Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AV0331

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-01-2006
Datum publicatie
03-02-2006
Zaaknummer
05-3952
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiser is een navorderingsaanslag opgelegd, waarbij de verleende heffingskortingen zijn nagevorderd. Op het moment van het verlenen van de heffingskortingen had zijn echtgenote nog een positief belastbaar inkomen. De bezwaarschriften tegen de aanslagen van beide partners waren tegelijkertijd binnengekomen, waardoor het bekend was dat de echtgenote ook een negatief inkomen had.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Wet inkomstenbelasting 2001 8.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/3952

Uitspraakdatum: 20 januari 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

A,

wonende te Y,

eiser,

gemachtigde K te L,

en

de inspecteur van de Z,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft op 14 april 2005 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: navorderingsaanslag) opgelegd aan eiser over het jaar 2001. De aanslag is berekend naar een te betalen bedrag van in totaal € 2.210.

Op 27 mei 2005 is bij verweerder een bezwaarschrift binnengekomen tegen de navorderingsaanslag. Bij uitspraak op bezwaar van 6 juli 2005 heeft verweerder de navorderingsaanslag gehandhaafd. Eiser heeft beroep tegen de uitspraak ingesteld. Het beroepschrift is op 11 augustus 2005 binnengekomen bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 december 2005. Ter zitting is verschenen de gemachtigde van eiser en namens verweerder C.

De gemachtigde van eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder. De rechtbank rekent deze pleitnota met de daarbij behorende bijlagen tot de stukken van het geding.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1. Eiser is gehuwd met B (hierna: de echtgenote). Eiser drijft samen met zijn echtgenote een onderneming. Eiser en zijn echtgenote hebben verzuimd aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen te doen over het jaar 2001, zodat aan hen over dat jaar ambtshalve aanslagen zijn opgelegd.

2.2. De aan eiser opgelegde ambtshalve aanslag, gedagtekend 7 april 2004, is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.000. Ook de aan de echtgenote van eiser opgelegde ambtshalve aanslag is tot een positief bedrag opgelegd. Bij het opleggen van beide aanslagen zijn heffingskortingen aan beide belastingplichtigen toegekend.

2.3. Op 11 mei 2004 heeft de gemachtigde tegen beide aanslagen bezwaar gemaakt, waarbij alsnog namens beide belastingplichtigen de vereiste aangiften zijn gedaan. Blijkens het fax logboek van de gemachtigde zijn de bezwaarschriften met bijlagen om 20:29 uur respectievelijk 20:45 uur aan verweerder gefaxt.

2.4. Naar aanleiding van het bezwaar zijn beide aanslagen bij uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2004 verminderd naar nihil. Bij de vermindering van de aanslag van eisers echtgenote zijn de aan haar reeds toegekende heffingskortingen teruggevorderd.

2.5. Bij de thans in geding zijnde navorderingsaanslag, gedagtekend 14 april 2005, zijn de aan eiser toegekende heffingskortingen ad € 1.992 teruggevorderd, vermeerderd met de daarover verschuldigde heffingsrente ad € 218.

3. Het geschil

Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd aan eiser.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) luidt als volgt:

"Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is."

4.2. Eiser stelt dat er geen sprake is van een nieuw feit dat de navordering rechtvaardigt. Verweerder was reeds ten tijde van de behandeling van beide bezwaarschriften bekend, althans had ermee bekend kunnen zijn, dat de echtgenote van eiser ook een negatief belastbaar inkomen uit werk en woning over het jaar 2001 had, zodat eiser geen aanspraak kon maken op heffingskortingen.

4.3. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat bij het afhandelen van het bezwaarschrift van eiser eerst het inkomen van de echtgenote op nihil gezet had moeten worden, alvorens de vermindering in het systeem in te voeren. Dit is volgens verweerder gelijk te stellen met een schrijf- of tikfout, waarbij het voor eiser kenbaar was dat bij de totstandkoming van de aanslag een fout was gemaakt. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting nader toegelicht dat de fout is ontstaan doordat eerst de aangifte van eiser is afgehandeld en deze vervolgens is gekoppeld aan de op dat moment bekende gegevens van de echtgenote. Op basis daarvan is de uitspraak op bezwaar tot stand gekomen. Daarna is de in het bezwaarschrift vervatte aangifte van de echtgenote behandeld, die vervolgens is gekoppeld aan de gegevens van eiser, waarbij bleek dat beiden een negatief inkomen hadden, zodat voor de echtgenote geen recht bestond op toekenning van heffingskortingen.

4.4. In de omstandigheden van dit geval is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat. Ten tijde van de beoordeling van eisers aangifte beschikte verweerder over zowel de juiste gegevens van eiser als die van zijn echtgenote, die immers op dezelfde avond ongeveer een kwartier na elkaar per fax aan verweerder zijn toegezonden. De normale zorgvuldigheid die verweerder bij het beoordelen van bezwaarschriften in acht dient te nemen brengt dan mee dat hij bij de vaststelling van de uitspraak op bezwaar al die gegevens mee had moeten nemen in zijn beoordeling. Dit klemt te meer nu eiser en zijn echtgenote elkaars fiscaal partner zijn op grond van hun huwelijkse staat. Indien verweerder dit had gedaan, was hij aanstonds bekend geweest met het feit dat ook de echtgenote een negatief belastbaar inkomen had, zodat er geen recht was op toekenning van de heffingskortingen. Van een nieuw feit of een intoets-, schrijf- of tikfout kan in dit geval niet worden gesproken.

4.5. Evenmin is sprake van kwade trouw in de zin van artikel 16, eerste lid, van de AWR aangezien eiser niet opzettelijk onjuiste inlichtingen aan verweerder heeft verstrekt of opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden.

4.6. Nu er sprake is van een ambtelijk verzuim, is het antwoord op de vraag of het voor eiser wel of niet kenbaar was dat verweerder een fout had gemaakt, niet relevant.

4.7. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de navorderingsaanslag niet in stand kan blijven, omdat niet voldaan is aan de in artikel 16, eerste lid, van de AWR gestelde voorwaarden voor navordering.

5. Proceskosten

De rechtbank zal verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ad € 644 (€ 322 x 2 wegens proceshandelingen x 1 wegens het gewicht van de zaak). Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak en de daarbij gehandhaafde navorderingsaanslag;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644 en wijst de Staat der Nederlanden (ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan eiser moet voldoen;

- gelast de Staat der Nederlanden (ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J.L. Bruinsma. De beslissing is op 20 januari 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M. Put, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.