Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:BD5994

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-07-2005
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
15/500700-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen invoer cocaïne. Verweren: 1. Geen medeplegen, ontbreken nauwe en bewuste samenwerking; 2. Opzet op invoer 2 kg cocaïne, niet op het meerdere; 3. Niet wettig en overtuigend te bewijzen dat de bij verdachte aangetroffen stof cocaïne was nu monsternummers niet overeenkomen. Rechtbank verwerpt alle verweren. 1. Gezien feiten en omstandigheden en geloofwaardige verklaring wel sprake van medeplegen; 2. Door na te laten de inhoud van de pakketten in de bagage te controleren heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij een grotere hoeveelheid zou vervoeren (voorwaardelijk opzet); 3.Laboratoriumrapport op naam verdachte gesteld, verkeerde monsternummer kennelijke verschrijving. Zie voor medeverdachte LJN: BD6022.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

VESTIGING SCHIPHOL

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/500700-05

Uitspraakdatum: 19 juli 2005

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 juli 2005 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in Detentiecentrum Roermond, te Roermond.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 17 april 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 6.296,2 gram, in elk geval 3.260,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - zakelijk weergegeven - tot het navolgende gerekwireerd:

- bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit;

- oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- oplegging van een werkstraf voor de duur van 240 uren bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis en verbeurdverklaring van de onder verdachte inbeslaggenomen telefoon met imei nummer 35519000078395105 en retour verdachte van de overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen.

4. Bewijsbeslissingen

Ten aanzien van het bewijs zijn ter terechtzitting de volgende drie verweren gevoerd.

4.1 Medeplegen

Ten eerste heeft de raadsvrouw van verdachte ter terechtzitting bepleit dat geen sprake is geweest van medeplegen van de invoer van cocaïne, nu verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] niet nauw en bewust hebben samengewerkt. De raadsvrouw voert hiertoe aan dat het cocaïnetransport door de organisatie is geregeld. De organisatie heeft voorzieningen getroffen voor de beide koeriers en heeft aan ieder van hen een eigen vliegticket en een eigen hoeveelheid cocaïne overhandigd. Het feit dat de tickets op dezelfde dag zijn gekocht, de paspoorten op dezelfde dag zijn afgegeven en de reisroute voor beide verdachten hetzelfde was, levert nog geen medeplegen op, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt het navolgende.

De rechtbank gaat ten aanzien van het bewijs voor medeplegen uit van de volgende feiten en omstandigheden. Uit het proces-verbaal met dossiernummer PL278C/05-002418, opgemaakt door de verbalisanten [verdachten], blijkt dat de vliegtickets van verdachte en diens medeverdachte [medeverdachte] opeenvolgend genummerd zijn en op dezelfde dag bij [a-tours] in Amsterdam zijn gekocht, dat de paspoorten van beide verdachten op 27 januari 2005 zijn afgegeven door de gemeente Almere en dat de aangetroffen pakketten met cocaïne op nagenoeg identieke wijze waren verstopt in nagenoeg identieke koffers. Uit de door verdachte en voornoemde [verdachte] afgelegde verklaringen bij de Koninklijke Marechaussee, de rechter-commissaris en ter terechtzitting blijkt voorts dat zij beiden door ene [betrokkene] in Almere zijn benaderd voor het onderhavige drugstransport. Verdachten kenden elkaar overigens vanuit school. Voornoemde [betrokkene] zou alles voor hen geregeld hebben, zoals de aanschaf van de tickets, de aanvraag van nieuwe paspoorten en de gang van zaken omtrent het transport in Suriname, zoals het krijgen van een SIM-kaart waarop verdachten zouden worden gebeld voor nadere instructies. Voorts zijn verdachten op de heenreis samen door de moeder van verdachte naar het vliegveld gebracht. Daarbij hebben verdachten op de heen- en terugreis naast elkaar gezeten. Beide verdachten hebben verklaard niet met elkaar te hebben gepraat, omdat dit hen door [betrokkene] was opgedragen en dat zij in Suriname wel contact met elkaar hebben gehad, onder meer toen verdachte van [verdachte] een telefoon te leen kreeg. Tot slot hebben verdachten aanvankelijk zeer wisselend verklaard over de aanschaf van de tickets, de aanschaf van de paspoorten en het meereizen.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, in combinatie met voornoemde wisselende verklaringen, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij niet samen met medeverdachte [verdachte] het onderhavige cocaïnetransport heeft ondernomen en uitgevoerd onaannemelijk. Deze verklaring kan dan ook niet anders worden opgevat dan dat deze is afgelegd om de waarheid te bemantelen, namelijk dat verdachte en zijn medeverdachte bewust samen voor het onderhavige cocaïnetransport op reis zijn gegaan en daartoe hebben samengewerkt. De rechtbank acht het tenlastegelegde bestanddeel medeplegen dan ook bewezen.

4.2 Opzet

Vervolgens heeft de raadsvrouw van verdachte ter terechtzitting bepleit dat hij bij het plegen van het tenlastegelegde feit slechts opzet had op het met de opdrachtgevers afgesproken gewicht van twee kilo cocaïne en niet op het meerdere.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt het navolgende.

