Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AW0848

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
11-04-2006
Zaaknummer
110703 - HA ZA 05-348
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Non-conformiteit. Klachttermijn artikel 7:23 lid 1 BW. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente niet tijdig heeft geklaagd ten aanzien van de door haar gestelde gebreken van de aangeschafte vuilniswagens. Een termijn van twee maanden wordt in dit verband redelijk geacht, mede gelet op de bij de gemeente aanwezig geachte juridische kennis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 289

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 5 april 2006

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 110703 / HA ZA 05-348 van

de publiekrechtelijke rechtspersoon de GEMEENTE HAARLEM,

gevestigd te Haarlem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. H.K. Garvelink,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRANSLAST BEDRIJFSWAGENS B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Velsen-Noord, gemeente Velsen,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. E.F. Seunke,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 115793 / HA ZA 05-1095 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRANSLAST BEDRIJFSWAGENS B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Velsen-Noord, gemeente Velsen,

eiseres in vrijwaring,

procureur mr. E.F. Seunke,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAN TRUCK & BUS B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Vianen,

gedaagde in vrijwaring,

procureur mr. J.F. van Halderen,

advocaat mr. R. Imhof te Utrecht.

Partijen zullen hierna de gemeente, Translast en Man genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het vrijwaringsincident van 29 juni 2005

- de conclusie van antwoord en eis in reconventie

- de conclusie van repliek en antwoord in reconventie

- de conclusie van dupliek en repliek in reconventie

- de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

3.1. Op 7 juli 1998 heeft Man een presentatie gehouden voor medewerkers van de gemeente over onder meer aardgastrucks.

3.2. Op 26 januari 2000 heeft Translast aan de gemeente een offerte uitgebracht voor drie stuks Man F 2000 4x2 chassis-cabine met asymmetrische paraboolachtervering, type 19.233 FK-CNG met een wielbasis van 3800 mm en een breedte van minder dan 2380 mm. De totaalprijs per voertuig bedraagt ƒ 217.500,-- (EUR 98.697,20). Een verlenging van de wielbasis naar 4000 mm kost extra ƒ 3.000,-- (EUR 1.361,34). Volgens het begeleidende specificatieblad is bij een wielbasis van 3800 mm het totale bruto laadvermogen van een dergelijke chassis-cabine 12 635 kilo.

3.3. Per brief van 3 februari 2000 heeft R.D. F. (hierna: F.), het hoofd van de Afdeling Reiniging, Afvalverwijdering en Technische Dienst (hierna: RATD), namens de gemeente aan Translast opdracht gegeven drie chassis te leveren conform voornoemde offerte. In de brief staat vermeld dat de wielbasis 4000 mm en de breedte minder dan 2380 mm dient te zijn, zodat de stukprijs is ƒ 220.500,--(EUR 100.058,54), exclusief 17,5 % BTW.

3.4. Op 5 juli 2000 heeft Translast aan de gemeente een offerte uitgebracht voor de levering van (nog eens) twee stuks Man F 2000 4x2 chassis-cabines met paraboolachtervering, type 19.233 FK-CNG met dezelfde specificaties als de offerte van 26 januari 2000. In de begeleidende brief staat vermeld dat op alle aanbiedingen van Translast haar algemene verkoop-, reparatie- en onderhoudsvoorwaarden van toepassing zijn, zoals deze zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Haarlem.

3.5. Per brief van 12 juli 2000 heeft N.A. B., directeur van de RATD, namens de gemeente Translast opdracht gegeven twee chassis te leveren conform de offerte van 5 juli 2000 met een wielbasis van 4000 mm en een breedte van minder dan 2380 mm. De prijs per stuk bedraagt dan eveneens ƒ 220.500,--, exclusief 17,5 % BTW.

3.6. Alle vijf bestelde chassis rijden op aardgas. Voordat de chassis aan de gemeente zijn geleverd, zijn vier chassis door de firma Haller voorzien van een laadinstallatie voor rolemmers en een trommel met bijbehorende mechanieken. Het vijfde chassis is door de firma Geesink voorzien van een opbouw voor het ophalen van bedrijfsafval.

3.7. Bij afzonderlijke facturen van 21 november 2000 heeft Translast aan de gemeente twee chassis gefactureerd, elk voor een bedrag van ƒ 259.087,50 (EUR 117.568,78) inclusief 17,5% BTW. Vervolgens heeft Translast bij afzonderlijke facturen van 9 januari 2001 de overige drie chassis gefactureerd, elk voor een bedrag van ƒ 262.395,-- (EUR 119.069,66) inclusief 19% BTW.

