Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AU9024

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-01-2006
Datum publicatie
04-01-2006
Zaaknummer
119753 - KG ZA 05-679
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Toepassing van bestuursdwang bestaande uit afsluiting en/of verwijdering gastank in chaletpark is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet onrechtmatig. In kort geding gevorderd verbod op het toepassen van deze bestuursdwang wordt daarom afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 119753 / KG ZA 05-679

Vonnis in kort geding van 4 januari 2006

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HRP RECREATIE MAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de coöperatie

DE COOPERATIEVE GASEXPLOITATIECOOPERATIE WIJDEWORMER U.A.,

gevestigd te Wijdewormer (gemeente Wormerland),

eiseressen,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. J.W. van der Linde te Ede,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE WORMERLAND,

zetelend te Wormer,

gedaagde,

procureur mr. H.K. Garvelink,

advocaat mr. F.M.G.M. Leyendeckers te Utrecht.

Partijen zullen hierna HRP c.s. en de Gemeente genoemd worden. Eiseressen zullen afzonderlijk HRP en de Coöperatie worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van HRP c.s.

- de pleitnota van de Gemeente.

1.2. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft HRP c.s. per fax een brief van haar raadsman d.d. 22 december 2005 met aangehecht zes producties aan de voorzieningenrechter doen toekomen. De tot deze producties behorende brief van mr. I. Goedings d.d. 15 september 2005 kan niet als gedingstuk worden aangemerkt nu de Gemeente hiertegen bezwaar heeft gemaakt en niet is gebleken dat de voormelde brief d.d. 22 december 2005 en producties (tijdig) aan de raadsman van de Gemeente zijn toegestuurd.

2. De feiten

2.1. HRP exploiteert op het perceel Oosterdwarsweg 8 te Wijdewormer een chaletpark, genaamd ‘Chaletpark De Wijde Wormer’. Tot het park behoren negenendertig chalets, die op eigen grond staan. De exploitatie door HRP betreft de wegen, de open ruimte en de nutsvoorzieningen, waaronder de levering van gas.

2.2. Op het terrein van het park is een tank met propaangas geplaatst. De chalets worden vanuit deze tank via leidingen van gas voorzien. De gastank wordt gehuurd van de firma OK Gas.

2.3. Bij aanschrijving d.d. 13 augustus 2004 heeft de Gemeente aan HRP medegedeeld dat zij, voor zover hier relevant, de volgende overtredingen heeft geconstateerd:

‘1- De wettelijke minimale afstand van een propaantank met een maximale inhoud van 5 m3 tot woningen van derden en tevens tot chalets (objecten categorie 1) is 40 meter. Vastgesteld is dat de afstand tot de dichtstbijzijnde woning van derden kleiner dan 14 meter is. Dit is een overtreding van voorschrift 8.1.4 van het Besluit voorzieningen installaties milieubeheer (hierna: Besluit).

2- De afstand van het vulpunt en de opstelplaats van de tankwagen die de tank voorziet van propaan, op dit moment kleiner dan 20 meter, is niet in overeenstemming met de minimale afstand van 20 meter tot de woningen van derden, inclusief chalets. Dit is een overtreding van voorschrift 8.1.4 van het Besluit.

(...)’

In deze aanschrijving heeft de Gemeente HRP gelast om de genoemde overtredingen binnen zes weken te beëindigen, bij gebreke waarvan zij zal overgaan tot het toepassen bestuursdwang, bestaande uit verzegeling en eventueel verwijdering van de gastank.

2.4. Het tegen deze aanschrijving gemaakte bezwaar is door de Gemeente ongegrond verklaard. Tegen laatstgenoemd besluit heeft HRP beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ingesteld. Bij uitspraak d.d. 20 juli 2005 heeft de Afdeling dit beroep ongegrond verklaard.

2.5. Op 17 oktober 2005 heeft HRP de gastank verplaatst naar een locatie op veertig meter afstand van de in de aanschrijving bedoelde woning. Op deze nieuwe locatie bevindt de gastank zich op een afstand van minder dan veertig meter tot de dichtstbijzijnde chalets.

2.6. Op initiatief van HRP is op 31 oktober 2005 de Coöperatie opgericht. Volgens artikel 2 van de desbetreffende akte heeft de Coöperatie ten doel het behartigen van de stoffelijke belangen van de leden door met hen overeenkomsten te sluiten ter zake van de leverantie van gas op het chaletpark. Lid van de Coöperatie zijn onder meer negen eigenaren van chalets die zich bevinden in (of nabij) een straal van veertig meter ten opzichte van de nieuwe locatie van de gastank.

2.7. Bij brief d.d. 1 december 2005 heeft de raadsman van de Gemeente aan de raadsman van HRP c.s. bericht dat de Gemeente zich gerechtigd acht om de aanschrijving d.d. 13 augustus 2004 volledig te effectueren en dat zij hier in week 49 toe zal overgaan.

