Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AV9500

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
18-04-2006
Zaaknummer
05/2121
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te laat ingediende bezwaren door inspecteur terecht niet-ontvankelijk verklaard. Beroep op de arresten C-188/95 (Fantask) en C-208/90 (Emmott) treft geen doel. Blijkens HR 23/1/2004, 38653, treft het beroep op de zaken C-397/98 en C-410/98 (Metallgesellschaft e.a.) evenmin doel. Voorts zijn de onderhavige besluiten niet definitief geworden ten gevolge van een uitspraak van de hoogste nationale rechter: geen beroep mogelijk op C-453/00 (Kühne & Heitz).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2006-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0767

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/2121

Uitspraakdatum: 4 april 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

de fiscale eenheid X B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Eiseres heeft over de tijdvakken oktober 2001 tot en met december 2003 27 aangiften omzetbelasting gedaan, alle resulterend in een verzoek om teruggaaf. Verweerder heeft bij 27 afzonderlijke beschikkingen beslist op voormelde verzoeken om teruggaaf. De dagtekeningen van deze 27 beschikkingen lopen van 14 december 2001 tot en met 28 februari 2004.

Bij brief van 14 maart 2005 heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend tegen de aangifte omzetbelasting van 31 januari 2005, in welk bezwaarschrift eiseres verweerder tevens heeft verzocht ambtshalve vermindering te verlenen over het tijdvak 2000 tot en met 2003, alsmede over het tijdvak juni 2004. Verweerder heeft voormelde brief opgevat als twee bezwaarschriften tegen respectievelijk de ingediende aangiften betreffende het tijdvak 2000 tot en met 2003 en de ingediende aangiften betreffende het jaar 2004. Bij uitspraak van 3 juni 2005 heeft verweerder het bezwaar met betrekking tot de jaren 2000 tot en met 2003 niet-ontvankelijk verklaard. De motivering van deze uitspraak is door verweerder aan eiseres toegezonden bij brief van 20 april 2005. Daarbij heeft verweerder eiseres meegedeeld dat hij geen aanleiding ziet de aangiften ambtshalve te herzien.

Eiseres heeft bij brief van 24 mei 2005 beroep ingesteld tegen het besluit als verwoord in de brief van 20 april 2005. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd. Op 21 december heeft eiseres bij de rechtbank een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2006. Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigden A, B, C en D. Van de zijde van verweerder zijn verschenen

E en F. Verweerder heeft ter zitting uitdraaien overgelegd waarop de door eiseres over de tijdvakken oktober 2001 tot en met december 2002 gedane aangiften staan vermeld, alsmede de door verweerder daarop gegeven beschikkingen. Eiseres heeft van deze stukken kennis kunnen nemen en heeft zich daarover kunnen uitlaten. De rechtbank rekent alle overgelegde bescheiden tot de stukken van het geding.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres exploiteert een groothandel in onder meer was-, poets- en reinigingsmiddelen. Zij is als zodanig ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet.

2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres sinds 1 juli 2001 een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Wet vormt en dat de aangiften over de tijdvakken januari 2000 tot en met juni 2001 door een andere belastingplichtige dan eiseres zijn ingediend. Over de tijdvakken juli 2001 tot en met september 2001 heeft eiseres aangiften omzetbelasting tot een bedrag van nihil gedaan. Bij de hiervoor onder 1. genoemde 27 beschikkingen ter zake van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken 1 oktober 2001 tot en met december 2003 heeft verweerder telkens overeenkomstig de ingediende aangiften teruggaaf verleend.

2.3. De behandeling van het bezwaarschrift tegen de ingediende aangiften betreffende het jaar 2004 is aangehouden in afwachting van de uitkomst van landelijk gecoördineerde proefprocedures.

3. Het geschil

In geschil is in de eerste plaats of eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar met betrekking tot de jaren 2000 tot en met 2003. Bij ontkennende beantwoording van deze vraag is in geschil of eiseres recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting.

4. Standpunten van partijen

4.1. Eiseres stelt dat zij ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar. Zij voert daartoe aan dat de niet-ontvankelijkverklaring in strijd is met het gemeenschapsrecht, aangezien daarin onder meer is bepaald dat aan Europese jurisprudentie terugwerkende kracht kan worden toegekend en dat ondernemingen het recht moeten hebben een beslissing van het Hof van Justitie EG (hierna: HvJ) die hen in hun rechtspositie raakt, te effectueren, zelfs als men daarvoor nationale bezwaar- en beroepstermijnen moet doorbreken. Volgens eiseres is haar zaak te rangschikken onder de door het HvJ en door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) gecreëerde categorieën van uitzonderingen op grond waarvan een beschikking moet kunnen worden "opengebroken".

