Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:BG0269

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-11-2005
Datum publicatie
17-10-2008
Zaaknummer
AWB 05/5043
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Kapvergunning

Verweerder is in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op de ook in bezwaar aangevoerde stelling van verzoekers dat de kap van de bomen gevolgen kan hebben voor negatieve gevolgen van emissies van de A9. Voorts blijkt uit het bestreden besluit onvoldoende waarom verweerder heeft afgezien van zijn bevoegdheid om een herplantplicht op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 05/5043 (verzoek om een voorlopige voorziening)

AWB 05/5046 (beroepszaak)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 november 2005

in de zaak van:

[verzoeker 1] en [verzoeker 2], voor zichzelf en mede optredend namens 53 anderen,

allen wonende te [adres],

verzoekers,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer,

verweerder,

gemachtigde: drs. M. Link,

derde partij,

Heijmans Vastgoed B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gemachtigden: mr. J. de Jongh en C.P. Dorsser, beiden werkzaam bij Heijmans Vastgoed B.V.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2005 heeft verweerder aan Heijmans Vastgoed B.V. (hierna Heijmans) vergunning verleend voor het kappen van 43 bomen aan de [adres]

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 oktober 2005 heeft verweerder het bezwaar in afwijking van het advies van de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften ongegrond ver-klaard.

Tegen dit besluit hebben verzoekers beroep ingesteld. Daarbij is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld ter zitting van 27 oktober 2005, alwaar [verzoeker 1] is verschenen. Verweerder en Heijmans zijn verschenen bij gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Artikel 2, eerste lid, van de Bomenverordening van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de verordening) bepaalt: “Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen.”

2.3 Artikel 4, eerste lid, van de verordening bepaalt: “Burgemeester en wethouders kun-nen de vergunning weigeren in het belang van:

- natuur- en milieuwaarden;

- landschappelijke waarden;

- cultuurhistorische waarden;

- waarden van stads- en dorpsschoon;

- waarden voor recreatie en leefbaarheid;

- de beeldbepalende waarde van de houtopstand.”

2.4 Artikel 8, tweede lid, van de verordening bepaalt: “Burgemeester en wethouders kunnen in elk geval aan een vergunning de voorwaarde verbinden dat binnen een be-paalde termijn en overeenkomstig de door burgemeester en wethouders te geven aan-wijzingen moet worden herplant. Indien uit een gemeentelijk bestemmings-, groen-, groenstructuur-, of landschapsplan blijkt dat de te vellen houtopstand als waardevol moet worden beschouwd, wordt altijd een herplantplicht opgelegd.”

2.5 Artikel 7, eerste lid, Besluit Luchtkwaliteit 2005 (hierna: Besluit Luchtkwaliteit) be-paalt: “Bestuursorganen nemen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht.”

2.6 Verweerder heeft aan Heijmans vergunning verleend voor het kappen van 43 bomen aan de [adres] in verband met de realisering van nieuwbouw op een perceel grond in de directe nabijheid van de snelweg (A9), waarvoor Heijmans inmiddels beschikt over een onherroepelijke bouwvergunning. Het merendeel van de te kappen bomen vormt een onderdeel van de natuurlijke scheidingswand tussen de snelweg enerzijds en de achterliggende bebouwing anderzijds en staan op het bouwperceel langs de sloot, welke het bouwperceel scheidt van het snelwegtracé. De bomen die zich aan de andere zijde van de sloot op de strook grond gelegen tussen de sloot en de snelweg bevinden, maken blijkens het verhandelde ter zitting geen deel uit van de kapvergunning. De kapvergunning betreft tevens diverse bomen die verspreid staan over het bouwperceel.

2.7 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.8 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er in het onderhavige geval slechts sprake is van één weigeringsgrond genoemd in artikel 4, eerste lid, van de verorde-ning, te weten: het belang van natuur- en milieuwaarden en dat volgens bestendig beleid voor de beoordeling of sprake is van relevante natuur- en milieuwaarden slechts de vraag moet worden beantwoord of zich vogels hebben genesteld in de betreffende bomen. Natuur- en milieuwaarden zien niet op ecologische waarden. Het belang van Heijmans bij het vellen van de bomen dient zwaarder te wegen dan de natuur- en milieuwaarden van de bomen zeker nu er geen nesten zijn aangetroffen en in de directe omgeving alternatieve broedlocaties aanwezig zijn, aldus verweerder.

2.9 Verzoekers hebben evenwel - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat natuur- en milieuwaarden in de zin van artikel 4, eerste lid, van de verordening betekent, dat ook milieuaspecten bij de beslissing omtrent een aanvraag voor een kapvergunning dienen te worden betrokken. Deze grief slaagt. De verordening biedt geen enkel aanknopings-punt voor de zeer restrictieve uitleg die verweerder geeft aan het begrip natuur- en milieuwaarden. Het enkele feit dat er sprake is van een bestendige beleidslijn doet daar verder niet aan af. Hieruit volgt dat milieuaspecten ten onrechte niet bij de belangenafweging zijn betrokken, zodat artikel 3:4, eerste lid, Awb is geschonden.

2.10 Verzoekers hebben voorts aangevoerd dat de bomen een ecologisch zeer nuttige functie vervullen ter beperking van schadelijke effecten van emissies van de direct aangrenzende A9, omdat de bomen o.a. luchtzuiverend werken. Bij het kappen van de bomen krijgt het aangrenzende woongebied in nog sterkere mate te maken met de negatieve gevolgen van de emissies van de A9 (fijnstof, koolmonoxide en stikstofdioxide). Ter onderbouwing van hun stelling hebben verzoekers verwezen naar het Besluit Luchtkwaliteit.