2.8. Een brief van HRP aan de (voorzitter van de) Coöperatie d.d. 15 december 2005 heeft de volgende inhoud:

‘Door middel van dit schrijven bevestigen wij U als voorzitter van de Coöperatieve Gasexploitatie Wijdewormer U.A. het volgende:

In het kader van de oprichting van de Coöperatie zijn wij overeengekomen dat de Coöperatie de volledige zeggenschap heeft verkregen over de gastank, met onachtzame van hetgeen in de notariële acte is opgesteld over de gastank op het chaletpark. De Coöperatie heeft geen inspraak over de in- en verkoopprijzen van gas.’

3. Het geschil

3.1. HRP c.s. vordert dat de voorzieningenrechter de Gemeente zal verbieden de aanschrijving van 13 augustus 2004 jegens HRP c.s. ten uitvoer te leggen door middel van bestuursdwang op te treden tegen de aanwezigheid van de gastank van HRP c.s. op het perceel Oosterdwarsweg te Wijdewormer, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 25.000,-- (vijfentwintigduizend euro) aan elk van eiseressen, uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de Gemeente in de kosten van de onderhavige procedure.

3.2. Stellende daarbij een spoedeisend belang te hebben legt HRP c.s. aan deze vordering ten grondslag dat de Gemeente onrechtmatig jegens hen handelt door over te gaan tot effectuering van de aanschrijving. Zij voert hiertoe het volgende aan.

3.3. In de eerste plaats geldt dat de aanschrijving is gericht aan HRP, terwijl de zeggenschap over de gastank op dit moment bij de Coöperatie berust. Voordat de Gemeente tot toepassing van bestuursdwang kan overgaan moet zij daarom eerst de Coöperatie aanschrijven. Door het oprichten van de Coöperatie en het aan haar overdragen van de zeggenschap over de gastank is er bovendien sprake van een nieuwe inrichting die voldoet aan voorschrift 8.1.4 van het Besluit Voorzieningen en Installaties Milieubeheer. De gemeenteambtenaren met wie HRP c.s. over een oplossing heeft overlegd, hebben ook uitdrukkelijk met deze constructie ingestemd, terwijl HRP c.s. er op mocht vertrouwen dat die ambtenaren bevoegd waren om zodanige toezeggingen namens de Gemeente te doen. Voorts ziet de aanschrijving op de oude locatie van de gastank. Nu de gastank een nieuwe locatie heeft, waar legalisatie mogelijk is en aan de geldende regelgeving wordt voldaan, kan de Gemeente hooguit overgaan tot het doen van een nieuwe aanschrijving. Bij het voorgaande komt nog dat de Gemeente op dit moment geen belang bij het uitoefenen van bestuursdwang heeft. HRP is bezig om in nauw overleg met de Gemeente een definitieve oplossing voor de plaatsing van de gastank te vinden, maar moet nog de daarvoor benodigde vergunningsprocedures doorlopen. Afsluiting van de gastank betekent dat de chaletbewoners van verwarming en heet water zullen zijn verstoken dan wel dat zij zich ieder apart door middel van een kleine tank van gas moeten voorzien. Het werken met dergelijke gastankjes is onevenredig duur en gevaarlijk, aldus - nog steeds - HRP c.s.

3.4. De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Partijen twisten over de vraag of er thans nog sprake is van een overtreding van voorschrift 8.1.4 van bijlage 1 van het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer, zoals de Gemeente aan de voorgenomen toepassing van bestuursdwang ten grondslag legt.

4.2. Voorschrift 8.1.4 bepaalt, samengevat, dat met betrekking tot de opstelplaats van een reservoir met een inhoud van tussen de 3 en 5 m3 ten opzichte van buiten de inrichting gelegen woningen en objecten categorie I een veiligheidsafstand van veertig meter in acht moet worden genomen en met betrekking tot het vulpunt van het reservoir en de opstelplaats van de tankwagen ten opzichte van buiten de inrichting gelegen woningen en objecten categorie I een veiligheidsafstand van twintig meter in acht moet worden genomen.

4.3. HRP c.s. stelt dat de chalets die zich binnen een afstand van veertig meter ten opzichte van de huidige locatie van de gastank bevinden, door het oprichten van een coöperatie en het verkrijgen van de exclusieve zeggenschap over de gastank, met deze gastank “een inrichting” in de zin van art. 1.1 lid 4 Wet milieubeheer vormen. Dit heeft tot gevolg, zo stelt HRP c.s., dat de in voorschrift 8.1.4 genoemde veiligheidsafstanden niet voor deze chalets gelden en er daarom niet langer van een overtreding van dit voorschrift kan worden gesproken. In dat verband verwijst HRP c.s. naar onder meer de volgende passage uit de Nota van toelichting bij het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Staatsblad 2004 250, p. 43):

