Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AU9720

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-12-2005
Datum publicatie
31-01-2006
Zaaknummer
05/1606 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Er is sprake van overmacht waardoor eiseres niet eerder een verzoek om terugbetaling heeft kunnen indienen. Het verzoek is dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige

douanekamer

Registratienummer: AWB 05/1606

Uitspraakdatum: 8 december 2005

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X B.V.,

te Z, eiseres,

gemachtigde B te Q,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P,

verweerder,

gemachtigde C.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 2 december 2000 een uitnodiging tot betaling (hierna: UTB) met het nummer 0000.00.000-00.0.0000 opgelegd.

1.2. Eiseres heeft op 29 november 2004, ontvangen op 2 december 2004, een verzoek om terugbetaling ingediend. Verweerder heeft dit verzoek op 17 februari 2005 niet-ontvankelijk verklaard. Nadat eiseres daartegen bezwaar heeft gemaakt op 23 februari 2005, heeft verweerder bij uitspraak van 15 april 2005 het bezwaar ongegrond verklaard. Daartegen is door eiseres beroep ingesteld op 22 april 2005, dat is ontvangen op 27 april 2005.

1.3. Verweerder heeft op 26 juli 2005 een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2005 te Haarlem. Namens eiseres is daar verschenen B. Namens verweerder is verschenen gemachtigde, voornoemd.

1.5. Partijen hebben ter zitting hun standpunten verder uiteen gezet. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

2.1. Op 6 januari 2000 heeft eiseres een aangifte voor extern communautair douanevervoer ingediend. Eiseres heeft een overzicht overgelegd met daarop vier Air Waybill nummers, met 13 (096-91088465) respectievelijk 86 (096-92098672) respectievelijk 5 (096-92098941) respectievelijk 30 (096-92099431) “carpets”. De Duitse Douaneautoriteiten hebben het vijfde exemplaar van het T1 document teruggestuurd, welke is ontvangen op 11 januari 2000, met de vermelding: “Unstimmigkeit, Fehlmengen 096-91088465 = 1x, 096-92098672 = 29x”.

Op 2 december 2000 is de UTB in verband met het niet zuiveren van de aangiften aan eiseres verzonden. Het door eiseres daartegen ingediende bezwaarschrift is op 9 mei 2001 ongegrond verklaard. Een verzoek om terugbetaling dat op 22 september 2003 is ontvangen is afgewezen door verweerder op 9 december 2003.

2.2. Eiseres heeft meerdere malen contact gehad met de Douane in Hamburg over de zuivering van het T1 document. Tot de gedingstukken behoort onder meer een brief van de Douane in Hamburg van 24 september 2003 waarin onder andere het volgende is verklaard. Er zijn na de zending van 6 januari 2000 nog verschillende zendingen carpets geweest, maar niet is vast te stellen of de ontbrekende carpets daarbij zaten. Bij de 29 ontbrekende carpets is er weliswaar sprake van een zending met hetzelfde AWB nummer, maar dit is onvoldoende om vast te stellen dat het om de ontbrekende carpets gaat. Met betrekking tot de ene ontbrekende carpet wordt gesteld dat deze met een andere zending is meegekomen, maar dat dat in het elektronische systeem niet meer is na te gaan.

2.3. Op 10 december 2003 stuurt eiseres het dossier met een overzicht van de verschillende T1 documenten waarmee tapijten naar Hamburg zijn vervoerd naar Douankantoor West. Op 2 juli 2004 bericht Douane West aan eiseres dat het dossier naar de douane in Heerlen is gezonden om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor een eventuele teruggaaf van douanerechten. Er is verschillende malen contact geweest met de Duitse douane, maar er kan niet meer vastgesteld worden waar de verschillen zijn ontstaan. Een ambtshalve herziening van de aangifte is niet mogelijk

2.4. Op 19 november 2004 bericht Douane Zuid/kantoor Heerlen aan eiseres naar aanleiding van haar brief van 8 oktober 2004 dat zij van mening is dat de douane haar standpunt voldoende duidelijk heeft gemaakt en dat de UTB terecht is vastgesteld. Hierop dient eiseres op 29 november 2004 opnieuw een verzoek om terugbetaling in dat op 17 februari 2005 niet ontvankelijk wordt verklaard.

