Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AV3296

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-01-2006
Datum publicatie
12-04-2006
Zaaknummer
05/2718
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De door de echtgenoot van eiseres betaalde giften aan de moskee dienen bij de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 in aanmerking te worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0708
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/2718

Uitspraakdatum: 17 januari 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X,

wonende te Z, eiseres,

gemachtigde: A,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Z,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft, met dagtekening 19 oktober 2004, aan eiseres voor het jaar 2002 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.369.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar, ingekomen op 15 november 2004, heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar, met dagtekening 23 mei 2005, de aanslag gehandhaafd. Bij brief van 20 juni 2005, ingekomen ter griffie op 28 juni 2005, heeft eiseres beroep ingesteld.

1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van 10 november 2005 te Haarlem, alwaar eiseres in persoon met haar gemachtigde is verschenen, tot bijstand vergezeld van haar echtgenoot, Y. Namens verweerder is verschenen B. Het onderzoek ter zitting is geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen haar stellingen nader feitelijk te onderbouwen. Partijen hebben vervolgens nadere stukken ingediend, die door de griffie in afschrift zijn toegezonden aan de wederpartij. Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting.

2. De feiten

2.1. Eiseres is geboren op 1 januari 1953. Eiseres heeft op 21 maart 2003 aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen gedaan voor het jaar 2002 naar een verzamelinkomen van € 14.728. In de aangifte heeft eiseres € 1.891 als gift opgevoerd en € 1.572 als persoonsgebonden aftrek in aanmerking genomen. In de aangifte wordt de gift aangeduid als “moskeebelasting”.

2.2. Het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van eiseres en haar echtgenoot, vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek, bedraagt in 2002 € 31.924.

2.3. In verband met de definitieve aanslagregeling heeft verweerder bij eiseres navraag gedaan met betrekking tot de giften. Tot de gedingstukken behoort een brief van 27 juni 2004 van eiseres aan verweerder met als bijlage drie in de Arabische taal gestelde bonnen, voorzien van een vertaling en een stempel van drs. C, beëdigd vertaler Arabisch en Nederlands. De bonnen zijn genummerd 133, 9 en 153. De vertaling met betrekking tot bon 133 vermeldt, voor zover hier van belang:

“Stichting D

a-straat 1

Postbus 0000 Z

Telefoon: (000) – 000000

Nummer 133

Bedrag: euro 550,--

Ik, ondergetekende, heb het bovengenoemde bedrag in ontvangst genomen van de heer:

X.

Als gift en hulp over de maand: het hele jaar 2002

Datum: 30-12-2002

De handtekening van de ontvanger.”

Bon nummer 9 vermeldt het bedrag “euro 320,--“ en de maand “3-4-5-6- van het jaar 2002”. Bon nummer 153 vermeldt “lidmatschapsnummer 9”, de bedragen “921 euro” en “115 euro” en de maanden “7-8-9 van het jaar 2002” en “borg + 9 van het jaar”.

2.4. Bij het beroepschrift zijn drie soortgelijke in de Arabische taal gestelde bonnen van de Stichting D (de moskee), met de nummers 133, 9 en 153, voorzien van een Nederlandse vertaling en stempel van voornoemde drs. C gevoegd, waarvan – voor zover hier van belang - de vertaling van nummer 133 als volgt luidt:

“Stichting D

a-straat 1

Postbus 0000 Z

Postbank: 0000000

Telefoon: (000) – 000000

Inschrijfnummer 133 Bedrag: euro 500,--

Ik, ondergetekende, heb het bovengenoemde bedrag in ontvangst genomen van de heer:

X.

Als gift en donatie over de maand: het hele jaar 2002

Datum: 30-12-2002

De handtekening van de ontvanger.”

2.5. Bij brief van 14 november heeft eiseres een verklaring van E, voorzitter van de moskee, overgelegd, waarin het volgende is vermeld:

“Verklarig

Hierbij verklaar ik E in de Functie voorzitter van onze stichting D, a-straat 1 te Z dat de heer X een totale bedrag van € 1791 in de periode van 1 januari 2002 tot 31 december 2002 contant heeft betaald. De gift is aan ons Moskee ten goede gekomen.”

3. Het geschil

In geschil is of eiseres recht heeft op giftenaftrek als bedoeld in afdeling 6.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet).

4. Standpunten van partijen

4.1. Eiseres voert - zakelijk weergegeven – aan dat het door haar echtgenoot aan de moskee betaalde bedrag van € 1.791 als gift moet worden aangemerkt. De moskee krijgt geen subsidie en is afhankelijk van giften. Ook mensen die geen gift hebben gedaan mogen de moskee betreden. Wel heerst een zekere sociale controle met betrekking tot de gedane giften in relatie tot de moskeebezoeken. De moskee verricht geen tegenprestatie voor de gift. Eiseres heeft geen kinderen onder de 12 jaar die in de moskee onderwijs volgen. De giften zijn niet per bank overgemaakt. De kwitanties zijn bewijsstukken van de contante betalingen. Ter zitting heeft eiseres ten aanzien van de geconstateerde verschillen tussen de kwitanties opgemerkt dat zij haar originele kwitanties naar de inspecteur heeft gestuurd, zonder daarvan een kopie achter te houden. Voor de beroepsprocedure heeft zij bij de moskee om kopieën van de kwitanties gevraagd. Het verschil in de bedragen verklaart eiseres onder verwijzing naar het ontbreken van vaste personen bij de inzameling in de moskee; het zijn allen vrijwilligers.