In de eerste categorie gaat het om situaties waarbij de staat ten opzichte van haar burger niet legitiem heeft gehandeld. Als voorbeelden noemt eiseres onder meer het arrest C-208/90 van het HvJ (Emmott) en de zaken 49217 en 49218/99 van het EHRM (Cabinet Diot en Gras Savoye).

Als tweede categorie noemt eiseres zaken waarbij een burger in het kader van zijn rechtsbescherming niet alle mogelijke stappen heeft doorlopen, omdat die voorshands zinloos zouden zijn. Eiseres heeft hierbij het oog op het arrest C-397/98 en C-410/98 van het HvJ (Metallgesellschaft e.a.), alsmede op het arrest van 16 april 2002, nr. 36677/97, van het EHRM (Dangeville, BNB 2003/40).

De derde categorie ziet op de uitzonderingen geformuleerd in de zaak C-453/00 van het HvJ (Kühne & Heitz).

4.2. Ten aanzien van het materiële geschilpunt stelt eiseres zich op het standpunt dat zij - gelet op de arresten C-412/03 (Scandic) en C-434/03 (Charles) van het HvJ - wegens strijdigheid van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (verder: BUA) met de Zesde richtlijn ten onrechte geen teruggaaf van omzetbelasting heeft gekregen. Eiseres verzoekt veroordeling van verweerder tot vergoeding van de volledige proceskosten.

4.3. Ter zitting is namens eiseres onder meer nog het volgende naar voren gebracht:

- Met de woorden ‘ambtshalve vermindering’ in de brief van 14 maart 2005 is bedoeld het maken van bezwaar tegen de eigen aangiften. Met het arrest van het HvJ in de zaak C-291/03 (My Travel), V-N 2005/58.23 is de twijfel die er na Kühne & Heitz nog bestond over de vraag of de in dat arrest genoemde voorwaarden constitutief waren, verdwenen. Na voornoemd arrest My Travel moet Kühne & Heitz aldus worden gelezen dat wanneer aan de in dat arrest genoemde voorwaarden is voldaan een teruggang in de tijd wordt geaccepteerd.

- De verschoonbare termijnoverschrijding van artikel 6:11 van de Awb zit in de omstandigheid dat een bezwaar zinloos zou zijn geweest. Ter illustratie wordt hierbij verwezen naar de noot in BNB 2003/40 bij het arrest Dangeville.

- Het beleid inzake artikel 65 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) dat jurisprudentie (waarin een toepassing van de belastingwet besloten ligt die voor de belanghebbende gunstiger is dan de bij de heffing gevolgde toepassing) geen reden kan vormen om op een vaststaand besluit terug te komen, is in strijd met de jurisprudentie van het HvJ: die heeft immers terugwerkende kracht. Op grond hiervan en van het arrest Charles is er voldoende grond om de zaak met toepassing van artikel 65 AWR open te breken. Gebeurt dit laatste niet, dan rijst het probleem van het aanspannen van een civiele procedure. Daarin moet dan een onrechtmatige overheidsdaad aan de orde worden gesteld. Eiseres is van mening dat een civiele procedure niet nodig is. De rechtbank kan wellicht aan het HvJ vragen stellen over de uitleg van artikel 65 AWR.

- De reikwijdte van het arrest Charles is groter dan verweerder stelt. In dit geval gaat het om gehuurde vakantiebungalows.

4.4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het in het geding zijnde bezwaar terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard. Bij de beoordeling van dit bezwaar met toepassing van artikel 65 AWR heeft verweerder zich geconformeerd aan de regels opgenomen in het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 25 maart 1991, nr. DB 89/735, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 3 juni 1996, nr. AFZ96/1125M en aangepast aan de euro bij Besluit van 6 december 2001, nr. CPP2001/3435M. Op grond daarvan en met toepassing van het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2005, nr. 37.960, heeft verweerder besloten eiseres geen teruggaaf van omzetbelasting te verlenen.

In het algemeen is een termijnoverschrijding alleen verschoonbaar, indien zij is veroorzaakt door een bijzondere omstandigheid, dat wil zeggen een overmachtsituatie. De bewijslast daarvoor ligt bij eiseres. De door eiseres gestelde, eventuele terugwerkende kracht van Europese jurisprudentie kan slechts aan de orde zijn in zeer bijzondere omstandigheden. Dit is in casu niet het geval nu eiseres destijds niet tijdig een bezwaarschrift heeft ingediend.