‘De opslag van propaan in reservoirs van ten hoogste 13 m3 komt in Nederland geregeld voor bij verblijfsrecreatieterreinen. Indien op het recreatieterrein een propaantank aanwezig is waarop verschillende vakantiewoningen of stacaravans voor verwarmingsdoeleinden zijn aangesloten en de zeggenschap over de propaantank exclusief berust bij de gezamenlijke eigenaren van het terrein (bijvoorbeeld door middel van een exploitatievereniging), dan is er volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State sprake van een inrichting in zin van de Wm. In zo’n geval gelden de op het terrein gelegen woningen niet als kwetsbare objecten omdat zij een onderdeel van de inrichting zijn. Indien de zeggenschap over de (centrale) propaanopslag op een recreatieterrein uitsluitend bij de exploitant van dat terrein berust, dan gelden de daarop aangesloten vakantiewoningen en stacaravans als woningen in de zin van het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer. Ten opzichte van die woningen moeten de afstanden worden aangehouden die in de voorschriften bij dat besluit zijn genoemd (...)’.

4.4. Met de Gemeente is de voorzieningenrechter echter op voorhand van oordeel dat dit betoog van HRP c.s. niet aan effectuering van de aanschrijving in de weg staat. Als enige schriftelijke onderbouwing dat de zeggenschap over de gastank is overgedragen heeft HRP c.s. de hiervoor onder 2.8 geciteerde brief van HRP d.d. 15 december 2005 overgelegd, waarbij nog moet worden aangetekend dat HRP c.s. op 13 december 2005 een zittingsdatum voor het onderhavige kort geding heeft aangevraagd. Voorts is gesteld noch gebleken dat de Coöperatie de gastank van OK Gas huurt. Zonder een nadere toelichting, die ontbreekt, kan deze strekking niet worden toegekend aan de door HRP c.s. in haar pleitnota vermelde stelling dat de ‘naleving van de huurovereenkomst dan bij de exploitatievereniging ligt’. Voorts is de ter zitting in de tweede termijn opgeworpen stelling dat OK Gas met de Coöperatie correspondeert en aan haar factureert niet met stukken onderbouwd, terwijl de Gemeente deze stelling met nadruk heeft betwist. Dat HRP de exclusieve zeggenschap over de gastank daadwerkelijk aan de Coöperatie heeft overgedragen, is daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dit brengt mee dat voorshands nog steeds van een overtreding van voorschrift 8.1.4 moet worden uitgegaan. De stelling van HRP c.s. dat de Gemeente met de door hen gekozen constructie heeft ingestemd, doet hier niet aan af, reeds nu uit een - door de Gemeente als productie 16 overgelegd en niet weersproken - gespreksverslag d.d. 11 augustus 2005 blijkt dat de betrokken gemeenteambtenaar tegenover HRP c.s. heeft benadrukt dat er bij de chaleteigenaren sprake moet zijn van exclusieve zeggenschap over de gastank.

4.5. Gegeven het oordeel dat de exclusieve zeggenschap niet bij de Coöperatie berust, moet er op voorhand tevens van worden uitgegaan dat het nog steeds in de macht van HRP ligt om de naleving van de aanschrijving te bewerkstelligen. Op basis van de in oktober 2005 doorgevoerde wijziging van de locatie van de gastank kan voorts niet worden geconcludeerd dat is voldaan aan de in de aanschrijving bedoelde overtreding, aangezien in deze aanschrijving is vermeld: ‘De wettelijke minimale afstand van een propaantank met een maximale inhoud van 5 m3 tot woningen van derden en tevens tot de chalets (objecten categorie I) is 40 meter’. Een verplichting van de Gemeente tot het doen van een nieuwe aanschrijving voordat zij tot toepassing van bestuursdwang overgaat, kan in het licht van dit een en ander niet worden aangenomen.

4.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de voorgenomen toepassing van bestuursdwang op voorhand niet als onrechtmatig kan worden geoordeeld. De consequentie daarvan is dat de gevraagde voorziening moet worden geweigerd.

4.7. Naar aanleiding van het door HRP c.s. gehouden betoog dat de bewoners van het chaletpark bij effectuering van de aanschrijving “in de kou komen te zitten” overweegt de voorzieningenrechter ten overvloede dat dit probleem lijkt mee te vallen. In november 2005 heeft de Gemeente in een onder de chaletbewoners verspreide folder onder meer toegelicht op welke wijze zij zich - als tijdelijke oplossing - met behulp van een eigen tank van maximaal 45 liter zelf in hun behoefte aan propaangas kunnen voorzien. Dat aan deze tanks bijzondere risico’s zouden zijn verbonden is niet aannemelijk, zeker niet nu deze tanks volgens de folder zonder vergunning in gebruik kunnen worden genomen.

4.8. HRP c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- vast recht EUR 244,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.060,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de voorziening,

5.2. veroordeelt HRP c.s. in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op EUR 1.060,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2006.?