Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AV1373

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-01-2006
Datum publicatie
15-02-2006
Zaaknummer
05/2269
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Levering van auto’s aan buiten de EU woonachtige/gevestigde afnemers. Er is niet voldaan is aan de in artikel 12 Uitv.besl.omzetbelasting en onderdeel 7, par. 6 Voorschrift In- en Uitvoer gestelde eisen. Eiser is nalatig geweest door het niet vervullen van de voor de toepassing van het nultarief gestelde eisen. Boete van 25% passend en geboden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67f
Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 12
Wet op de omzetbelasting 1968 9
Wet op de omzetbelasting 1968 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0334
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige

belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/2269

Uitspraakdatum: 31 januari 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X,

wonende te Z, eiser,

gemachtigde A,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 met dagtekening 26 november 2003 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd, berekend op € 6.195 aan enkelvoudige belasting. Tevens heeft verweerder aan eiser bij beschikking met dezelfde dagtekening een boete van € 3.097 opgelegd.

Op het door eiser tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking tijdig ingediende bezwaar heeft verweerder, bij in één geschrift vervatte uitspraken met dagtekening 22 april 2005, de naheffingsaanslag verminderd tot één berekend op € 4.059 aan enkelvoudige belasting en heeft hij de boete verminderd tot € 1.015.

Het door eiser tegen voormelde uitspraken ingesteld beroep is op 2 juni 2005 bij de rechtbank ingekomen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2005. Verschenen zijn eiser en voormelde gemachtigde, alsmede namens verweerder B en C.

2. De feiten

2.1. Eiser is ondernemer in de zin van artikel 7 Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). De ondernemingsactiveiten bestaan uit de in- en verkoop van gebruikte personenauto’s. Eiser verkoopt en levert de auto’s onder andere aan kopers die niet ingezetenen van de EU zijn. Met betrekking tot laatstgenoemde verkopen bewaart eiser de factuur, een kopie van het paspoort van de koper en het formulier RDW 323 (intrekking alsmede inleveringsbewijs van het kenteken).

2.2. Op 28 juni 2001 is door controlemedewerkers van verweerder bij eiser een bedrijfsbezoek afgelegd met als doel ‘het vaststellen van de actuele handelsvoorraad’. Naar aanleiding hiervan is met dagtekening 5 september 2001 een rapport opgesteld. In het rapport is onder punt ‘3. Uitvoer’ vermeld:

“Er worden veel auto's uitgevoerd.

In verband hiermede vermeld ik hier het volgende.

Indien een niet-ingezetene van de EU een auto koopt en deze zelf uitvoert is de levering in beginsel belast is met 19%. Indien uit het geheel van boeken en bescheiden blijkt dat de auto het grondgebied van de EU heeft verlaten kan het nultarief worden toegepast.

De uitvoer kan aangetoond worden door uitvoer documenten te overleggen. Naast de facturen en de uitvoerverklaringen RDW 323 kunnen kopieën van vrachtbrieven, facturen van vervoersondernemers en in het buitenland gedane invoeraangiften de uitvoer aantonen. Een aanvullend bewijs kan een door de douane (aan de buitengrens van de EU) afgetekende kopiefactuur zijn.

Een praktisch probleem is dat meegegeven documenten vaak niet teruggestuurd worden. Ik adviseer om in voorkomende gevallen alles te doen om deze stukken toch terug te krijgen. Dé oplossing is om omzetbelasting in rekening te brengen en later bij ontvangst van de uitvoerdocumenten deze te restitueren.

Indien de uitvoer kan worden aangetoond dient (bij een margeauto) een correctie te worden toegepast op de marge-inkopen ter grootte van de inkoopprijs van de desbetreffende auto en voor de levering het nultarief worden toegepast. Op de factuur mag op generlei wijze BTW vermeld te worden, ook niet "BTW O%"! Tevens dient op de factuur vermeld te worden "margeregeling toegepast". Bij een BTW-auto kan dan ook het nultarief worden toegepast. Op de factuur wordt dan wel "BTW 0%" vermeld!

Indien de uitvoer niet kan worden aangetoond dient bij een marge-auto 19% BTW afgedragen te worden over de winstmarge. Bij een BTW-auto dient dan over de verkoopprijs 19% BTW te worden berekend.”

2.3. Op 18 februari 2003 is bij eiser een boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het jaar 2001 ingesteld. Met dagtekening 23 oktober 2003 is daarvan het definitieve rapport opgemaakt. Het rapport is bij brief van 29 oktober 2003 aan eiser toegezonden. In onderdeel 1 van het rapport is vermeld dat het boekenonderzoek zich heeft beperkt tot de intracommunautaire leveringen van personenauto’s en de leveringen van personenauto’s buiten de EU (export). In onderdeel 3.4. van het rapport is vermeld dat in verband met de geconstateerde onregelmatigheden de verschuldigde omzetbelasting dient te worden vastgesteld op hfl. 13.651. In onderdeel ‘3.5 Aantonen uitvoer’ is onder meer opgenomen een tekst die nagenoeg geheel gelijk is aan de tekst van onderdeel ‘3. Uitvoer’ van het rapport van 5 september 2001, hiervoor onder 2.2. opgenomen. In onderdeel 4.2. van het rapport van 23 oktober 2003 is vermeld dat over het jaar 2001 een naheffingsaanslag omzetbelasting zal worden opgelegd. Voorts is in onderdeel 4.2.1. van dit rapport vermeld dat met toepassing van artikel 67f Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en de paragrafen 25 en 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: het Besluit) een vergrijpboete van 50 procent wordt opgelegd.

