Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AU8683

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-12-2005
Datum publicatie
23-12-2005
Zaaknummer
05/1130
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervangingsreserve. X BV heeft vervangingsvoornemen niet aannemelijk gemaakt. Voorts is X BV in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Dat rappelbrief niet is ontvangen doet daaraan niet af.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/1130

Uitspraakdatum: 19 december 2005

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X BV.,

gevestigd en kantoorhoudende te Z, eiseres,

gemachtigde mr. A,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan eiseres is met dagtekening 30 september 2004 voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag opgelegd in de vennootschapsbelasting berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.824.084.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij de uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2005 te Haarlem. De gemachtigde van eiseres is daar verschenen, tot bijstand vergezeld van mr. B, mr. C, D en E. Namens verweerder is F verschenen, tot bijstand vergezeld van G.

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan (met bijlagen) overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. De rechtbank rekent deze pleitnota’s (met bijlagen) tot de stukken van het geding.

2. De feiten

2.1. Eiseres is opgericht op 4 oktober 1993 en heeft als bedrijfsomschrijving het verkrijgen, vervreemden en exploiteren van allerlei vermogensbestanddelen. Sinds de oprichting is de bestuurder en 100 percent aandeelhouder van eiseres D.

2.2. In het onderhavige jaar is eiseres 65 percent aandeelhouder van H B.V. H B.V. is op haar beurt 100 percent aandeelhouder van J B.V. en vormt met haar dochter een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb).

2.3. In het onderhavige jaar is eiseres voorts 50 percent aandeelhouder van K B.V. De overige 50% van de aandelen in K B.V. wordt gehouden door M B.V. De bestuurder van K B.V. is M B.V. De bestuurder van M B.V. is E Beheer B.V. De bestuurder van E Beheer B.V. is E. In het jaar 2001 is eiseres 33,33 percent aandeelhouder van K B.V. Sinds 4 juli 2003 is eiseres geen aandeelhouder meer van K B.V.

2.4. In juli 1999 verkoopt eiseres aan een derde de onroerende zaken Lstraat 1, 1b en 2 te Z. De boekwinst die daarbij wordt gerealiseerd bedraagt ƒ 1.804.521. Tot de verkoop werden de onroerende zaken door eiseres verhuurd aan J B.V. Sinds de verkoop huurt J B.V. de onroerende zaken van voormelde derde.

2.5. In een ongedateerde huurovereenkomst tussen N (een derde, verhuurder) en J B.V. (huurder) is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Het gehuurde, bestemming, gebruik

1.1 Deze huurovereenkomst heeft betrekking op de bedrijfsruimte groot ca. 1.250 m² (...) plaatselijk bekend als I te R (...)

Duur, verlenging en opzegging

3.1. Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 1 (een) jaar, ingaande op 1 oktober 1999 en lopende tot en met 30 september 2000.

3.2. Na het verstrijken van de in 3.1 genoemde periode wordt deze overeenkomst voortgezet voor een aansluitende periode van 1 (een) jaar, derhalve tot en met 30 september 2001. Deze overeenkomst wordt vervolgens voortgezet voor aansluitende perioden van telkens 5 (vijf) jaar.”

2.6. Met dagtekening 30 januari 2001 heeft eiseres voor het jaar 1999 aangifte voor de vennootschapsbelasting gedaan naar een belastbaar bedrag van ƒ 178.065. In de aangifte neemt eiseres een vervangingsreserve op van ƒ 1.804.521.

2.7. In een huurovereenkomst, gedagtekend 12 maart 2001, tussen K B.V. (verhuurder) en J B.V. (huurder) is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Het gehuurde, bestemming, gebruik

1.1 Deze huurovereenkomst heeft betrekking op een bedrijfsruimte van circa 2025 m² b.v.o. en een kantoorruimte van circa 265 m² b.v.o., alsmede buitenterrein met parkeergelegenheid (...) plaatselijk bekend als Q, bedrijventerrein S, te R. Kadastraal bekend Gemeente R sectie A nummer 3 (...)

