Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AV7274

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
28-03-2006
Zaaknummer
AWB 05-939
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 oktober 2004 heeft verweerder geweigerd een bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van enkele neonlichtreclames aan het pand boven de rijksweg A4 te Hoofddorp waarin eiseres een wegrestaurant exploiteert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2006/2132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 05 - 939

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2006

in de zaak van:

Resto truck A4 B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

eiseres.

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer,

verweerder.

1. Procesverloop

1.1 Bij besluit van 22 oktober 2004 heeft verweerder geweigerd een bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van enkele neonlichtreclames aan het pand boven de rijksweg A4 te Hoofddorp waarin eiseres een wegrestaurant exploiteert.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 29 oktober 2004 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 februari 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de vaste commissie voor de bezwaarschriften.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 15 maart 2005 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 7 december 2005, alwaar eiseres is vertegenwoordigd door [medewerker] vergezeld door [medewerker] van Lichtreklame Lienhard. Verweerder is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1 De weigering van verweerder bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van enkele neonlichtreclames aan het pand boven de rijksweg A4 te Hoofddorp is gegrond op zijn oordeel dat dit bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Verweerder heeft dit oordeel gebaseerd op het advies d.d. 19 oktober 2004 van de Stichting Welstandszorg Noord-Holland (hierna: welstandscommissie).

2.2 In dit advies van de welstandscommissie is - onder meer - het volgende opgenomen:

"De welstandscommissie heeft de aanvraag beoordeeld op grond van de welstandsnota: kleine plannen 7, aanvullende loketcriteria.

De commissie heeft bezwaar tegen de ingediende aanvragen vanwege de strijdigheid met de hiervoor geldende richtlijnen geformuleerd in de welstandsnota: "maximaal twee bedrijfsnamen per gebouw en de naam van het gebouw zelf of per gebouw een verzamelbord los van het gebouw met een maximale hoogte van 2,5 meter en maximale breedte van 0,75 meter. Er dienen geen reclame-uitingen op het dak geplaatst te worden." (citaat kleine plannen 7). Bovendien is het voorstel niet in overeenstemming met het sobere karakter van het complex.

Op het gebouw waar de diverse reclame-uitingen voor worden aangevraagd, zijn in het verleden al, met vergunning, maar ook tweemaal zonder vergunning (Febo en La Place), reclame-uitingen geplaatst. De commissie is van mening dat met deze aanvraag voor reclame-uitingen de wildgroei aan verschillende reclame-uitingen niet langer acceptabel is. Volgens de criteria in de welstandsnota is het plaatsen van nog meer reclame-uitingen gezien het bovenstaande niet toegestaan."

2.3 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat haar bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand nu de door haar voorgestelde lichtreclames, mede gelet op de grootte van het pand, niet te groot of te opvallend zijn, nu de naamsaanduidingen boven de parallelweg en niet boven de rijksweg zullen worden aangebracht. De reclames doen naar haar mening geen afbreuk aan het sobere karakter van het complex. Naar haar mening is het onredelijk dat op grond van de welstandsnota slechts twee bedrijfsnamen mogen worden aangebracht, terwijl er meer bedrijven in dit complex gevestigd zijn.

De door Febo en La Place aangebrachte lichtreclames zijn naar haar mening ten onrechte betrokken bij de welstandelijke beoordeling nu deze illegaal zijn geplaatst.

Eiseres vreest omzetverlies als zij haar naam niet op het complex mag aanbrengen en meent dat hiermee rekening gehouden dient te worden gelet op het commerciële karakter van het complex.

2.4 Artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, Woningwet (verder: Ww) luidt, voor zover hier van belang:

De reguliere bouwvergunning mag slechts en moet worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a.

2.5 Naar vaste jurisprudentie, zoals neergelegd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 oktober 2004, no. 200402781/1 (www.raadvanstate.nl), komt aan het welstandsadvies in de regel groot gewicht toe en mag verweerder daaraan in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van het welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij eiseres een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders indien het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder het niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen.

2.6 De rechtbank acht geen grond aanwezig voor het oordeel dat verweerder het welstandsadvies niet mocht overnemen. Niet gebleken is dat het welstandsadvies naar inhoud of totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dat niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Anders dan eiseres heeft gesteld, is dit advies deugdelijk gemotiveerd. Voorts is hierin aandacht besteed aan het bijzondere karakter van het gebouw waarin het bedrijf van eiseres is gevestigd. Niet valt in te zien dat het uitgebrachte advies niet strookt met de toepasselijke criteria van de gemeentelijke welstandsnota. In deze nota is immers opgenomen dat maximaal twee bedrijfsnamen per gebouw (en de naam van het gebouw zelf) zijn toegelaten of één verzamelbord los van het gebouw. Uit het advies blijkt met zoveel woorden dat het bouwplan aan die criteria is getoetst. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze criteria kennelijk onredelijk zijn en om die reden buiten toepassing dienen te blijven. Bij de opstelling van deze criteria is, gelet op artikel 12, eerste lid, Ww, bij de beoordeling van de vraag of een bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand terecht de omgeving van het bouwwerk betrokken.

Vast staat dat er reeds twee vergunde bedrijfsaanduidingen ter plaatse aanwezig zijn, zodat het bouwplan van eiseres in strijd is met het bepaalde in de welstandsnota. Het gegeven dat er naast de legale reclames tevens andere reclames zijn aangebracht, doet niet af aan deze vaststelling. Relevant is immers slechts de feitelijke aanwezigheid van maximaal twee bedrijfsnamen.

Voorts is geen tegenadvies van een deskundig te achten persoon of instantie overgelegd dat aanleiding zou moeten geven om - in weerwil van de welstandsnota - van het advies van de welstandscommissie af te wijken.

2.7 Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Gelet op het bepaalde in artikel 44 Ww was verweerders dus gehouden de bouwvergunning te weigeren. Daarbij had verweerder, anders dan eiseres wil, geen ruimte voor een belangenafweging.

2.8 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank::

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Groverman, rechter,, en op 8 maart 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M.K.F. Kievit, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.