Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AV0679

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-01-2006
Datum publicatie
31-01-2006
Zaaknummer
05-1015 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De handelswijze van verweerder door eigener beweging over een langere periode voorschotten te verstrekken, zonder zich ervan te vergewissen of eiser in aanmerking zou kunnen komen voor een WW-uitkering, is in hoge mate onzorgvuldig te achten. Dit en de persoonlijke omstandigheden van eiser maken dat de rechtbank in dit specifieke geval van oordeel is dat het dwingendrechtelijk karakter van de terugvordering van de onverschuldigd betaalde voorschotten in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht, dat hierom geen rechtsplicht meer bestaat om over te gaan tot terugvordering van deze onverschuldigd betaalde voorschotten. Verweerder heeft derhalve niet tot het bestreden besluit kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 05 - 1015 WAO

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2006

in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser,

gemachtigde: mr. M.M. Brink, advocaat te Haarlem,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2004 heeft verweerder een bedrag van € 8.762,64 van eiser teruggevorderd in verband met ten onrechte aan hem betaalde voorschotten op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 3 juni 2004 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 februari 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 10 maart 2005, door de rechtbank ontvangen op 14 maart 2005, gemotiveerd beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 24 november 2005, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Brink, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde B.M. Kleijs.

2. Overwegingen

2.1 Op 29 maart 2001 is eiser uitgevallen voor zijn werkzaamheden als productiemedewerker. Op 28 november 2001 heeft eiser een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een WAO-uitkering. Bij besluit van 30 mei 2002 heeft verweerder eiser met ingang van 28 maart 2002 een voorschot toegekend van € 56,41 bruto per uitkeringsdag. Dit bedrag is gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 - 100 %. Bij besluit van 6 juni 2002 heeft verweerder aangegeven dat het hiervoor bedoelde voorschot ingaat op 24 april 2002, omdat eiser op die datum 52 weken arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 17 oktober 2002 heeft verweerder bepaald dat eiser geen recht heeft op de door hem aangevraagde WAO-uitkering. Bij besluit van 17 oktober 2002 heeft verweerder meegedeeld dat het voorschot dat eiser ontvangt op een WAO-uitkering wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop het voorschot is toegekend. Tegen de besluiten van 17 oktober 2002 heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.

2.2. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser ten onrechte over de periode van 28 maart 2002 tot 1 november 2002 een voorschot voor een WAO-uitkering heeft ontvangen. Verweerder is verplicht dit ten onrechte betaalde voorschot terug te vorderen. Er zijn geen dringende redenen aanwezig om van terugvordering af te zien. De door eiser aangevoerde financiële omstandigheden zijn hiertoe onvoldoende. De omstandigheid dat verweerder laat een terugvorderingsbeslissing heeft genomen, levert geen dringende reden op in de zin van artikel 57, vierde lid, WAO.

2.3. Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat verweerder de toegekende voorschotten ten onrechte van hem terugvordert. Uit het bestreden besluit is niet duidelijk wat de grond is van de terugvordering. Verweerder is pas na lange tijd over gegaan tot terugvordering van de verstrekte voorschotten. Door zo lang stil te zitten heeft verweerder het recht op terugvordering verspeeld en is sprake van een dringende reden om niet tot terugvordering over te gaan. Eiser stelt dat hij over de periode dat verweerder de voorschotten heeft verstrekt geen recht had op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en dat het voor hem niet mogelijk is over deze periode met terugwerkende kracht een bijstanduitkering aan te vragen.

Ter zitting heeft eiser benadrukt dat de terugvordering naast grote financiële gevolgen ook sociale gevolgen met zich brengt. Eiser leeft thans samen met zijn echtgenote en drie schoolgaande kinderen van een bijstanduitkering en is nauwelijks in staat met zijn gezin het hoofd boven water te houden. Eiser heeft in zijn kennissenkring geld moeten lenen, dat hij spoedig moet aflossen. Eiser lijdt voorts aan depressies. Hiervoor gebruikt hij via zijn huisarts medicatie. Door het bestaan van de schuld is zijn depressie toegenomen.

2.4 In artikel 57, eerste lid, WAO is bepaald dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de belanghebbende wordt teruggevorderd.