4.2. Verweerder voert - zakelijk weergegeven – aan dat de bewijslast voor de giften bij eiseres ligt. Verweerder betwist dat de giften met schriftelijke bescheiden zijn gestaafd, nu deze niet betrouwbaar zijn, zie onder meer het verschil in bedrag op de kwitanties met nummer 133, aldus verweerder. Uit de verklaring van de voorzitter van de moskee blijkt niet op welke data de schenkingen hebben plaatsgevonden. Ook zijn er geen giro of bankafschriften overgelegd waaruit van geldopnames ten behoeve van de schenkingen blijken. Verder betwist verweerder dat eventuele giften ten goede zijn gekomen aan de moskee.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 6.32, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 6.35 van de Wet zijn giften aan in Nederland gevestigde instellingen aftrekbaar. Onder instelling worden ingevolge artikel 6.33 van de Wet verstaan kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instellingen. Tussen partijen is in deze procedure niet meer in geschil dat de moskee als een instelling in de zin van artikel 6.33, aanhef en onder b. is te beschouwen. Nu niet is gebleken dat partijen op dit punt van een onjuiste opvatting uitgaan, sluit de rechtbank zich bij het standpunt van partijen aan.

5.2. Ingevolge artikel 6.39 van de Wet worden giften in aanmerking worden genomen voor zover zij met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd.

5.3. Ter onderbouwing van de door eiseres gestelde gift aan de moskee van € 1.791 - het met de borg gemoeide bedrag van € 115 derhalve buiten beschouwing gelaten - heeft eiseres de onder 2.3., 2.4. en 2.5. genoemde stukken overgelegd. Als niet dan wel onvoldoende weersproken stelt de rechtbank vast dat de aan de Belastingdienst verstrekte stukken, genoemd onder 2.3., de originele kwitanties betreffen. Kwitanties als deze kunnen in beginsel als schriftelijke bescheiden in de zin van artikel 6.39 van de Wet worden beschouwd. Gelet op de onder 2.5. opgenomen verklaring van de voorzitter van de moskee dat de in de kwitanties genoemde bedragen aan de moskee zijn betaald en dat de gift aan de moskee ten goede is gekomen, acht de rechtbank aannemelijk dat de onder 2.3. genoemde stukken originele kwitanties betreffen, die zien op daadwerkelijk door de echtgenoot van eiseres aan de moskee verrichte betalingen. De gift van de echtgenoot van eiseres aan de moskee is in dit geval dan ook afdoende met schriftelijke bescheiden onderbouwd. Voor zover verweerder zich in weerwil van de verklaring van de voorzitter van de moskee beroept op de omstandigheid dat de bedragen niet aan de moskee ten goede zijn gekomen dan wel dat er een tegenprestatie door de moskee zou zijn verricht, acht de rechtbank dit bij gebrek aan verdere feitelijke onderbouwing van die stellingen niet aannemelijk. De door de echtgenoot van eiseres aan de moskee betaalde bedragen kunnen dan ook als giften in aanmerking worden genomen.

5.4. Aan het bovenstaande doet niet af de stelling van verweerder dat aan de kwitanties geen waarde of bewijskracht kan worden toegekend vanwege de verschillen tussen de originele en later overgelegde kwitanties. Uit de verklaring van eiseres ten aanzien van de verschillen, leidt de rechtbank af dat deze het gevolg zijn van een vergissing bij de niet professionele verwerking van de betaling. Nu het totale bedrag van de originele kwitanties en het door de voorzitter van de moskee genoemde bedrag overeenstemmen en er geen verschillen zijn geconstateerd ten aanzien van de data van de betalingen, bieden de geconstateerde verschillen geen grond voor het oordeel dat de in eerste instantie aan de Belastingdienst overgelegde originele kwitanties geen waarde of bewijskracht zou moeten worden toegekend en dat deze uit dien hoofde buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten.

5.5. De stelling dat alleen betalingen via de bank als giften in aanmerking kunnen worden genomen mist juridische grondslag. Voor beoordeling van de vraag of een gift in aftrek kan worden toegelaten is immers niet relevant of deze al dan niet in contanten is betaald, maar of deze gift met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd. De Wet stelt geen eisen aan de aard van de schriftelijke bescheiden, zodat van geval tot geval dient te worden beoordeeld of de schriftelijke bescheiden die voor handen zijn bewijs vormen voor de gift. Aan deze laatste voorwaarde is in dit geval voldaan.

5.6. De stelling dat het op weg van eiseres ligt om aan te tonen dat zij ten behoeve van de giften privé-opnamen heeft verricht, mist eveneens juridische grondslag. In dit geval is niet vereist dat de herkomst van de als gift betaalde bedragen bekend wordt gemaakt.

5.7. Gelet op de met inachtneming van artikel 6.39 van de Wet bepaalde drempel van € 319, dienen de door de echtgenoot van eiseres betaalde giften aan de moskee bij de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 tot een bedrag van

€ 1.472 in aanmerking te worden genomen.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, is er grond voor veroordeling van verweerder in de door eiseres in verband met de onderhavige procedure gemaakte kosten. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de eigen opgave van eiseres begroot de rechtbank de kosten van eiseres voor haar adviseur overeenkomstig haar opgave op € 50.

7. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- herroept het primaire besluit en stelt de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over 2002 nader vast op een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.897,00;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 50,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht van € 37,00 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. A. Roelvink-Verhoeff. De beslissing is op 17 januari 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. L.H.W. Verdegaal, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.