Door tezamen en in vereniging opzettelijk over te gaan tot het transport van het afgesproken gewicht aan cocaïne en na te laten de inhoud van de pakketten in de bagage van hemzelf en zijn medeverdachte [medeverdachte] - waarin de cocaïne zat verstopt - te controleren, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in de pakketten in zijn koffer meer dan de overeengekomen hoeveelheid zou worden verpakt, zoals ook inderdaad het geval bleek te zijn. Hetzelfde geldt voor wat de in de koffer van [medeverdachte] aangetroffen cocaïne betreft. Aldus heeft de verdachte, naast het met opzet binnen het grondgebied van Nederland brengen van een overeengekomen gewicht van twee kilo cocaïne, het voorwaardelijk opzet gehad op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van het overige gewicht van de cocaïne, dat in pakketten in de bagage van verdachte en diens medeverdachte is aangetroffen.

4.3 Laboratoriumrapport

Tot slot heeft de raadsvrouw van verdachte betoogd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat in de pakketten in de koffer van verdachte cocaïne zat. Zij voert daartoe het volgende aan. Uit het proces-verbaal van 19 april 2005 met dossiernummer PL278C/05-002418, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisanten], blijkt dat verbalisant [verbalisant] een monster heeft genomen van de in pakketten in de bagage van verdachte aangetroffen witte stof en dit monster heeft ingeschreven onder nummer 05-034787 B en opgestuurd naar het Douane Laboratorium. Uit het rapport van het Douane Laboratorium van 18 april 2005 blijkt dat het materiaal 05-034787 A cocaïne bevat. Nu de monsternummers niet overeenkomen, kan niet worden bewezen dat de witte stof in de pakketten in de bagage van verdachte cocaïne betrof. Het proces-verbaal van 30 april 2005 met dossiernummer PL278C/05-002418, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] kan immers voornoemde afwijking in monsternummer niet corrigeren. In voornoemd proces-verbaal is abusievelijk opgenomen dat op de MONSTER pagina alsmede op de AANVRAAG MONSTERONDERZOEK, als monsternummer is vermeld 05-034787 A t/m A en dat dit moet zijn 05-034787 B. Nu dit proces-verbaal niet is opgemaakt door verbalisant [verbalisant], die de monsterneming heeft uitgevoerd, staat niet vast wat er daadwerkelijk met de monsters is gebeurd, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Ten eerste is voornoemd laboratoriumrapport op naam van verdachte [verdachte] gesteld en ziet de rechtbank het noemen van de verkeerde monsternummer als een kennelijke verschrijving. Reeds op grond hiervan verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw. Daarnaast blijkt uit voornoemd proces-verbaal van 19 april 2005 dat verbalisant [verbalisant] de aangetroffen witte stof uit alle pakketten die bij verdachte zijn aangetroffen met de van rijkswege verstrekte en daartoe bestemde testsets heeft getest. Bij de door hem gebruikte testset, waarmee hij de stof testte op de aanwezigheid van cocaïne, trad steeds een positieve kleurreactie op, zodat aangenomen mocht worden, dat de geteste stof vermoedelijk cocaïne, vermeld in lijst I van de Opiumwet, bevatte. Ook heeft verdachte verklaard, zowel bij de rechter-commissaris op 20 april 2005 als ter terechtzitting, dat hij voor ene [betrokkene], de opdrachtgever, cocaïne in zijn koffer heeft gesmokkeld. Tot slot blijkt uit het laboratoriumrapport van 18 april 2005 op naam van medeverdachte [medeverdachte] dat het monster dat uit pakketten uit zijn koffer is genomen, cocaïne bevat. Nu verdachten in voornoemd drugstransport dezelfde opdrachtgever hadden en de nagenoeg identieke pakketten op nagenoeg identiek wijze in de verschillende koffers waren verpakt, acht de rechtbank ook op basis van laatstgenoemd rapport bewezen dat de inhoud van de pakketten in de koffer van verdachte ook cocaïne bevatte.

Op grond van het voorgaande, mede bezien in het licht van de uitspraak van de Hoge Raad van 23 november 2004, JOL 2004, 633, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de pakketten die in de koffer van verdachte zijn aangetroffen cocaïne bevatten.

4.4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat hij op 17 april 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 6.296,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sancties

7.1 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 6296,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

In de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name de jonge leeftijd, ziet de rechtbank aanleiding af te wijken van de straf die in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf en een werkstraf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van de vrijheidsbenemende straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd, opdat de verdachte er in de toekomst van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

7.2 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de mobiele telefoon met imei nr 35519000078395105, dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van dit voorwerp dat aan verdachte toebehoort, is begaan of voorbereid.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47 van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van DERTIG (30) MAANDEN.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot tien (10) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging van dit voorwaardelijke gedeelte kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van tweehonderd veertig (240) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis .

Verklaart verbeurd:

– 1 SONY ERICSSON telefoontoestel, kleur zilver, imei nr 35519000078395105

Gelast de teruggave aan verdachte van:

– 1 SONY ERICSSON P800 mobiel telefoontoestel

– 1 SONY memorystick

– 1 NOKIA 6510 mobiel telefoontoestel, nummer 351349109208914

– 1 NEC N34LI, mobiel telefoontoestel imei nr 351180510081446

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Janse van Mantgem, voorzitter,

mrs. Van Dijk en A.C. van den Boogaard, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Venselaar,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 juli 2005.