De stelling van eiseres dat zij niet tijdig een bezwaarschrift had ingediend, omdat zij het bezwaar toch kansloos achtte, waarbij eiseres zich onder meer beroept op het arrest Metallgesellschaft, treft geen doel. In dat arrest hadden de belanghebbenden effectief geen mogelijkheid hun EG-recht te halen. Onder dergelijke omstandigheden kan inderdaad worden gezegd dat de uitoefening van op EG-recht gebaseerde rechten nagenoeg onmogelijk werd gemaakt en dat het gebruiken van nationale rechtsmiddelen zinloos is. Dat is in het onderhavige geval niet aan de orde.

Voor vergoeding van proceskosten komt eiseres niet in aanmerking, omdat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

4.5. Ter zitting is namens verweerder hieraan nog het volgende toegevoegd:

- Het bezwaar van eiseres kan niet tegen aangiften betreffende in het jaar 2000 gelegen tijdvakken zijn gericht, omdat de fiscale eenheid waarvan eiseres deel uitmaakt pas met ingang van 1 juli 2001 perfect is geworden. De aangiften juli 2001 tot en met september 2001 waren nihil-aangiften. Vóór juli 2001 was er een andere belastingplichtige.

- Bij een te laat bezwaar is het gebruikelijk dat de belanghebbende een verzoek om ambtshalve vermindering doet. Dit wordt door de inspecteur als een bezwaar behandeld.

Eiseres noemt geen bijzondere omstandigheid waardoor nationale vervaltermijnen zouden kunnen worden doorbroken.

- De aantekening in Vakstudie Nieuws bij het arrest My Travel is voorbarig. Dit arrest werpt geen ander licht op de formele rechtskracht. Een lidstaat mag zich wel verweren met een beroep op nationale vervaltermijnen. Eiseres heeft verzuimd tijdig bezwaar te maken.

- Artikel 65 AWR is in casu niet de goede kapstok. Voor de termijnoverschrijding moeten verschoonbare omstandigheden worden gesteld. In het arrest van 17 november 1998 van het HvJ, C-228/96 (Aprile II) komen de verjaringstermijnen uitgebreid aan de orde.

- Het BUA is nog steeds verbindend. Het arrest Charles ziet op investeringsgoederen. In het onderhavige geval betreffen alle correcties diensten. Ook om die reden is dit arrest in het onderhavige geval niet van toepassing.

- Voor het geval het BUA niet overeind zou blijven, maakt dat geen verschil, omdat wij gebonden zijn aan de aanschrijving van het Ministerie. Een andere uitkomst zou de bijl aan de wortel van de rechtszekerheid betekenen. Het staat eiseres vrij een civiele procedure aan te spannen. Daarin zal de Staat der Nederlanden zich verweren.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Eiseres heeft voortijdig beroep ingediend. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de bestreden uitspraak zoals deze op 3 juni 2005 is gedaan, op 20 april 2005 reeds tot stand was gekomen, blijft op grond van het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Awb niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege.

5.2. Gelet op het ingangstijdstip van de fiscale eenheid van 1 juli 2001 en het ontbreken van aangiften over de tijdvakken januari 2000 tot en met juni 2001 op naam van de fiscale eenheid, heeft verweerder terecht het bezwaar voor zover gericht tegen de aangiften over de tijdvakken januari 2000 tot en met juni 2001 niet-ontvankelijk verklaard.

5.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaar van eiseres tegen de aangiften betreffende de tijdvakken juli 2001 tot en met december 2003 - zelfs wanneer ervan moet worden uitgegaan dat het bezwaar gericht moet worden geacht tegen de op de aangiften gevolgde teruggaafbeschikkingen - ruimschoots na het verstrijken van de bij artikel 6:7 van de Awb in verbinding met artikel 22j van de AWR gestelde bezwaartermijn van zes weken is ingediend.

5.4. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In dit verband heeft eiseres ter zitting naar voren gebracht dat het indienen van een bezwaarschrift destijds zinloos zou zijn geweest gelet op de stand van de jurisprudentie in die tijd. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit aangevoerde geen verschoonbare termijnoverschrijding in vorenbedoelde zin op. Geen nationaal wettelijke bepaling stond eiseres immers in de weg om ter zekerstelling van haar rechten bezwaar aan te tekenen in afwachting van nadere (Europese) jurisprudentie op dit punt. Het voorgaande leidt ertoe dat het bezwaar naar nationaal recht niet-ontvankelijk is.