In het vierde lid van voornoemd artikel is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan besluiten om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

2.5 Vaststaat dat eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de besluiten van 17 oktober 2002. Hiermee zijn deze besluiten rechtens onaantastbaar geworden en staat derhalve vast dat eiser geen recht heeft op een WAO-uitkering en de verleende voorschotten zijn ingetrokken. Dit leidt tot de conclusie dat de aan eiser verstrekte voorschotten over de periode van 28 maart 2002 tot 1 november 2002 onverschuldigd zijn betaald. Ingevolge artikel 57, eerste lid, WAO, bestaat voor verweerder de rechtsplicht hetgeen onverschuldigd is betaald terug te vorderen.

2.6 Ingevolge jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (onder meer de uitspraak van 6 juli 2004, LJN: AQ3708) zijn er echter bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een dergelijk bijzonder geval en overweegt hiertoe als volgt.

2.7 Uit het dossier blijkt dat de datum einde wachttijd voor eiser is bepaald op 24 april 2002. Eiser heeft ruim hiervoor, op 28 november 2001, bij verweerder een aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering. Verweerder is, zonder dat dit te wijten was aan eiser, er niet toe overgegaan de WAO-aanvraag te beoordelen vóór 24 april 2002. Hierop heeft verweerder eigener beweging besloten eiser voorschotten te verstrekken op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100 %. Uit het dossier blijkt niet naar aanleiding waarvan verweerder deze voorschotten heeft verstrekt en de gemachtigde van verweerder heeft dit ter zitting ook niet kunnen aangeven. De gemachtigde van verweerder heeft evenmin kunnen aangeven of bij de beslissing over te gaan tot het verstrekken van voorschotten is betrokken of eiser recht zou hebben op een WW-uitkering. Het gevolg van het op deze wijze verstrekken van voorschotten gedurende ruim zeven maanden is dat eiser zich, na de afwijzing van zijn WAO-aanvraag, geconfronteerd ziet met een grote schuld. Eiser heeft over de periode, waarover de voorschotten zijn verstrekt, immers geen recht op een WW-uitkering, zodat de ten onrechte betaalde voorschotten niet verrekend kunnen worden. Voorts is onaannemelijk dat eiser in 2004 (het moment van terugvordering) over deze periode met terugwerkende kracht in aanmerking zou komen voor een bijstandsuitkering. De rechtbank is van oordeel dat deze handelswijze van verweerder buitengewoon onzorgvuldig is.

Voorts heeft verweerder, nadat bij besluit van 17 oktober 2002 was besloten de voorschotten in te trekken, nog tot 7 mei 2004 gewacht met het besluit waarbij daadwerkelijk is overgegaan tot terugvordering van de voorschotten. Ook dit acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden niet zorgvuldig.

2.8 Voorts is van belang dat eiser thans met zijn gezin leeft van een bijstandsuitkering en dat hij, zoals uit het dossier naar voren komt (rapport arbeidsdeskundige van 7 oktober 2002) psychische beperkingen ondervindt. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij lijdt aan depressies en dat hij hiervoor medicatie gebruikt. De rechtbank acht eisers stelling dat zijn depressie ten gevolge van zijn schulden is verergerd niet op voorhand onaannemelijk.

2.9 De rechtbank overweegt dat de handelswijze van verweerder door eigener beweging over een langere periode voorschotten te verstrekken, zonder zich ervan te vergewissen of eiser in aanmerking zou kunnen komen voor een WW-uitkering, in hoge mate onzorgvuldig is te achten. Dit en de persoonlijke omstandigheden van eiser maken dat de rechtbank in dit specifieke geval van oordeel is dat het dwingendrechtelijk karakter van de terugvordering van de onverschuldigd betaalde voorschotten in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht, dat hierom geen rechtsplicht meer bestaat om over te gaan tot terugvordering van deze onverschuldigd betaalde voorschotten. Verweerder heeft derhalve niet tot het bestreden besluit kunnen komen.

2.10 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en de besluiten van 7 mei 2004 en 24 februari 2005 vernietigen.

2.11 In dit geval bestaat aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

2.12 Uit de gegrondverklaring van het beroep volgt tevens dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht

ad € 37,-- dient te vergoeden.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de besluiten van 7 mei 2004 en 24 februari 2005;

3.3 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-- te betalen door het UWV aan de griffier van de rechtbank;

3.4 gelast dat het UWV het door eiser betaalde griffierecht van € 37,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, en op 27 januari 2006 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.J. Giling, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.