Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AV5271

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-04-2005
Datum publicatie
16-03-2006
Zaaknummer
112279 - KG RK 05-393
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beschikking ex artikel 700 lid 2 Rv. De voorzieningenrechter hoort partijen en verleent vervolgens verlof tot beslagleging. Gelet op appelkansen is vordering waarvoor verlof tot beslaglegging wordt gevraagd, ondanks het vonnis in eerste aanleg van de rechtbank waarin die vordering is afgewezen en mede gelet op de belangen van partijen, voldoende aannemelijk om het gevraagde verlof te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknr.: 112279/ KG RK 05-393

Beslissing d.d. 29 april 2005

RECHTBANK TE HAARLEM

VOORZIENINGENRECHTER

BESCHIKKING

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Haarlem,

gezien het op 21 april 2005 door de procureur mr. M. Middeldorp ter griffie ingediende verzoekschrift van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GROUWELS DAELMANS BELEGGINGEN (de voorzieningenrechter leest: BV),

gevestigd en kantoorhoudende te Maastricht,

hierna te noemen: Grouwels Daelmans,

advocaat: mr. J.H.J. Rijntjes te Rotterdam,

strekkende tot het verlenen van verlof voor het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ANNADUIN MANAGEMENT B.V.,

kantoorhoudende te Voorburg,

hierna te noemen: Annaduin,

procureur: mr. J.P. Koets

OVERWEEGT

Annaduin heeft bij dagvaarding d.d. 24 april 2003 bij de rechtbank Maastricht een procedure tegen Grouwels Daelmans aanhangig gemaakt, waarbij Annaduin betaling vorderde van € 765.544,95 met rente en kosten. De vordering betrof schadevergoeding terzake van niet nakoming door Grouwels Daelmans van een door Annaduin gestelde overeenkomst van verkoop door Grouwels Daelmans aan Annaduin van een winkelportefeuille voor een prijs van € 15.130.899,40.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 2 maart 2005 (hierna ook: “het vonnis”) heeft voornoemde rechtbank die vordering toegewezen.

Grouwels Daelmans heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft Grouwels Daelmans in kort geding, bij de rechtbank Maastricht, schorsing van de executie van het vonnis gevorderd. Bij vonnis van 18 april 2005 is die vordering afgewezen. Daarbij heeft de voorzieningrechter van de rechtbank Maastricht onder meer het volgende overwogen:

“Daarmee is niet gezegd dat het oordeel dat de rechtbank heeft geveld ( op onderdelen) niet anders had kunnen uitvallen – waarbij de voorzieningenrechter met name denkt aan het toelaten van Grouwels- Daelmans tot het leveren van tegenbewijs – of zij haar vonnis niet uitvoeriger had kunnen motiveren, (...)”

Op 22 april 2005 heeft Grouwels Daelmans ter voldoening aan het vonnis aan de door Annaduin daartoe aangewezen deurwaarder € 848.950,32 betaald.

In het onderhavige verzoekschrift (hierna ook: “het beslagrekest”) verzoekt Grouwels Daelmans de voorzieningenrechter haar verlof te verlenen om ter verzekering van een op € 1.100.000,-- te begroten vordering ten laste van Annaduin conservatoir derdenbeslag te doen leggen onder de Stichting Beheer Derdengelden Köster Advocaten te Haarlem en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gerechtsdeurwaarderskantoor Amstelland te Amstelveen.

Grouwels Daelmans heeft in het beslagrekest het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd:

Ten gevolge van de wijze van behandeling in eerste instantie welke – naar de overtuiging van Grouwels Daelmans – niet optimaal is geweest, is de rechtbank op het verkeerde been komen te staan. Feiten en/of omstandigheden die onaannemelijk maken dat overeenstemming is bereikt, althans dat de gestelde (en toegewezen) schade niet is geleden, zijn niet goed uit de verf gekomen. Grouwels Daelmans is er dan ook van overtuigd dat het vonnis in de bodemprocedure in hoger beroep geen stand zal kunnen houden. Dat zal met zich brengen dat zij het bedrag van € 848.950,32 onverschuldigd heeft betaald. Bij vernietiging van het vonnis verkrijgt zij derhalve een vordering op Annaduin wegens onverschuldigde betaling ter grootte van genoemd bedrag.