Duur, verlenging en opzegging

3.1 Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 5 jaar, ingaande op 01 oktober 2001 en lopende tot en met 30 september 2006.

3.2 Na het verstrijken van de in 3.1 genoemde periode wordt deze overeenkomst voortgezet voor een aansluitende periode van 5 jaar, derhalve tot en met 30 september 2011. Deze overeenkomst wordt vervolgens voortgezet voor aansluitende perioden van telkens 5 jaar.

(...)

Ingangsdatum

13. In verband met de afbouw van het gehuurde kan het zijn dat het pand pas na 01 oktober 2001 gereed is. Huurder verklaart zich akkoord met deze eventuele latere oplevering. In dat geval zullen de data genoemd in artikel 3.1, 3.2 (...) dien overeenkomstig opschuiven.”

2.8. Aan eiseres is met dagtekening 31 maart 2001 voor het jaar 1999 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd conform de aangifte.

2.9. K B.V. heeft op 10 april 2001 een perceel grond gekocht - kadastraal bekend Gemeente R sectie A nummer 3 - van circa 93 are voor de nieuwbouw van de onder 2.7 vermelde bedrijfsruimte. Voormeld perceel is op 17 april 2001 aan K B.V. geleverd.

2.10. Op27 januari 2003 is bij eiseres een boekenonderzoek aangevangen met betrekking tot de vennootschapsbelasting over de jaren 1997 tot en met 2001.

2.11. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 15 maart 2003 een beschikking gegeven als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet Vpb tot verrekening van het verlies van 2001 van ƒ 158.502 met de belastbare winst van 1999. Het belastbaar bedrag van 1999 is na verrekening van het verlies vastgesteld op ƒ 19.563.

2.12. In een leveringsakte, gedagtekend 19 maart 2003, tussen K B.V. (verkoopster) en eiseres (koopster) is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Verkoopster heeft blijkens een met koopster aangegane mondelinge overeenkomst van koop en verkoop aan koopster verkocht (...) EEN PERCEEL GROND (bouwterrein), gelegen in het bestemmingplan “Bedrijventerrein S”, plaatselijk bekend Q (thans nog ongenummerd) te R, gemeente R, kadastraal bekend gemeente R sectie A nummer 4, groot drieënnegentig are en zesentwintig centiare;

met het daarop in aanbouw zijnde bedrijfsverzamelgebouw van ongeveer vierduizend zevenhonderd vijfendertig vierkante meter (4.735 m²) (...)

alsmede een op het verkochte gebouwde kraanbaan inclusief kraan (...)

VOORAFGAANDE VERKRIJGING

Voormeld registergoed (afkomstig van het vervallen perceel kadastraal bekend gemeente R sectie A nummer 3) is door de verkoopster in eigendom verkregen door de inschrijving ten kantore van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers te W (...) op achttien april tweeduizend één (...) van het afschrift van een akte van levering (...) op zeventien april daaraanvoorafgaande verleden (...)

LEVERINGSVERPLICHTING, JURIDISCHE EN FEITELIJK STAAT

(...)

de planning van de oplevering van het verkochte door partijen is gesteld op vijftien april tweeduizend drie. (...)

GARANTIE VAN VERKOOPSTER

(...) het verkochte wordt overgedragen geheel vrij van huur”

2.13. Het rapport inzake het ingestelde boekenonderzoek is gedagtekend 12 februari 2004.

2.14. Eiseres heeft op 7 april 2004 de onder 2.12. vermelde onroerende zaak verkocht aan T (een derde). De onroerende zaak is op 28 mei 2004 aan T geleverd.

2.15. In een brief van E (K B.V.) aan eiseres, gedagtekend 7 juli 2004, is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“U heeft mij verzocht een en ander op papier te zetten betreffende het onroerend goed te R en de aankoop door [eiseres] van dit onroerend goed begin 2003.