5.5. De stelling van eiseres dat het gemeenschapsrecht, in het bijzonder de door haar genoemde arresten van het HvJ, aan niet-ontvankelijkverklaring in de weg staat, wordt verworpen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

5.6. Naar vaste rechtspraak van het HvJ is het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om procesregels te geven voor de rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten te beschermen die justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen en die regels de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken. In dit verband verwijst de rechtbank naar onder meer HvJ 2 december 1997, nr. C-188/95 (Fantask, onder meer gepubliceerd in BNB 1998/285).

Ook indien al zou kunnen worden aangenomen dat in het onderhavige geval een rechtsvordering aan de orde is die ertoe strekt de rechten van eiseres ontleend aan de Zesde richtlijn (77/388/EEG) te beschermen, treft het beroep van eiseres op het gemeenschapsrecht geen doel. In de Nederlandse rechtsorde wordt geen onderscheid gemaakt tussen procesregels ter uitoefening van zogenoemde nationale vorderingen en vorderingen die aan het gemeenschapsrecht kunnen worden ontleend. Daarnaast acht de rechtbank het redelijkerwijs niet voor twijfel vastbaar dat de voor het gehele bestuursrecht, waaronder het belastingrecht, geldende uniforme bezwaartermijn van zes weken een redelijke termijn is, in die zin dat daardoor de uitoefening van (mede) op het gemeenschapsrecht gebaseerde vorderingen niet praktisch onmogelijk wordt gemaakt. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad (hierna ook: HR) van 21 maart 2001, nr. 36 281, BNB 2001/238.

5.7. Eiseres heeft zich bij de door haar onder 4.1. als eerste genoemde categorie gevallen waarin de formele rechtskracht kan worden doorbroken met name beroepen op het arrest van het HvJ in de zaak Emmott (25 juli 1991, C-208/90). Naar de rechtbank begrijpt stelt eiseres in dit verband dat door toedoen van de overheid, in het bijzonder doordat de Hoge Raad ten onrechte heeft nagelaten over de vraag of het BUA in overeenstemming is met de Zesde richtlijn aan het HvJ prejudiciële vragen te stellen, geen bezwaartermijn is gaan lopen. Deze stelling verwerpt de rechtbank. Bij (onder meer) het hiervoor genoemde arrest van het HvJ in de zaak Fantask is de toepasselijkheid van het Emmott-arrest immers beperkt. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor onder 5.6. is overwogen.

5.8. Eiseres heeft voorts met een beroep op de gevoegde zaken Metallgesellschaft e.a. (HvJ 8 maart 2001 C-397/98 en C-410/98) gesteld dat het feit dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen haar aangiften dan wel de daarop gevolgde teruggaafbeschikkingen haar niet kan worden tegengeworpen gezien de stand van de jurisprudentie destijds, waarbij zij in het bijzonder nog heeft gewezen op het arrest van de HR van 5 januari 2000, 35 167 (BNB 2000/131) waarin de HR uitdrukkelijk had overwogen dat de bepalingen van het BUA niet in strijd waren met de Zesde richtlijn. Deze stelling wordt eveneens verworpen. De rechtbank verwijst naar en sluit zich aan bij hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 23 januari 2004, 38 653 (BNB 2004/118) heeft overwogen. Onderdeel 3.4. van dit arrest luidt:

“Voorzover het middel voor deze gedachtegang een beroep doet op het arrest van het Hof van Justitie van 8 maart 2001 in de gevoegde zaken Metallgesellschaft Ltd e.a. (C-397/98) Hoechst AG en Hoechst (UK) Ltd (C-410/98) faalt het. In die zaken, voorzover hier van belang, werd door het Hof van Justitie de deugdelijkheid onderzocht van een argument - een verweer van de overheid dat niet was verzocht om toepassing van een bepaalde belastingfaciliteit - dat niet berustte op een nationale bepaling inzake verjarings- of vervaltermijnen (zie de punten 100 en 101 van voormeld arrest). Het middel faalt ook voor

het overige. De omstandigheid dat de belastingdienst blijkens een resolutie van de Staatssecretaris een bepaalde toepassing van de belastingwet voorstaat of goedkeurt, laat de belastingplichtige vrij zich een eigen oordeel te vormen omtrent de juist te achten wetstoepassing of omtrent de verenigbaarheid van de heffing van de betrokken belasting met

een richtlijn van de Europese Gemeenschap, en zich door dat oordeel te laten leiden.