2.11 De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op voornoemde ook in bezwaar aangevoerde stelling van verzoekers. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter biedt de ruime formulering van artikel 7, eerste lid, Besluit Luchtkwaliteit geen steun voor het namens verweerder ter zitting ingenomen standpunt dat het Besluit Luchtkwaliteit niet van toepassing is bij de uitoefening door verweerder van zijn bevoegdheden neergelegd in de verordening. Het vorengaande klemt te meer nu het, gelet op de beschikbare gegevens, bepaald niet uitgesloten moet worden geacht dat, mede gelet op de gevolgen van de aangrenzende A9, ter plaatse van de te kappen bomen de in het Besluit Luchtkwaliteit opgenomen grenswaarden worden overschreden. In zoverre acht de voorzieningenrechter artikel 3:2 Awb geschonden, omdat het besluit op onzorgvuldige wijze is voorbereid.

2.12 Voorts hebben verzoekers aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen herplantplicht heeft opgelegd. Uit artikel 8, tweede lid, van de verordening vloeit voort dat bij het kappen van waardevolle bomen altijd een herplantplicht wordt opgelegd en dat in alle andere gevallen sprake is van beleidsvrijheid, hetgeen impliceert dat verweerder een kapvergunning kan verlenen zonder het opleggen van een herplantplicht. Los van het feit dat niet uit het bestreden besluit blijkt of de kapvergunning ziet op waardevolle bomen nu verweerder slechts stelt dat er geen sprake is van monumentale bomen of bomen in de hoofdgroenstructuur, blijkt uit het bestreden besluit onvoldoende - voor zover geen sprake is van waardevolle bomen - waarom verweerder heeft afgezien van zijn bevoegdheid om een herplantplicht op te leggen. Het vorengaande klemt te meer nu ter zitting namens verweerder is gesteld dat herplanting zal plaatsvinden. Bij het vorengaande merkt de voorzieningenrechter op dat de Leidraad Herplantplicht, waarnaar verweerder heeft verwezen, geen onderdeel uitmaakt van het dossier. In zoverre bevat het bestreden een gebrekkige motivering.

2.13 Gegeven het vorenstaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2, artikel 3:4, eerste lid en artikel 7:12, eerste lid, Awb.

2.14 Verzoekers hebben er verder over geklaagd dat de kapvergunning te ‘ruim’ is, omdat kapvergunning is verleend voor bomen die niet behoeven te worden gekapt. Daartoe wordt het volgende overwogen. Verweerder heeft vergunning verleend voor het kappen van 43 bomen en heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat aan het vorengaande niet af doet, dat tijdens de hoorzitting is gebleken dat wellicht minder bomen gekapt worden. Ter zitting kon verweerder geen duidelijkheid verschaffen hoeveel en welke bomen zullen worden gekapt. In de nieuw te nemen beslissing op bezwaar dient verweerder aan dit punt - mede vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid - aandacht te besteden.

2.15 Verzoekers hebben gevraagd om de uitvoering van de kap te schorsen teneinde een onomkeerbare situatie te voorkomen. Gelet op het hiervoor weergegeven oordeel dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, alsmede gelet op het feit dat het vellen van de bomen onomkeerbare gevolgen met zich zal meebrengen, komt het verzoek tot schorsing van het primaire besluit d.d. 17 februari 2005 voor toewijzing in aanmerking. Namens Heijmans is aangevoerd dat zij een dringend belang heeft bij gebruikmaking van de kapvergunning in verband met de voortgang van het bouwproject. Ter zitting is evenwel aannemelijk geworden dat het voor de verdere voortgang van de bouw slechts dringend noodzakelijk is dat 3 tot 4 bomen zullen worden gekapt. De overige bomen zullen moeten worden gekapt in verband met nog te realiseren bestrating. Nu het bouwproject nog niet zo ver is gevorderd, dat deze bestrating reeds nu aan de orde is en verzoekers ter zitting hebben aangegeven dat zij er geen bezwaar tegen hebben dat in afwachting van de bekendmaking van de onderhavige uitspraak de 3 tot 4 bomen, die de directe voortgang van de bouw belemmeren, worden gekapt, dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter doorslaggevend belang te worden toegekend aan de belangen van verzoekers bij schorsing van het primaire besluit met uitzondering van de voormelde 3 tot 4 bomen in afwachting van een nieuwe beslissing op bezwaar. Tot slot wordt nog opgemerkt dat namens Heijmans ter zitting is toegezegd dat met kappen zal worden gewacht totdat in deze zaak uitspraak is gedaan.

2.16 Nu het beroep gegrond is, zijn er termen voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 12 oktober 2005;

3.3 schorst de bij besluit van 17 februari 2005 verleende kapvergunning tot 6 weken na bekendmaking van de nieuwe beslissing op het bezwaar;

3.4 veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten tot een bedrag van totaal € 966,-- te betalen door de gemeente Haarlemmermeer aan verzoekers;

3.5 gelast dat de gemeente Haarlemmermeer het door verzoekers betaalde griffierecht ten bedrage van (2 x € 138,- =) € 276,-- aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.F.W. Brouwer, voorzieningenrechter, en op 1 november 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J. Poggemeier, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat uitsluitend voorzover het de hoofdzaak betreft hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.