(...)

Ingevolge de opdracht van D van [eiseres] dd. 15-11-1999 is door K B.V. het onroerend goed in R ontwikkeld. De ontwikkeling van dit pand is nagenoeg geheel voor rekening van ondergetekende gekomen. Door problemen met betrekking tot verontreinigde grond heeft het ontwikkelingstraject ruim 3 jaar in beslag genomen.

K B.V. houdt zich bezig met de exploitatie van onroerend goed in Z en omgeving een en ander in een straal van ongeveer 20 KM. Zonder de opdracht van D van [eiseres] zou K B.V. nimmer tot de exploitatie van een onroerend goed in het heel ver gelegen R zijn overgegaan.

Destijds is op verzoek van eiseres een huurovereenkomst opgesteld tussen K B.V. en J B.V. K B.V. was op dat moment eigenaar van het onroerend goed en dan ook de partij die het contract kon opstellen. Iets wat geen eigendom is kan je niet verhuren. Het opstellen van de huurcontracten is mede ingegeven door het feit dat eiseres géén enig aandeelhouder is van H B.V., een participatie maatschappij participeert voor een substantieel deel in H B.V. Om aan de uitdrukkelijke wens tot zekerheid van partijen gehoor te geven is in 2001 reeds een huurcontract opgesteld, terwijl het pand nog lang niet gereed was.”

2.16. In een brief van mr. U aan de gemachtigde van eiseres, gedagtekend 22 juli 2004, is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Onder verwijzing naar het met U gevoerde telefonisch onderhoud betreffende de in 1999 plaatsgevonden overdracht van de panden Lstraat 1 en 2 te Z, kan ik u het volgende berichten:

(...)

Kort na voormelde overdracht werd mij door D medegedeeld, dat hij voor het filiaal te R, waarvan het huurcontract zou aflopen, een perceel grond zocht om daarop te bouwen een gebouw, waarin zijn filiaal gevestigd kom worden.

Vervolgens vernam ik in het najaar 1999 van D, dat er gesprekken gaande waren over de koop van een perceel grond te R, welke echter werden beëindigd vanwege de te kleine bouwvolume op die grond.

Tenslotte vernam ik in het voorjaar 2000 van D, dat er nieuwe onderhandelingen gestart waren over de koop van een perceel grond in het bestemmingsplan “Bedrijventerrein S” te R, welke onderhandelingen uiteindelijk hebben geleid tot overdracht van de grond op 17 april 2001.”

2.17. Aan eiseres is met dagtekening 30 september 2004 de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.824.084. Verweerder heeft het belastbaar bedrag als volgt vastgesteld:

Belastbare winst volgens aanslag ƒ 178.065

Bij: vervangingsreserve ƒ 1.804.521

Vastgesteld belastbare winst ƒ 1.982.586

Af: verlies 2001 ƒ 158.502

Vastgesteld belastbaar bedrag ƒ 1.824.084

2.18. Tegen de navorderingsaanslag heeft de gemachtigde van eiseres een (pro forma) bezwaarschrift, gedagtekend 20 oktober 2004, ingediend. In een aanvulling op het (pro forma) bezwaarschrift, gedagtekend 18 november 2004, is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Overigens stellen wij voor om de gronden voor ons bezwaar, welke in bovengenoemde correspondentie uiteen zijn gezet, tijdens een hoorzitting nader te motiveren.”

2.19. Op 16 december 2004 hebben verweerder en de gemachtigde van eiseres telefonisch contact gehad. In dat telefonisch onderhoud heeft verweerder toegezegd dat indien hij voornemens is het bezwaar af te wijzen hij met de gemachtigde contact zal opnemen voor het maken van een afspraak voor een hoorzitting.

2.20. In een brief van verweerder aan de gemachtigde van eiseres, gedagtekend 12 januari 2005, is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Gezien dit voorlopig standpunt ben ik voornemens het bezwaarschrift af te wijzen.