Omdat de voorzieningenrechter van oordeel was dat hij het verzoek niet zou kunnen toewijzen, heeft hij in overeenstemming met artikel 279 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) onverwijld dag en uur bepaald, waarop de behandeling van het verzoek een aanvang zou nemen. Op bedoelde terechtzitting van 25 april 2005 is Grouwels Daelmans verschenen bij haar advocaat mr. Rijntjes, voornoemd en Annaduin bij haar procureur mr. Groos, voornoemd. Ter zitting hebben partijen hun standpunten toegelicht en desgevraagd nadere inlichtingen verstrekt.

Annaduin heeft tot haar verweer betoogd dat het verlenen van het verzochte verlof, gelet op het vonnis, zou leiden tot frustratie van de tenuitvoerlegging van het vonnis.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient deze stelling te worden verworpen, nu ter terechtzitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het geld uit de macht is van Grouwels Daelmans en er door haar aan de door Annaduin aangewezen deurwaarder is betaald. Het verlenen van het gevraagde verlof kan derhalve niet tot frustratie van de tenuitvoerlegging van het vonnis leiden. Het vonnis is immers uitgevoerd.

Bij het summierlijk onderzoek als bedoeld in artikel 700 lid 2 Rv. hanteert de voorzieningenrechter dezelfde criteria als gelden voor een vordering in kort geding tot opheffing van een conservatoir beslag (artikel 705 lid 2 Rv.) Waar het ten deze om gaat is of summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door Grouwels Daelmans ingeroepen recht.

Bij de beoordeling van de (on)-deugdelijkheid van een vordering moet het volgende worden vooropgesteld. Binnen het kader van de rechtsverhouding tussen partijen dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Dit wil echter niet zeggen dat omtrent deze vraag in een kort geding tot opheffing van een beslag/het summier onderzoek als bedoeld in artikel 700 lid 2 Rv. een uitgebreid inhoudelijk en/of juridisch debat dient plaats te vinden; de behandeling van het uitgebreide debat van partijen dient plaats te vinden in de aanhangige hoofdprocedure ( Hoge Raad 3 mei 1996, NJ 1996/473). Verder heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 14 juni 1996 (NJ 1997/481) voor wat betreft het te leveren bewijs van de deugdelijkheid van de vordering waarvoor beslag is gelegd en de omvang van de motiveringsplicht van de rechter hieromtrent, het volgende overwogen:

3.3. (…) Volgens art. 705 lid 2 Rv. dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert, met inachtneming van de beperkingen van de kort geding procedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De kort geding rechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd.

Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijds belangen. In dit verband verdient opmerking dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken.

Het in het kader van een zodanige afweging gegeven oordeel van de kort geding rechter omtrent de vraag of de vordering waarvoor beslag is gelegd, deugdelijk of ondeugdelijk is, is niet meer dan een voorlopig oordeel en voor de motivering ervan gelden dan ook minder strenge eisen dan moeten worden gesteld aan de motivering van de beslissing in de bodemprocedure.

Het feit dat er een rechtelijke uitspraak voorhanden is waarin een vordering van Annaduin is toegewezen, kan een (sterke) indicatie geven voor de ondeugdelijkheid van de vordering van Grouwels Daelmans als bedoeld in artikel 705 Rv. Dit leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat summierlijk van die ondeugdelijkheid is gebleken. Het feit dat de rechter in de hoofdzaak de vordering tegen de beslaglegger heeft toegewezen, is wel een belangrijk gezichtspunt bij de beantwoording van de vraag of van de ondeugdelijkheid van het ingeroepen recht summierlijk is gebleken, maar niet doorslaggevend wanneer nog een rechtsmiddel tegen die beslissing openstaat of reeds aanhangig is.

Aan Annaduin kan worden toegegeven dat Grouwels Daelmans door het vonnis op achterstand is komen te staan, maar met de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht is deze voorzieningenrechter van oordeel dat over het toestaan van getuigenbewijs inderdaad anders geoordeeld kan worden. Gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad omtrent het moeten toestaan van het leveren van tegenbewijs, kan bepaald niet worden uitgesloten dat Grouwels Daelmans in appel tot het leveren daarvan zal worden toegelaten en, gezien ook de motivering van het vonnis en gelet op hetgeen Grouwels Daelmans verder ter zitting heeft aangevoerd, in dat bewijs zal kunnen slagen. In dat geval zal niet komen zijn vast te staan dat tussen Annaduin en Grouwels Daelmans een overeenkomst tot stand is gekomen. Dat zou impliceren dat het door Grouwels Daelmans aan Annaduin betaalde schadevergoeding onverschuldigd zou zijn betaald. Derhalve is de thans door Grouwels Daelmans gepretendeerde vordering niet van alle grond ontbloot.