3.8. De eerste vier chassis met opbouw (hierna: wagens) zijn bij de gemeente afgeleverd op respectievelijk 20 maart 2001, 24 april 2001, 23 juli 2001 en 21 augustus 2001. De gemeente heeft de vijfde wagen van Translast afgenomen op 10 december 2002.

3.9. Op dinsdag 23 en woensdag 24 oktober 2001 heeft een inspecteur van de Arbeidsinspectie een inspectie uitgevoerd bij de afvalinzameldienst van de RATD en een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwetgeving geconstateerd inzake het gebruik van vier van de voornoemde huisvuilwagens. Vervolgens heeft de inspecteur op 24 oktober 2001 F. bevolen dat de werkzaamheden met de huisvuilwagens niet mogen aanvangen in verband met ernstig gevaar voor personen dat zij van de treeplank kunnen vallen wanneer zij daarop staan en er met de voertuigen wordt gereden. Dit bevel is schriftelijk aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente bevestigd bij brief van 24 oktober 2001.

3.10. Op 9 maart 2002 heeft TNO Wegtransportmiddelen (hierna: TNO) op verzoek van de gemeente een onderzoeksvoorstel aangeleverd met als titel ‘Vergelijking van de versnellingsspectra op de achtertreeplank van drie type vuilnisophaalwagens van de gemeente Haarlem’.

3.11. Op 17 juni 2002 heeft TNO een rapport uitgebracht onder de titel ‘Vergelijkend onderzoek naar het frequentiespectrum van de verticale versnelling op de treeplank van drie verschillende vuilnisophaalwagen’. Voor het onderzoek heeft TNO metingen uitgevoerd naar de optredende versnellingen op de treeplank van drie verschillende vuilnisophaalwagens: een van de nieuwe MAN-wagens met originele bladvering, een van de nieuwe MAN-wagens met aangepaste bladvering en een oude Volvo-wagen met luchtvering. TNO rapporteert onder meer het volgende:

“Uit de vermogensdichtheidsspectra is duidelijk vast te stellen dat de versnellingen ter plaatse van de treeplank tussen de twee MAN voertuigen en de Volvo significant verschillen. De karakteristiek bij de beide MAN voertuigen is vooral rond de 2 Hz groter dan bij de Volvo. Als de MAN voertuigen met elkaar vergeleken worden is er tussen de originele en de aangepaste MAN weinig verschil te constateren. [...] Juist de trilling bij 2 Hz met zo grote energie inhoud kan op het menselijk lichaam als vervelend worden ervaren.

De klachten van het personeel kunnen op grond van de bovengenoemde conclusie als terecht worden beschouwd. [...] Voor de duidelijkheid moet worden gesteld dat de resultaten alleen in vergelijkende zin kunnen worden beoordeeld. Met deze resultaten kan niet in absolute getallen worden aangegeven welke karakteristiek nu goed, minder goed of slecht is.”

3.12. Met daartoe verkregen verlof heeft de gemeente op 16 februari 2005 conservatoir derdenbeslag laten leggen onder de ABN AMRO Bank ten laste van Translast. Tevens is op 16 februari 2005 beslag gelegd op acht vrachtwagens en een bestelbus van Translast en op 26 februari 2005 op een bestelwagen van Translast. Nadat Translast een bankgarantie heeft gesteld, zijn de beslagen opgeheven.

4. Het geschil

in de hoofdzaak in conventie

4.1. De gemeente vordert na vermindering van eis - samengevat - veroordeling van Translast tot betaling van EUR 465.552,83 vermeerderd met rente en kosten, de kosten van de beslaglegging daaronder begrepen.

4.2. De gemeente heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de vijf door Translast geleverde chassis non-conform zijn, omdat deze niet de eigenschappen bezitten die de gemeente mocht verwachten en die voor het (bijzonder) gebruik als vuilniswagen nodig zijn. Volgens de gemeente beschikken de vuilniswagens over minder laadvermogen dan overeenkomt met de bestelling en ondervinden de beladers lichamelijke klachten omdat zij bij het passeren van oneffenheden in het wegdek als het ware gelanceerd worden van de plateaus achter op de wagen. De gemeente stelt zich op het standpunt dat Translast aldus jegens haar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen op grond van de koopovereenkomst van de chassis en dat Translast gehouden is de schade te vergoeden die daaruit voortvloeit.

