Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AV5126

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-03-2006
Datum publicatie
15-03-2006
Zaaknummer
05/2433
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De yogalessen zijn aan te merken als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening. De lessen zijn wat betreft de fysieke belasting en inspanning, min of meer op één lijn zijn te stellen met de in het algemeen als sportbeoefening beschouwde activiteiten Pilates, stretching en statische gymnastiek. Het verlaagde BTW tarief is van toepassing.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 9
Wet op de omzetbelasting 1968 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0540
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/2433

Uitspraakdatum: 6 maart 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 13 juli 2003 heeft eiser aangifte omzetbelasting voor het tweede kwartaal 2003 gedaan tot een negatief bedrag van € 100. Bij brief van 15 juli 2003, door verweerder ontvangen op 17 juli 2003, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de eigen aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2003. Verweerder heeft bij uitspraak van 2 mei 2005 het bezwaar ongegrond verklaard en de teruggaaf bij beschikking met nummer 878.69.238.O.01.3240 vastgesteld op € 100.

1.2. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld bij brief van 9 juni 2005, ingediend door zijn gemachtigde A (B Accountants & Belastingadviseurs B.V. te Q), ontvangen door de rechtbank op 10 juni 2005. Eiser heeft bij brief van 27 juni 2005 de gronden van het beroep aangevuld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van 16 februari 2006, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder is C verschenen.

2. Feiten

2.1. Eiser exploiteert onder de naam D een yogapraktijk, in het kader waarvan hij een aantal ochtenden en avonden per week yogalessen geeft op diverse locaties in Q en omgeving. Als zodanig is eiser ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet).

2.2. In zijn praktijk past eiser de beginselen van Hatha yoga toe, met name Iyengar yoga en Ashtanga yoga, ook wel Power yoga genoemd. Bij de yogalessen maakt eiser gebruik van diverse hulpmiddelen zoals stoelen, blokjes, kussens en riemen. Eiser omschrijft op zijn geïllustreerde website de door hem aangeboden yoga onder meer als “een eigentijdse vorm van fitness” en “een sportieve vorm van yoga”.

2.3. Tot de stukken van het geding behoort een brief van 18 oktober 2002 van E namens de Staatssecretaris van Financiën aan de Vereniging van Yogaleerkrachten Nederland, gericht aan F, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Hatha yoga is een vorm van yoga waarbij door middel van fysieke en ontspanningsoefeningen een verbinding en evenwicht tussen lichaam en geest kan ontstaan. Naast Hatha Yoga zijn er diverse andere vormen van yoga die, elk op hun eigen wijze, dit evenwicht tussen lichaam en geest nastreven. (...)

Redelijk recent, afgemeten aan de historie van yoga, zijn vanuit de bestaande vormen van yoga andere vormen van activiteiten ontstaan, zoals Power Yoga en Kung Fu Yoga. Bij deze activiteiten wordt uitgegaan van dezelfde oefeningen, maar de intensiteit en het tempo van de oefeningen is dusdanig hoog dat naar maatschappelijke opvattingen deze activiteiten eerder kunnen worden beschouwd als actieve sportbeoefening. Bij deze vormen ligt de nadruk meer op fysieke inspanning dan op het bereiken van een evenwicht tussen lichaam en geest, waardoor zij meer gelijkenis vertonen met een erkende sport als aerobics. Ik wil er overigens op wijzen dat niet de benaming van de activiteit maar de uitvoering doorslaggevend is. Of sprake is van actieve sportbeoefening moet steeds aan de hand van de feiten worden beoordeeld.”

2.4. Eiser heeft in zijn aangifte van 13 juli 2003 een omzet van € 488 aangegeven naar het algemene tarief van 19%. Eiser heeft € 192 aan voorbelasting in aftrek gebracht.

3. Geschil

In geschil is of de door eiser verzorgde yogalessen zijn aan te merken als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening in de zin van post b, onderdeel 3, van de bij de Wet behorende Tabel I.

4. Standpunten van partijen

4.1. Eiser voert - zakelijk weergegeven - aan dat op de door hem behaalde omzet het verlaagde tarief omzetbelasting toepassing is. Yoga is een verzamelbegrip, aldus eiser, waarin grofweg drie richtingen zijn te onderscheiden. Sommige vormen van yoga leggen zich vooral toe op concentratie en meditatie. Alleen de holistische richting van de Hatha yoga gaat uit van fysieke training van het lichaam en het bevorderen van kracht. Eiser verwijst naar een aantal websites, waarbij meer informatie wordt gegeven over de vorm van yoga die hij aanbiedt en geeft aan dat er zelfs wereldkampioenschappen in worden gehouden. De yoga die eiser aanbiedt is een actieve, op kracht en lenigheid gerichte, fysieke training, die qua fysieke inspanning en belasting vergelijkbaar is met statische gymnastiek, stretching en Pilates, aldus eiser. Een verschil tussen de yogalessen van eiser en voornoemde sporten is dat er bij yoga meer aandacht is voor ademhaling. Onder verwijzing naar het nieuwe beleid van de staatssecretaris stelt eiser dat niet begrijpelijk is dat tai chi wel als sportbeoefening wordt beschouwd en de vorm van yoga die eiser aanbiedt niet. Zijn ervaring is dat voor sommige tai chi beoefenaars de vorm van yoga die eiser aanbiedt een fysiek te grote inspanning vergt. Eiser heeft verweerder aangeboden om een les bij te wonen, van welk aanbod verweerder geen gebruik heeft gemaakt. Eiser betwist dan ook dat verweerder zich op zorgvuldige wijze een oordeel heeft gevormd over de activiteiten die eiser aanbiedt.

