoals gevorderd. Hiertoe is het navolgende redengevend.

2.8. Voldoende aannemelijk is dat gedaagde tot op heden weigert uitvoering te geven aan bovenvermelde beschikkingen, terwijl eisers daarbij een zwaarwegend en spoedeisend belang hebben.

2.9. Het belang van eisers vloeit ten eerste voort uit de schending door gedaagde van artikel 111 lid 2 van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst (SUO), waar is bepaald dat de Overeenkomstsluitende Partijen zich ertoe verbinden wederzijds de onherroepelijke beslissingen van de in artikel 111 lid 1 SUO bedoelde rechters ten uitvoer te leggen. De beschikkingen van de rechtbank Alkmaar en de rechtbank Haarlem zijn zulke beslissingen en gesteld noch gebleken is dat gedaagde tegen die beschikkingen hoger beroep heeft ingesteld binnen de termijn van artikel 358 lid 2 Rv. Het moet er voorshands dus voor gehouden worden dat die beschikkingen onherroepelijk zijn geworden als bedoeld in artikel 111 lid 2 SUO. Mitsdien is gedaagde gehouden uitvoering te geven aan die beschikkingen.

2.10. Ten tweede is voldoende aannemelijk, reeds omdat gedaagde de stellingen van eisers onweersproken heeft gelaten, dat eisers ernstig in hun bewegingsvrijheid worden beperkt doordat gedaagde weigert meergenoemde beschikkingen na te leven. Eisers hebben onweersproken gesteld dat telkens wanneer zij op de luchthaven Schiphol of bij routinecontroles worden staande gehouden, zij op basis van de signalering in het SIS enige tijd worden vastgehouden. Dit levert, gelet op de inhoud van meergenoemde beschikkingen, tegenover eisers schending van artikel 5 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) op.

2.11. Voorts is belang dat op de verzoeken van eisers die hebben geleid tot de beschikkingen van de rechtbank Alkmaar en de rechtbank Haarlem, de verzoekschriftprocedure van de eerste afdeling van Titel 3, boek 1 Rv toepasselijk is. De verplichting tot nakoming van een in een dergelijke procedure uitgesproken veroordeling is van burgerrechtelijke aard, zodat aan die verplichting een dwangsom kan worden verbonden.

2.12. De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede nog dat aan hetgeen eisers hebben gesteld omtrent immuniteit van gedaagde, kan worden voorbijgegaan. Met betrekking tot immuniteit van jurisdictie, waarop de stellingen van eisers klaarblijkelijk zien, geldt immers dat indien de Nederlandse rechter ter zake van een hem voorgelegd geschil in beginsel rechtsmacht toekomt, hij het heeft te berechten, óók als de verweerder een soevereine staat is, behoudens voorzover de verweerder tijdig een gegrond beroep op het privilege van jurisdictionele immuniteit heeft gedaan. Voor een ambtshalve onderzoek naar de vraag of de omstandigheden van het gegeven geval een dergelijk beroep wettigen, is dus geen plaats (HR 25-11-1994, NJ 1994, 329). Ook dit brengt mee, naast hetgeen hierover onder 2.11 is overwogen, dat de gevorderde dwangsom toewijsbaar is. Aan de vraag naar immuniteit van executie van gedaagde met betrekking tot de te verbeuren dwangsommen behoeft in dit stadium niet te worden toegekomen.

2.13. Aan de veroordeling zal een termijn van een maand na betekening worden verbonden, teneinde in zoverre executiegeschillen te voorkomen. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat voorstelbaar is dat na die betekening enige tijd nodig is om in Spanje daadwerkelijk gevolg te kunnen geven aan de veroordeling.

2.14. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eisers worden begroot op:

- dagvaarding EUR 184,25

- vast recht 248,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.248,25

Omdat eiseres sub 3 met een toevoeging procedeert, zal dit bedrag aan de griffier moeten worden betaald.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter,

3.1. verleent verstek tegen gedaagde;

3.2. veroordeelt gedaagde om binnen een maand na betekening van dit vonnis uitvoering te geven aan de beschikking van de rechtbank Alkmaar d.d. 10 november 2005 gewezen tussen eiseres sub 3 en gedaagde (zaaknummer 79543/HA RK 05-14) en aan de beschikkingen van de rechtbank Haarlem d.d. 6 december 2005 tussen eiseres sub 2 en gedaagde gewezen (zaaknummer 111842/HA RK 05-44) en tussen eiser sub 1 en gedaagde gewezen (zaaknummer 116656/HA RK 05-96);

3.3. bepaalt dat gedaagde voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in strijd handelt met het onder 3.2 bepaalde, aan eisers een dwangsom verbeurt van EUR 10.000,00, tot een maximum van EUR 500.000,00;

3.4. veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op EUR 1.248,25, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.833 ten name van arrondissement Haarlem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer;

3.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2006.?