Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AV2077

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-01-2006
Datum publicatie
20-02-2006
Zaaknummer
05/3194
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De mededeling op een aanslagbiljet dat de boete is gebaseerd op artikel 67f AWR betekent nog niet dat daarmee een boete is opgelegd. Er is dan in dit geval ook geen sprake van een tweede bestraffing terzake van hetzelfde feit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0386
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/3194

Uitspraakdatum: 30 januari 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X,

wonende te Z, eiser,

gemachtigde A (B, Registeraccountants en Belastingadviseurs te R),

en

de inspecteur van de Belastingdienst P,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft met dagtekening 28 december 2004 aan eiser een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 1999 tot en met 31 december 2000 opgelegd ten bedrage van € 13.960. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag heeft verweerder ten name van eiser een boetebeschikking genomen, waarbij een vergrijpboete van € 3.490 is opgelegd.

Het - uitsluitend - tegen de boetebeschikking gemaakte bezwaar, ingekomen op 18 januari 2005, heeft verweerder bij de uitspraak op bezwaar met dagtekening 8 juli 2005 ongegrond verklaard. Bij brief van 12 juli 2005, ingekomen op 13 juli 2005, heeft eiser beroep ingesteld tegen evenbedoelde uitspraak van verweerder. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 5 januari 2006 heeft eiser nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2006. Aldaar is verschenen namens eiser voornoemde A als gemachtigde, en namens verweerder C.

2. De feiten

2.1. Eiser was van 14 juli 1999 tot en met 14 februari 2001 eigenaar van een onroerende zaak. Hij verhuurde de onroerende zaak aan D B.V. Eiser houdt de aandelen van deze vennootschap.

2.2. Na een in 2004 door verweerder ingesteld onderzoek bij eiser heeft hij voormelde naheffingsaanslag van 28 december 2004 opgelegd, alsmede de onderhavige boetebeschikking genomen. De boete betreft een vergrijpboete op grond van artikel 67f, Algemene wet inzake rijksbelastingen wegens het (gedeeltelijk) niet betalen van de belasting, berekent naar 25% van de nageheven omzetbelasting, ofwel € 3.490.

2.3.1. Met dagtekening 5 december 2000 heeft verweerder - ambtshalve - aan eiser een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 1999 tot en met 31 december 1999 opgelegd ten bedrage van ƒ 10.000. Op het aanslagbiljet is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

Berekening Te betalen

Omzetbelasting ƒ 10 000 Openstaand bedrag ƒ 10 000

Openstaand bedrag ƒ 10 000 zie linkerkolom

Heffingsrente bij ƒ 331

zie toelichting

Te betalen ƒ 10 331

of € 4 688

(...)

Reden voor deze naheffingsaanslag

De Belastingdienst heeft u deze naheffingsaanslag

opgelegd omdat u de omzetbelasting (gedeeltelijk)

niet heeft betaald, of omdat u teveel

omzetbelasting heeft terugontvangen.

Toelichting bij de heffingsrente

(...)

De naheffingsaanslag is gebaseerd op artikel 20

van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De heffingsrente is gebaseerd op de artikelen 30f,

30h en 30j van de Algemene wet inzake

rijksbelastingen. De boete is gebaseerd op artikel

67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en

op het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst

1998.

(...)

2.3.2. Eveneens met dagtekening 5 december 2000 heeft verweerder - ambtshalve - aan eiser een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 30 juni 2000 opgelegd ten bedrage van ƒ 10.000. Het betreffende aanslagbiljet bevat dezelfde tekst als opgenomen onder 2.3.1, met uitzondering van hetgeen is opgenomen ter zake van de heffingsrente.

3. Het geschil

In geschil is of de boete behorende bij de naheffingsaanslag van 28 december 2004 ten onrechte is opgelegd, hetgeen eiser stelt en verweerder betwist.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank leidt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting af dat tussen partijen uitsluitend in geschil is het antwoord op de vraag of verweerder in strijd heeft gehandeld met het zogenoemde ne bis in idem beginsel, ofwel of verweerder de onderhavige boete niet mocht opleggen omdat eiser terzake van hetzelfde feit reeds eerder is bestraft.

4.2. Eiser stelt dat de onderhavige boete niet kon worden opgelegd aangezien er bij de naheffingsaanslagen van 5 december 2000 reeds boeten op grond van 67f, AWR zijn opgelegd.

4.3. Verweerder is van mening dat geen sprake is van tweede bestraffing voor hetzelfde feit, aangezien er bij de naheffingsaanslagen van 5 december 2000 geen boeten zijn opgelegd. Hetgeen is opgenomen op de betreffende aanslagbiljetten met betrekking tot een boete, berust volgens verweerder op een vergissing, maar houdt niet in dat daarmee een boete is opgelegd.

4.4. Ingevolge artikel 67g, lid 1, AWR, legt de inspecteur een boete op bij voor bezwaar vatbare beschikking. Volgens het tweede lid van genoemd artikel stelt de inspecteur de belastingplichtige uiterlijk bij de in het eerste lid bedoelde beschikking in kennis van de gronden waarop de oplegging van de boete berust.

4.5. De rechtbank stelt vast onder de kopjes ‘Berekening’ en ‘Te betalen’, zoals afgedrukt op de aanslagbiljetten van 5 december 2005, geen bedrag is opgenomen met betrekking tot een eventuele boete. De rechtbank is van oordeel dat daarmee vaststaat dat verweerder op dat moment geen boetebeschikkingen heeft genomen. De enkele mededeling dat de boete is gebaseerd op artikel 67f, AWR, brengt nog niet met zich dat daarmee een boetebeschikking is genomen en eiser daadwerkelijk is beboet. Uit het voorgaande volgt dat met het opleggen van de onderhavige boete geen sprake kan zijn van het voor een tweede keer bestraffen van hetzelfde feit. Het gelijk op dit punt is derhalve aan verweerder.

4.6. Eisers beroep op de uitspraak van Hof Amsterdam van 11 maart 2005, nr. 03/04181, doet aan het voorgaande niet af, omdat in die uitspraak vast stond dat twee boeten waren opgelegd en voorts is daarin uitsluitend een oordeel gegeven met betrekking tot (het ontbreken van) de gronden van de als laatst opgelegde boete.

4.7. Nu eiser overigens geen grieven tegen de boete heeft geuit en de rechtbank ambtshalve geen gronden aanwezig acht om de boete te vernietigen of te verminderen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskosten-veroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. A.J. Roke. De beslissing is op 30 januari 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. O. Nijhuis, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.