4.3. Translast voert primair het verweer dat de gemeente niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd als bedoeld in artikel 7:23 lid 1 BW. Subsidiair is de vordering van de gemeente volgens Translast verjaard op grond van het tweede lid van dat artikel, omdat de gemeente niet binnen twee jaar na de kennisgeving van de klacht een rechtsvordering heeft ingesteld. Meer subsidiair betwist Translast dat zij in gebreke is gesteld. Voor het overige betwist Translast dat zij jegens de gemeente tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst en dat de gemeente aan Translast toe te rekenen schade heeft geleden.

4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de hoofdzaak in reconventie

4.5. Translast vordert na vermeerdering van eis – samengevat – veroordeling van de gemeente tot betaling van EUR 25.189,75 vermeerderd met rente en tot betaling van de wettelijke rente over een bedrag van EUR 195.500,- vanaf 17 juni 2005 tot aan de datum waarop dat bedrag weer ter vrije beschikking van Translast komt. Tevens vordert Translast veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding in reconventie.

4.6. De gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

4.7. Translast vordert - samengevat - dat Man wordt veroordeeld om aan Translast te betalen al hetgeen waartoe Translast jegens de gemeente in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van Man in de kosten van de hoofdzaak en de vrijwaring.

4.8. Man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in de hoofdzaak in conventie

5.1. Tussen partijen staat vast dat de gemeente in september 2001 bij Translast heeft geklaagd dat de chassis niet aan de overeenkomst voldoen. De gestelde gebreken betroffen een lager laadvermogen van de wagens dan was overeengekomen en stugheid van de vering tengevolge waarvan beladers bij het passeren van oneffenheden in het wegdek als het ware gelanceerd worden, waardoor hun gestel steeds “klappen” oploopt dat leidt tot pijn aan knieën, heupen en rug en waardoor de kans bestaat dat zij van de plateaus afvallen (hierna ook: het lanceereffect).

5.2. Voor de beoordeling van het primaire verweer van Translast dat de gemeente zich niet binnen bekwame tijd op de gebreken heeft beroepen is van belang vast te stellen wanneer de klachttermijn is aangevangen. Deze wordt bepaald door het tijdstip waarop de gemeente wist of behoorde te weten dat de chassis gebreken vertoonden.

Vast staat dat de eerste wagen op 20 maart 2001 aan de gemeente is geleverd en in gebruik is genomen. Een tweede identieke wagen is op 24 april 2001 in gebruik genomen.

5.3. De gemeente heeft gesteld dat het lagere laadvermogen in september 2001 aan het licht is getreden en dat de eerste gezondheidsklachten van de beladers haar na aflevering van de tweede wagen rond begin mei 2001 hebben bereikt, maar dat deze te weinig specifiek waren om te weten waaraan zij te wijten waren. Voorts dat er een groot verloop bij de beladers van de wagens was, terwijl de gemeente in het voorjaar en de zomer van 2001 veel gebruik heeft gemaakt van uitzendkrachten, die nu eenmaal niet snel klagen en eerder geneigd zijn op zoek te gaan naar ander uitzendwerk.

5.4. Deze stellingen kunnen de gemeente niet baten. Indien de wagens een geringer laadvermogen hadden dan besteld was, had dat, zoals Translast terecht stelt, vanaf de eerste dag van het gebruik voor de gemeente waarneembaar moeten zijn. Volgens haar eigen stelling leidt een geringer laadvermogen immers tot de noodzaak een wagen eerder te lossen op de stortplaats, tengevolge waarvan het vuil ophalen veel meer tijd kost en meer brandstof wordt verbruikt dan bij een normaal laadvermogen. Ook indien het geringer laadvermogen niet aanstonds zichtbaar zou zijn geweest, had de gemeente reeds bij aflevering van de eerste vuilniswagen kunnen weten dat het laadvermogen feitelijk minder was dan 8.000 kg. Uit het voor de eerste vuilniswagen afgegeven en overgelegde kentekenbewijs van 19 maart 2001 blijkt namelijk dat het laadvermogen van die wagen 5.990 kg is. Daarnaast had de gemeente dit gebrek eerder behoren te kennen dan eerst in september 2001. Uit de presentatie van Man kan worden afgeleid dat het laadvermogen van de chassis met de opbouw van Haller 7.800 kg is en van het chassis met de opbouw van Geesink 8.100 kg. Echter, de gemeente had niet eerder met dit type wagens gewerkt en had voor de productie daarvan behalve met Translast tevens met Haller en Geesink gecontracteerd, zodat het eindresultaat – ook wat betreft het laadvermogen- afhankelijk was van drie verschillende partijen en hun prestaties. Die omstandigheden in aanmerking genomen, mocht de gemeente er niet vanuit gaan dat de wagens uiteindelijk exact overeen zouden komen met de gegevens over het laadvermogen zoals in eerste instantie door Man gepresenteerd. De gemeente had ter zake een onderzoeksplicht. In dat kader had zij om te beginnen de kentekenbewijzen dienen te bekijken. Daarop is immers het toegestane laadvermogen vermeld. Het komt voor risico van de gemeente dat zij heeft nagelaten aan haar onderzoeksplicht te voldoen. De conclusie is dat de gemeente het door haar gestelde gebrek na aflevering van de eerste wagen had kunnen en behoren te kennen.