Indien de belastingplichtige tot de conclusie komt dat op grond van de richtlijn de voldoening van belasting in zijn geval niet kan worden gevergd, kan hij op gelijke wijze als mogelijk is bij het ontkennen of betwisten op een niet aan het gemeenschapsrecht ontleende grond van een verplichting belasting te betalen, een meningsverschil met de belastingdienst te dier zake aan de rechter voorleggen. De noodzaak daartoe eerst een bezwaarschrift in te dienen bij het betrokken bestuursorgaan, maakt onderdeel uit van de uniforme procedure die in Nederland geldt voor het inroepen van rechtsbescherming in belastingzaken. Een effectieve toegang tot de rechter wordt daardoor niet wezenlijk belemmerd. De omstandigheid dat in een voorkomend geval degene die voor de vraag staat of hij al dan niet van een bestuursrechterlijke rechtsgang gebruik zal maken, reden heeft aan te nemen dat het betrokken bestuursorgaan een ingenomen standpunt niet zal verlaten, vormt geen verzwarende omstandigheid als het gaat om de mogelijkheid zich bij het indienen van een

bezwaarschrift te houden aan de daarvoor gestelde wettelijke termijn.”

5.9. Eiseres heeft zich ten slotte beroepen op het arrest van het HvJ van 13 januari 2004 (C-453/00, Kühne & Heitz) en heeft daarbij aangevoerd dat uit dit arrest volgt dat onder bepaalde omstandigheden het bestaan van een bevoegdheid van een bestuursorgaan om terug te komen op een definitief geworden besluit kan impliceren dat het bestuursorgaan verplicht is tot intrekking van dat besluit. Eiseres stelt dat verweerder gehouden is ten onrechte door eiseres betaalde omzetbelasting terug te betalen, nu verweerder de bevoegdheid om terug te komen op een definitief besluit op grond van artikel 65 AWR heeft en aan de in de zaak Kühne & Heitz genoemde voorwaarden is voldaan.

5.10. Deze grief treft evenmin doel. In het arrest Kühne & Heitz heeft het HvJ onder meer overwogen dat de rechtszekerheid tot de in het gemeenschapsrecht erkende algemene beginselen behoort en dat een bestuursorgaan onder omstandigheden gehouden kan zijn een ten gevolge van een uitspraak van de hoogste nationale rechter definitief geworden besluit desgevraagd opnieuw te onderzoeken om rekening te houden met een nieuwe uitleg van gemeenschapsrecht door het HvJ. Dat een besluit van een bestuursorgaan definitief wordt na het verstrijken van redelijke beroepstermijnen of na uitputting van alle rechtsmiddelen, draagt bij tot de rechtszekerheid. Uit het arrest leidt de rechtbank af dat deze rechtszekerheid het uitgangspunt is en dat het gemeenschapsrecht alleen onder bijzondere omstandigheden vereist dat een bestuursorgaan, bij later gebleken non-conformiteit van een bepaalde nationale regel met het gemeenschapsrecht, terugkomt op definitief geworden besluiten. Daargelaten de vraag of hier sprake is van bedoelde non-conformiteit, is ten aanzien van de nu de in het geding zijnde besluiten het bestaan van dergelijke bijzondere omstandigheden niet aannemelijk geworden, met name niet nu in dit geval, anders dan in de zaak Kühne & Heitz, de besluiten niet definitief zijn geworden ten gevolge van een uitspraak van de hoogste nationale rechter, maar als gevolg van het verlopen van een bezwaartermijn.

5.11. Het door eiseres ter zitting gedane beroep op het arrest van het HvJ van 6 oktober 2005 (My Travel, C-291/03) - waarbij naar de mening van eiseres na het arrest in de zaak Kühne & Heitz bestaande twijfel is weggenomen - wordt eveneens verworpen. In rechtsoverweging 17 van dit arrest wordt overwogen dat het een aangelegenheid is van het interne recht van een staat om de voorwaarden vast te stellen waaronder verzoeken tot belastingteruggaaf kunnen worden gedaan, waarbij deze voorwaarden niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor gelijksoortige vorderingen op basis van het nationale recht gelden, en dat zij evenmin van dien aard mogen zijn dat zij de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken. In de Nederlandse rechtsorde wordt geen onderscheid gemaakt tussen zogenoemde nationale teruggaafverzoeken en teruggaafverzoeken die aan het gemeenschapsrecht kunnen worden ontleend. Daarnaast acht de rechtbank de voor indiening van een teruggaafverzoek op grond van artikel 33 van de Wet jo artikel 10 AWR geldende termijn van (in ieder geval) een maand een redelijke termijn, in die zin dat daardoor de uitoefening van (mede) op het gemeenschapsrecht gebaseerde vorderingen niet praktisch onmogelijk wordt gemaakt.

5.12. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verweerder eiseres bij de bestreden uitspraak terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar. Dat brengt mee dat het beroep ongegrond is.

6. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. E. Jochem, voorzitter en mrs. A. Roelvink-Verhoeff en E. Polak, leden. De beslissing is op 4 april 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.