Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:BD5984

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-07-2005
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
15/500679-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen invoer cocaïne. Bewezenverklaard dat verdachte en medeverdachte gezamenlijk een hoeveelheid van 4.818,2 gr cocaïne gespreid over hun beider koffers. Uit de feiten, zoals vermeld in het vonnis, maakt de rechtbank op dat er sprake was van nauwe en bewuste samenwerking bij de invoer van de genoemde hoeveelheid cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

VESTIGING SCHIPHOL

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/500679-05

Uitspraakdatum: 19 juli 2005

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 juli 2005 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] (Turkije),

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.C. JHvB De Sprang, te Scheveningen.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 15 april 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 4.818,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - zakelijk weergegeven - tot het navolgende gerekwireerd:

- bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

- oplegging van een werkstraf voor de duur van 240 uren bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis en

- een leerstraf voor de duur van 36 uren.

4. Bewijsbeslissing

4.1 Medeplegen

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte medepleger is van het invoeren van 4,8 kilo cocaïne. Hij voert daartoe aan dat sprake is van twee te onderscheiden feiten, die los van elkaar zijn gepleegd door twee respectieve daders. De omstandigheid dat verdachte en zijn medeverdachte, gedeeltelijk althans, samen reisden en vakantie vierden in de Dominicaanse republiek doet daaraan niet af.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt het navolgende.

Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] hebben samen gereisd. Verdachte is volgens eigen zeggen via zijn vriend, medeverdachte [medeverdachte], in contact gekomen met de opdrachtgever [opdrachtgever]. Met [opdrachtgever] zijn verdachte en [medeverdachte] overeengekomen cocaïne te smokkelen. Verdachte heeft daartoe samen met [medeverdachte] van [opdrachtgever] de vliegtickets gekregen. Ook heeft [opdrachtgever] gezorgd voor (de financiering van) het paspoort van beide verdachten. Op de heenreis heeft verdachte de nacht voor vertrek naar Schiphol bij die [medeverdachte] geslapen en de volgende dag zijn ze samen met [opdrachtgever] naar Schiphol gereisd. Eenmaal in de Dominicaanse Republiek hebben verdachten aanvankelijk een hotelkamer gedeeld. Met medeweten van elkaar hebben zij de blikken cocaïne van iemand van de organisatie ontvangen. Voorts zijn beide verdachten op de terugreis samen naar het vliegveld gereisd en hebben zij samen ingecheckt. Van belang acht de rechtbank voorts dat de verdachten vanaf Madrid expres niet meer naast elkaar hebben gezeten. Dit hebben zij afgesproken om de pakkans te verkleinen. Uit voorgaande feiten maakt de rechtbank op dat verdachte en diens medeverdachte [medeverdachte] nauw en bewust hebben samengewerkt bij het binnen Nederland brengen van 4,8 kilo cocaïne in hun beider bagage. De rechtbank acht dan ook het tenlastegelegde bestanddeel medeplegen bewezen.

4.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat

hij op 15 april 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 4.818,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het door de Reclassering Nederland, Regio Utrecht-Arnhem, Arrondissement Utrecht, uitgebrachte rapport van 13 juni 2005 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 4.818,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Voorts houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf en een werkstraf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal in voorwaardelijke vorm worden opgelegd, teneinde verdachte, die wel zeer gemakkelijk is overgegaan tot het onderhavige cocaïnetransport, er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van VIERENTWINTIG (24) MAANDEN.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot acht (8) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging van dit voorwaardelijke gedeelte kan worden gelast indien:

– verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

– verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio Utrecht-Arnhem, Arrondissement Utrecht zolang die instelling dit nodig acht, ook als dit een leerstraf voor de duur van 36 uren inhoudt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 240 uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis.

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Van Dijk, voorzitter,

mrs. Janse van Mantgem en Van den Boogaard, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Venselaar,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 juli 2005.