5.5. Aannemende dat de gezondheidsklachten van de beladers juist zijn (het “lanceereffect”), zijn deze dermate ernstig, dat zij eveneens vanaf de eerste dag van het gebruik van de eerst geleverde wagen waarneembaar moeten zijn geweest. Het feit dat de inspecteur van de Arbeidsinspectie de directeur van de RATD op 24 oktober 2001 heeft bevolen de werkzaamheden met deze wagens te staken in verband met ernstig gevaar voor personen dat zij van de treeplank kunnen vallen wanneer zij daarop staan en er met de wagens wordt gereden, onderstreept de ernst van de klacht. Ook indien moet worden aangenomen dat de aard en de ernst van de klachten aanvankelijk voor de gemeente te weinig specifiek zouden zijn geweest, ontslaat zulks de gemeente niet van haar onderzoeksplicht. De gemeente was na jaren van voorbereiding en oriëntatie op de markt, overgegaan tot de aanschaf van dit nieuwe type vuilniswagen, dat, anders dan de voorheen gebruikte wagens, op wens van de gemeente voorzien was van een door aardgas aangedreven motor en van een, in verband daarmee noodzakelijkerwijs niet met luchtvering maar met een asymmetrische parabool uitgevoerde achtervering, alsmede van een smal chassis met het oog op de nauwe straten in de binnenstad van Haarlem. Voornoemde omstandigheden vergden van de gemeente de plicht om, zoal niet meteen na aflevering de eerste wagen te (doen) testen, dan toch in ieder geval, nadat er begin mei 2001 gezondheidsklachten van de werknemers kwamen, deze meteen te (laten) onderzoeken. Het komt voor haar risico dat zij daar pas op een later tijdstip toe is overgegaan. Het feit dat er in het begin van het gebruik (ook) veel problemen zijn geweest met de vulpunten van de aardgaswagens en dat zij daardoor vaak aan de kant zijn blijven staan maakt dat niet anders. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gemeente na aflevering van de eerste wagen althans begin mei 2001 dit gebrek, dat naar zij stelt voortkwam uit een constructiefout, had behoren te ontdekken.

5.6. Vervolgens moet worden beoordeeld of de gemeente Translast binnen bekwame tijd op de hoogte heeft gesteld van de klachten.

Ten aanzien van beide door de gemeente gestelde gebreken geldt dat de gemeente, gelet op de hiervoor overwogen omstandigheden, deze direct na de levering van de eerste wagen en in ieder geval in mei 2001 had behoren te ontdekken. De gemeente beschikt over juridisch geschoolde ambtenaren, waarvan verwacht mag worden dat zij weten dat bij non-conformiteit binnen bekwame tijd moet worden geklaagd. Een termijn van twee maanden na de eerste aflevering althans na begin mei 2001 is in dat verband redelijk. De gemeente had derhalve Translast uiterlijk op 21 mei althans begin juli 2001 van de gebreken in kennis moeten stellen. Haar beroep op de gebreken was in september 2001 derhalve vervallen.

5.7. Aangezien uit de stukken blijkt dat het derde en vierde chassis die respectievelijk op 23 juli 2001 en 21 augustus 2001 zijn geleverd, hetzelfde zijn als de eerste twee geleverde chassis en gesteld is dat de constructiefouten zich bij alle chassis voordoen, is er geen reden om klachten daarover uit te stellen tot de daadwerkelijke levering van elk chassis afzonderlijk, zodat de klachttermijn ten aanzien van het derde en vierde chassis aanvangt nadat het eerste chassis was afgeleverd en op 21 mei althans begin juli 2001 afloopt. Dat is niet anders ten aanzien van het vijfde op 10 december 2002 geleverde chassis. Uit de stukken blijkt niet hoeveel laadvermogen de vijfde wagen heeft. Aannemende dat dit het chassis met opbouw van Geesink is, is het laadvermogen gelet op de berekeningen van Geesink in elk geval minder dan 8.000 kg. Het lanceereffect zou, ongeacht de opbouw hetzelfde moeten zijn, aangezien dat wordt veroorzaakt door de vering in het chassis.