2.4. Na het door eiser ingediende bezwaar is de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.059 aan omzetbelasting en is de boete verminderd tot 25 procent van € 4.059, ofwel € 1.015.

De uiteindelijk nageheven omzetbelasting bestaat uit € 3.296 ter zake van het in de periode 5 september 2001 tot en met 31 december 2001 ten onrechte toepassen van het nultarief en uit € 763 ter zake van aansluitverschillen, margeregeling, etc.

3. Het geschil

In geschil is of het onder 2.4. vermelde bedrag van € 3.296 terecht is nageheven. Tevens is in geschil de boete met betrekking tot de gestelde onterechte toepassing van het nultarief.

4. Standpunten van partijen

4.1. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat de naheffingsaanslag met € 3.296 moet worden verminderd, omdat eiser de uitvoer van de desbetreffende auto’s heeft aangetoond. Eiser heeft in september 2001 geen actie ondernomen, omdat uit het rapport van 5 september 2001 in eerste instantie niet bleek dat de door hem bewaarde documenten niet voldoende waren. Na verdere navraag in 2002 bleek een uitvoer via T-1 documenten te duur. De naheffingsaanslag moet tot € 763 aan enkelvoudige belasting worden verminderd en de boete tot nihil. Voorts wil eiser vergoeding van proceskosten, door hem begroot op € 850.

4.2. Verweerder stelt dat in de gevallen waarover is nageheven het formulier RDW 323, kopie van een paspoort en – in sommige gevallen – een vrijwaring zijn aangetroffen. Uit deze bescheiden blijkt de intentie dat de auto’s zullen worden uitgevoerd. Of die uitvoer daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is niet overtuigend aangetoond.De boete is terecht omdat eiser in september 2001 was gewezen op de manier hoe de uitvoer moest worden aangetoond. Voor de vergoeding van proceskosten dient te worden uitgegaan van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.3. Ter zitting hebben partijen hieraan nog het volgende toegevoegd:

Eiser:

De kosten voor een uitvoerdocument (bijvoorbeeld per koerier) zijn al € 200, terwijl de winst op een auto € 300 bedraagt. De bestuurder tekent ervoor dat hij met de auto naar het land van bestemming gaat. Een inwoner van Polen kan in Duitsland geen auto registreren.

Eiser ontvangt een vrijwaringsbewijs.

Eisers gemachtigde:

Een buiten de EU woonachtig persoon koopt op de markt in D. De RDW maakt het kenteken ter plekke ongeldig. Er wordt een voorlopig kenteken gemaakt voor de uitvoer. De naam van de koper en het land van bestemming worden vermeld. In geen enkel EU-land kan de auto dan weer worden geregistreerd (ook niet in Nederland). Verkoop in andere EU-landen is alleen theoretisch: het gaat om auto’s van geringe waarde waarin niemand is geïnteresseerd. Vanaf het moment dat Polen in de EU kwam, is eiser gestopt met de verkoop aan Polen.

De wet is niet duidelijk over de verlangde bescheiden. In het rapport staat niet dat alle documenten moeten worden overgelegd: er worden enkele genoemd.

De aansluitverschillen zijn puur het gevolg van een fout onzerzijds. Het gaat om grote aantallen auto’s. De verschillen betroffen maar twee à drie auto’s. Ik heb niet eerder gezien dat daarvoor een boete is opgelegd.

Verweerder:

Als het kenteken weg is, is de auto nog niet verdwenen. De auto kan ook in Duitsland rondrijden. Men kan niet zien waar de auto is. De auto kan ook in een ander EU-land worden geregistreerd. De nieuwe eigenaar heeft alle documenten op basis waarvan dat mogelijk is.

Wat betreft de aansluitverschillen: het ging om meer dan één auto. Ook ging het om de marges.

De boete met betrekking tot de aansluitverschillen kan vervallen.

5. Toepasselijke regelgeving

Artikel 9 van de Wet (tekst 2001) luidt:

1. De belasting bedraagt 19 percent.

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting: (...) b. nihil voor leveringen van goederen (...), genoemd in de bij deze wet behorende tabel II, mits is voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden.

Tabel II luidt:

a.2. goederen welke door een ondernemer worden:

- uitgevoerd uit de gemeenschap.

Artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: het Uitv.besl.) luidt:

1. De aanspraak op toepassing van het tarief van nihil voor leveringen (...) genoemd in de bij de wet behorende tabel II, geldt slechts, indien de toepasselijkheid van dat tarief uit boeken en bescheiden blijkt.