4.2. Verweerder betwist dat het verlaagde tarief van toepassing is ten aanzien van de door eiser gegeven yogalessen. Verweerder voert daartoe aan dat Hatha yoga een rustige, op ontspanning gerichte vorm van yoga is, die naar maatschappelijk opvatting niet kan worden aangemerkt als actieve sportbeoefening. Verweerder baseert zich daarbij op de ervaringen van een collega, die elders in het land een yogales heeft bijgewoond. Verder verwijst verweerder naar via het internet ingewonnen informatie, onder meer afkomstig van diverse websites van organisaties die zich met yoga bezighouden. Ook in de eigen kring van yogaleraren en scholen wordt de beoefening van yoga soms expliciet niet als een vorm van sport aangemerkt, aldus verweerder. Bovendien geeft de staatssecretaris in zijn onlangs gewijzigde beleid, dat weliswaar nog niet van toepassing op dit geval maar wel een aanwijzing biedt, aan dat bij Hatha yoga, anders dan bij tai chi, geen sprake is van sportbeoefening. Volgens verweerder is het niet noodzakelijk om een les van eiser bij te wonen om te beoordelen of sprake is van sportbeoefening, nu voldoende informatie over Hatha yoga voorhanden is.

4.3. Ter zitting stellen partijen zich op het standpunt dat voor de periode waarop de teruggaafbeschikking betrekking heeft niet in geschil is dat de accommodatie van waaruit eiser de lessen geeft niet in de weg staat aan kwalificatie van de door eiser aangeboden yogalessen als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet juncto post b.3 van de bij de Wet behorende tabel I (tekst vanaf 1 januari 2002) is het geven van gelegenheid tot sportbeoefening onderworpen aan het verlaagde omzetbelastingtarief.

5.2. Naar maatschappelijk opvatting, die bepalend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van sportbeoefening, staat bij sport de training van vaardigheid en kracht door fysieke inspanning en de daarmee samenhangende ontspanning centraal. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken acht de rechtbank aannemelijk dat het in de yogalessen van eiser gaat om de lichamelijke oefeningen en dat door het doen van die oefeningen kracht en lenigheid worden ontwikkeld. Als niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken is ook aannemelijk geworden dat de lessen van eiser, wat betreft de fysieke belasting en inspanning, min of meer op één lijn zijn te stellen met de in het algemeen als sportbeoefening beschouwde activiteiten Pilates, stretching en statische gymnastiek. Uit het voorgaande volgt dan ook dat de yogalessen van eiser naar maatschappelijke opvatting zijn aan te merken als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening.

5.3. Aan het voorgaande doet de stelling van verweerder dat yoga geen actieve sportbeoefening is niet af. Tegenover de gemotiveerde en onderbouwde stelling van eiser dat in dit geval sprake is van actieve, fysieke inspanning bij het doen van de oefeningen, heeft verweerder volstaan met de enkele ontkenning daarvan, zonder in te gaan op of kennis te nemen van de feitelijke inhoud van de yogalessen van eiser. Het verweer van verweerder faalt dan ook bij gebrek aan feitelijke grondslag.

5.4. Ook de stelling van verweerder, dat Hatha yoga geen sport is omdat het zich met name richt op het bereiken van een staat van ontspanning, staat niet in de weg aan het onder 5.2. gegeven oordeel. Niet in geschil is dat ontspanning een gevolg kan zijn van het doen van de yogaoefeningen van eiser. Als niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken is echter ook aannemelijk geworden dat een ander doel van de oefeningen bestaat in het ontwikkelen van kracht en lenigheid en dat het doen van de yogaoefeningen van eiser een fysieke inspanning vergen. Door de eenzijdige aandacht voor het “ontspannings”-aspect van yoga, laat verweerder deze andere, evenzeer voor de beoordeling van belang zijnde aspecten ten onrechte buiten beschouwing.

5.5. Partijen zijn eenstemmig van oordeel dat de accommodatie van waaruit eiser zijn yogalessen geeft in deze procedure geen rol speelt. De rechtbank zal partijen hierin volgen, nu niet is gebleken dat dit oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting.

5.6. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. Op de door eiser aangeboden diensten is het verlaagd omzetbelastingtarief van toepassing. Over de omzet van € 488 is eiser over het tweede kwartaal van 2003 € 29 aan omzetbelasting verschuldigd. De door eiser betaalde omzetbelasting van € 192 in aanmerking genomen, dient de teruggaafbeschikking te worden vastgesteld op € 163.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding verweerder overeenkomstig artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze kosten vast op € 322 (waarde per punt) x 2 (proceshandelingen) x 1 (gewicht) + € 15,30 (de reiskosten van eiser van en naar de zitting op basis van openbaar vervoer tweede klasse) = € 659,30.

7. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de teruggaafbeschikking;

- verleent een teruggaaf van omzetbelasting van € 163,00;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een beloop van € 659,30 en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan eiser te betalen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht van € 138 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 6 maart 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A. Roelvink - Verhoeff, voorzitter, mrs. E. Polak en A. van Dongen, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. Nijhuis, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.