2.5. Artikel 236 Communautair Douane Wetboek (CDW) luidt als volgt.

Eerste lid

Tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt. Tot kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van deze rechten op het tijdstip van boeking niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt. Er wordt geen terugbetaling of kwijtschelding verleend wanneer de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de betaling of de boeking van een wettelijk niet verschuldigd bedrag het gevolg zijn van een frauduleuze handeling van de zijde van de belanghebbende.

Tweede lid.

Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt verleend indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend. Deze termijn wordt verlengd indien de belanghebbende het bewijs levert dat hij ten gevolge van toeval of overmacht zijn verzoek niet binnen de genoemde termijn heeft kunnen indienen. De douaneautoriteiten gaan ambtshalve tot terugbetaling of kwijtschelding over wanneer zij zelf gedurende deze termijn het bestaan van een der in lid 1, eerste en tweede alinea, bedoelde omstandigheden vaststellen.

3. Het geschil

3.1. Verweerder heeft het verzoek tot terugbetaling niet ontvankelijk verklaard, omdat het niet tijdig ingediend is.

4. Standpunten van partijen

4.1. Eiseres heeft in beroep zich op het volgende standpunt gesteld. De juiste aantallen carpets zijn gelost, maar de documentatie was niet goed. Er is veel werk gedaan om de documenten gezuiverd te krijgen. Niet gezegd kan worden dat er geen sprake is van een overmachtsituatie.

4.2. Verweerder heeft in zijn verweerschrift hierop als volgt gereageerd. Het verzoek is een jaar te laat ingediend. Eiseres heeft niet gesteld en aangetoond dat hij door toeval of overmacht het verzoek een jaar te laat heeft ingediend. Dat hier geen sprake van was, blijkt ook uit het feit dat eiseres reeds eerder een verzoek om terugbetaling heeft ingediend. Ten overvloede wordt overwogen dat er ook geen sprake is van een bijzondere reden waardoor alsnog op grond van artikel 239 CDW terugbetaling plaats diende te vinden.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Op grond van artikel 236, tweede lid, CDW dient een verzoek om terugbetaling binnen drie jaar na mededeling van de douaneschuld aan de schuldenaar te zijn ingediend. De UTB is gedagtekend 2 december 2000. In casu houdt dat in dat eiseres haar verzoek om terugbetaling uiterlijk 2 december 2003, drie jaar na de dagtekening van de UTB, had moeten indienen. Het verzoek van eiseres is gedateerd 29 november 2004 en is aldus te laat ingediend. Voorts dient er gekeken te worden of er sprake was van toeval of overmacht waardoor eiseres niet eerder het verzoek had kunnen indienen.

5.2. Eiseres is reeds vanaf de datum van verzending bezig geweest om de zuivering van de documenten rond te krijgen en heeft daarbij uitvoerig gecorrespondeerd met de Duitse en Nederlandse Douane. Verweerder heeft ook uitgebreid met eiseres gecorrespondeerd buiten de procedures van het bezwaar en van het verzoek om herziening. Niet weersproken is door verweerder dat eiseres van die zijde adviezen heeft gekregen ten aanzien van de te volgen route die afweken van hetgeen neergelegd is in het CDW. Zo is eiseres geadviseerd om in contact te treden met TVO, en niet om bezwaar in te dienen ten aanzien van het besluit van de afwijzing van het eerste verzoek om terugbetaling van 19 september 2003. Verweerder heeft dan ook bij zijn reacties onvoldoende oog gehad voor het procesbelang van eiseres. Hierdoor is aannemelijk dat eiseres door verweerder op het verkeerde been is gezet en kan het niet aan haar worden toegerekend dat zij te laat het verzoek om terugbetaling heeft ingediend.

5.3. Op grond hiervan kan worden gesproken van overmacht waardoor eiseres niet eerder een verzoek om terugbetaling heeft kunnen indienen. Verweerder heeft dan ook ten onrechte het verzoek niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar ongegrond verklaard.

5.4. Het beroep zal gegrond worden verklaard.

6. Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aan-lei-ding op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kos-ten die eiseres in verband met de behande-ling van het beroep redelij-kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

7. Beslissing

De rechtbank Haarlem:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verklaart het verzoek om terugterugbetaling ontvankelijk;

- draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit op het verzoek te nemen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht van € 276,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.G. Jobse, voorzitter, en mrs. J.T.M. Nijenhof en A.J. Roke, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.J. Loggen – ten Hoopen, griffier. De beslissing is op 8 december 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.