2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, is het tarief van nihil slechts van toepassing: (...) wat betreft de levering van een motorrijtuig waarvoor ter zake van de in artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994 bedoelde opgaaf van een kenteken een bewijs is afgegeven en welk motorrijtuig door een ondernemer (...) wordt uitgevoerd uit de Gemeenschap (...), indien de ondernemer een schriftelijke verklaring van de inspecteur kan overleggen waaruit blijkt dat dat bewijs bij hem is ingeleverd.

Het Voorschrift In- en Uitvoer (1994), Besluit van 1 augustus 1994, nr. VB94/2257, zoals dit is gewijzigd bij het Besluit van 12 december 1994, nr. VB94/3979 (hierna: Voorschrift In- en Uitvoer) luidt:

7 Uitvoer

§6 Uitvoer van gebruikte personenauto’s door particulieren

Ook bij uitvoer van personenauto's door particulieren uit derde-landen dient voor de toepassing van het nultarief door de leverancier van de desbetreffende auto's te worden aangetoond dat de auto's het grondgebied van de Gemeenschap hebben verlaten. Daartoe dient een door de douane van de Lid-Staat van uitgaan afgetekend bewijsstuk, zoals een factuur, een kopie-factuur of een ander daarmee gelijk te stellen bescheid. Het ontmoet overigens geen bezwaar dat de leverancier de uitvoer aantoont aan de hand van een door bemiddeling van de koper verkregen bewijsstuk waaruit blijkt dat de geleverde personenauto in een land buiten de Gemeenschap definitief is ingevoerd, zoals een afschrift van een in een dergelijk land gedane definitieve aangifte ten invoer.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet geschiedt de levering van de auto’s door eiser aan de buiten de EU woonachtige/gevestigde afnemers in Nederland. Ter zake van deze levering is Nederlandse omzetbelasting verschuldigd. Dit is slechts anders indien is voldaan aan de hiervoor onder 5. opgenomen voorwaarden. De toepasselijkheid van het tarief van nihil moet derhalve blijken uit boeken en bescheiden. Dit houdt in dat eiser overtuigend dient aan te tonen dat de desbetreffende auto’s uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd. Bij gebreke van een door de douane van de Lid-Staat van uitgaan afgetekend bewijsstuk, zoals een factuur, een kopie-factuur of een ander daarmee gelijk te stellen bescheid, dan wel van de kopers verkregen bewijsstukken waaruit blijkt dat de geleverde personenauto in een land buiten de Gemeenschap definitief is ingevoerd, zoals een afschrift van een in een dergelijk land gedane definitieve aangifte ten invoer, is niet gebleken dat de auto’s daadwerkelijk de gemeenschap hebben verlaten. Eiser heeft derhalve niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De in het geding zijnde omzetbelasting is dan ook terecht nageheven.

6.2. Aan het onder 6.1. overwogene doet niet af de stelling van eiser dat uit het rapport van 5 september 2001 (opgenomen onder 2.2. hiervoor) in eerste instantie niet zou blijken dat de door hem bewaarde documenten niet voldoende zouden zijn, dat hij daarom in september 2001 nog geen actie had ondernomen en dat bij verdere navraag in 2002 bleek dat kosten onevenredig hoog zouden zijn, indien van uitvoer door middel van T-1 documenten gebruik zou worden gemaakt. Het Voorschrift In- en Uitvoer geeft immers duidelijke aanwijzingen over stukken die als bewijs kunnen dienen, terwijl eiser blijkens zijn navraag zelf kennelijk ook twijfelde aan zijn visie dat hij voldeed aan alle vereisten voor het nihiltarief. De omstandigheid dat eiser eerst in 2002 navraag deed, komt voor zijn rekening.

6.3. Met betrekking tot de ter zake van de niet aangetoonde uitvoer opgelegde boete is de rechtbank van oordeel dat eiser nalatig is geweest door het niet vervullen van de voor de toepassing van het nultarief gestelde eisen. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus sprake van grove schuld van eiser ten gevolge waarvan hij over het tijdvak 5 september tot en met 31 december 2001 te weinig omzetbelasting heeft voldaan. De door verweerder tot op 25 procent kwijtgescholden boete is onder de omstandigheden van de zaak passend en geboden.

6.4. Niet in geschil is dat de boete ter zake van de aansluitverschillen dient te vervallen.

7. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten fiscale procedures vastgesteld op € 322 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor van 0,5 in verband met de complexiteit van de zaak). De in verband met de bezwaarprocedure opgekomen kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking nu niet is gebleken dat eiser overeenkomstig artikel 7:15, tweede lid, van de Awb tijdig om vergoeding van deze kosten heeft verzocht.

8. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de boete;

- stelt de boete vast op € 824;

- bevestigt de uitspraak voor het overige;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 322, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan eiser dient te vergoeden; en

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht ad € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. A. Roelvink-Verhoeff, voorzitter, mr. A.J. Roke en mr. A. van Dongen. De beslissing is op 31 januari 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.