Bij de vraag of het verlof dient te worden verleend dient tevens een afweging van belangen plaats te vinden aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Grouwels Daelmans heeft in dit verband gesteld dat zij vreest dat als zij in de appèlprocedure in het gelijk wordt gesteld er niets meer op Annaduin te verhalen valt. Ter onderbouwing van deze stelling heeft Grouwels Daelmans het volgende aangevoerd. Blijkens de door Annaduin gedeponeerde cijfers over 2002 bedroeg het balanstotaal van Annaduin over 2002 weliswaar € 1.656.377,--, maar wordt echter het overgrote deel daarvan gevormd door uitstaande vorderingen, te weten ten bedrage van in totaal € 1.454.838,--. Als deze vorderingen oninbaar zijn, is er in feite niets. Annaduin heeft in de kort gedingprocedure voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht een brief overgelegd van Driebergen Accountants d.d. 7 april 2005. Daarin wordt vermeld dat het eigen vermogen van Annaduin per ultimo 2003 € 1.001.023,-- bedraagt. Vergeleken met het eigen vermogen genoemd in de – laatst gedeponeerde – stukken over 2002 impliceert dat een verlies van € 85.000,--. Voorts heeft handels- informatiebureau Experian Nederland B.V. gerapporteerd dat Annaduin gedurende het boekjaar 2003 geen transactieomzet heeft gegenereerd. Bovendien is op het kantooradres van Annaduin een andere vennootschap (Annaraad) gevestigd. De doelomschrijving van deze vennootschap is materieel gelijk aan die van Annaduin. Bovengenoemde omstandigheden leiden volgens Grouwels Daelmans tot de vrees dat Annaduin, in geval van onverschuldigde betaling door Grouwels Daelmans, niet in staat zal zijn het onverschuldigd betaalde aan haar terug te betalen.

Tegenover het vorenstaande heeft Annaduin de enkele stelling aangevoerd dat zij over het aan haar betaalde bedrag wil beschikken.

Dit belang weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op tegen het genoemde belang van Grouwels Daelmans. In dit oordeel is mede betrokken de ter zitting door Grouwels Daelmans gedane toezegging om de appèlprocedure met spoed te zullen vervolgen, zodat de periode dat Annaduin, als zij in de appèlprocedure in het gelijk zou worden gesteld, niet over het in beslag te nemen geld kan beschikken, zo kort mogelijk zal zijn.

Het voorgaande brengt met zich dat het gevraagde verlof zal worden verleend. Nu de appelprocedure aanhangig is gemaakt en de uitkomst daarvan bepalend is voor de vraag of Annaduin de haar gestelde vordering op Grouwels Daelmans heeft, zal geen termijn worden vastgesteld voor het instellen van de hoofdzaak.

Ten aanzien van het verzoek tot het meermaals leggen van beslag overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Gelet op de ter terechtzitting door Annaduin gedane toezegging om het door Grouwels Daelmans betaalde bedrag - waarop het gevraagde beslagverlof geheel gericht is - op de rekening van de deurwaarder te laten staan totdat op het beslagrekest zal zijn beslist, zal het eenmalig leggen van beslag reeds doel treffen en is er mitsdien geen grond om het verzoek tot repeterend beslag toe te staan. Dezelfde omstandigheid geeft grond om ook niet het gevraagde verlof voor derdenbeslag onder de Stichting Beheer Derdengelden Köster Advocaten te verlenen. Nu aan Grouwels Daelmans een grosse van deze beschikking zal worden afgegeven, bestaat voorts geen grond voor de gevraagde uitvoerbaar verklaring op de minuut.

Partijen hebben ter zitting uitdrukkelijk afgezien van een proceskostenveroorde-ling, zodat over de kosten niet behoeft te worden beslist.

BESCHIKT

Verleent Grouwels Daelmans verlof om ten laste van Annaduin conservatoir derdenbeslag te leggen onder gerechtsdeurwaarderskantoor Amstelland te Amstelveen op alle gelden, goederen en/of geldswaarden die de derde van Annaduin onder zich heeft en/of zal verkrijgen en/of aan Annaduin verschuldigd is c.q. zal worden.

Begroot de vordering voorlopig, inclusief rente en kosten, op € 1.100.000,--.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar op alle dagen en uren.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. van der Meer, voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem op 29 april 2005.