5.8. De slotsom is dat het primaire verweer van Translast doel treft en dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

5.9. De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Nu Translast voldoende belang had bij het instellen van de vordering in vrijwaring, dient de gemeente ook te worden veroordeeld in de kosten van het vrijwaringsincident en de kosten waarin Translast in de zaak in vrijwaring zal worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Translast worden begroot op:

- vast recht EUR 4.584,00

- overige kosten 5.488,00

- salaris procureur 452,00 (1,0 punten x factor 1,0 x tarief EUR 452,00)

- salaris procureur 5.160,00 (2,0 punten × factor 1,0 × tarief EUR 2.580,00)

Totaal EUR 15.684,00

In de hoofdzaak in reconventie

5.10. Translast grondt haar vordering tot betaling van stallingskosten van de chassis op artikel 3.1. van de Algemene Voorwaarden, waarvoor zij de gemeente op 1 oktober 2002 een factuur ten bedrage van EUR 18.980,50 heeft gezonden. Nu de gemeente de toepasselijkheid van deze voorwaarde niet heeft betwist, is zij stallingskosten verschuldigd. Eerst in deze procedure heeft zij bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het gedeclareerde dagtarief. Dat bezwaar wordt verworpen nu niet gesteld of gebleken is dat het gefactureerde dagtarief voor een dergelijk chassis afwijkt van het normale in het bedrijf van Translast geldende tarief. Het gevorderde bedrag vermeerderd met de wettelijke rente en verhoogd met 2% krachtens het bepaalde en niet betwiste artikel 2.4 van de Algemene Voorwaarden wordt derhalve toegewezen.

5.11. Ook de door Translast gevorderde kosten van EUR 1.995,- ter zake van het stellen van een bankgarantie in verband met het opheffen van het conservatoir beslag door de gemeente worden toegewezen, aangezien de vordering van de gemeente in conventie wordt afgewezen en genoemd beslag derhalve ten onrechte is gelegd. De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf de dag dat de bankgarantie is gesteld, 17 juni 2005, en schade is geleden.

Translast vordert voorts de wettelijke rente over het bedrag van de bankgarantie van

EUR 195.000,-. Dit onderdeel van de vordering kan niet worden toegewezen, nu onvoldoende is gesteld of gebleken dat renteschade is geleden en zo ja, wat de omvang is van die schade.

5.12. De door Translast gevorderde advocatenkosten zijn niet toewijsbaar. De door Translast overgelegde declaraties van haar advocaat bevatten werkzaamheden ter instructie van de zaak, waarvan de vergoeding is ingesloten in het forfaitaire tarief van de artikelen 237- 239 Rv.

5.13. De gemeente zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Translast worden begroot op salaris procureur EUR 579,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 579,00).

in de vrijwaringszaak

5.14. Nu de vordering in de hoofdzaak niet toewijsbaar is gebleken, moet de vordering in de zaak in vrijwaring worden afgewezen.

5.15. Translast zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Man worden begroot op:

- vast recht 4.584,00

- salaris procureur 904,00 (2 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 5.488,00

6. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak in conventie

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt de gemeente in de proceskosten, aan de zijde van Translast tot op heden begroot op EUR 15.684,00,

6.3. verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak in reconventie

6.4. veroordeelt de gemeente om aan Translast te betalen een bedrag van

EUR 18.980,50, vermeerderd met de wettelijke rente plus 2% vanaf 15 oktober 2002 en voorts te betalen een bedrag van EUR 1.955,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2005, telkens tot de dag van volledige betaling,

6.5. veroordeelt de gemeente in de proceskosten, aan de zijde van Translast tot op heden begroot op EUR 579,00,

6.6. verklaart dit vonnis in deze zaak uitvoerbaar bij voorraad,

6.7. wijst af het meer of anders gevorderde,

in de vrijwaringszaak

6.8. wijst de vordering af,

6.9. veroordeelt Translast in de proceskosten, aan de zijde van Man tot op heden begroot op EUR 5.488,00,

6.10. verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Coyajee-Kappers en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2006.?