U kunt met mij contact opnemen voor het maken van een afspraak voor een hoorzitting, waarin u de grond van uw bezwaar nader kunt motiveren. Mijn voorkeur gaat uit naar een afspraak ’s ochtends (b.v. rond de klok van 10) op 27of 28 januari 2005 of in de week daarna.

In dit verband graag uw aandacht voor het volgende:

In mijn dossier is niet aanwezig de akte van aankoop van het bedrijvencomplex te R door [eiseres] in 2003.

- Graag zie ik deze van u zo spoedig mogelijk tegemoet tesamen met de eventuele voorafgaande obligatoire overeenkomst.

- Verder zie ik graag van u stukken tegemoet waaruit blijkt wanneer voor het eerst het bedrijvencomplex te R ter verkoop is aangeboden op de markt door [eiseres].

Indien u gebruik wilt maken van nadere stukken ter onderbouwing van uw stelling zie ik deze stukken graag minimaal een week vóór de hoorzitting van u tegemoet.”

Voormelde brief is op 13 januari 2005 door de gemachtigde van eiseres ontvangen.

2.21. In een brief van verweerder aan de gemachtigde van eiseres, gedagtekend 7 februari 2005, is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Tot op heden heeft u niet gereageerd op mijn brief van 12 januari 2005. (...)

Ik verzoek u hierbij nogmaals mij allereerst de gevraagde informatie te verstrekken en wel vóór 18 februari 2005. Na ontvangst van deze informatie zal ik u binnen een redelijke termijn benaderen voor het maken van een afspraak voor een hoorzitting. (...) Ik wijs u erop dat het niet verstrekken van informatie leidt tot omkering van de bewijslast in bezwaar/ beroeps-fase.

(...)

Indien ik geen reactie van u heb ontvangen vóór 18 februari 2005 zal ik na die datum uitspraak op het bezwaarschrift doen waarbij ik negatief zal beslissen.”

2.22. In een fax van verweerder aan de gemachtigde van eiseres, gedagtekend 10 maart 2005, is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“U heeft mij net telefonisch benaderd inzake het bezwaar tegen de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 1999 t.n.v. [eiseres]. U heeft aangegeven, dat u problemen heeft gehad met cliënt omdat deze de rekeningen niet betaalde. Ik heb aangegeven, dat ik u op 12 januari 2005 een brief heb verzonden waar u niet op gereageerd heeft. Op 7 februari 2005 heb ik een rappelbrief verzonden en aangegeven dat ik bij het uitblijven van een reactie vóór 18 februari 2005 negatief zou beslissen op het bezwaarschrift. (...) Deze week heb ik uitspraak op het bezwaarschrift gedaan met dagtekening van 15 maart 2005. Deze uitspraak is naar u onderweg. (...) De uitspraak ontvangt u hierbij tevens per fax in kopie.”

Bij voormelde fax heeft verweerder een kopie van de onder 2.21 vermelde brief verzonden.

2.23. Verweerder heeft bij de uitspraak op bezwaar, gedagtekend 15 maart 2005, de navorderingsaanslag gehandhaafd.

3. Het geschil

In geschil is of eiseres in het jaar 1999 ter zake van de verkoop van de onder 2.4 vermelde onroerende zaken ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) in verbinding met artikel 8 van de Wet Vpb een vervangingsreserve mag vormen, in het bijzonder of eiseres op 31 december 1999 een voornemen tot vervanging had. Tussen partijen is voorts in geschil of de omkering en verzwaring van de bewijslast als bedoeld in artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) toepassing vindt, in het bijzonder of eiseres heeft voldaan aan haar inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Awr.

Tot slot is in geschil of verweerder eiseres ten onrechte in de bezwaarfase niet heeft gehoord.

De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting verklaard afstand te doen van het standpunt dat geen sprake is van een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Awr.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank zal zich eerst buigen over de vraag of eiseres op 31 december 1999 een voornemen tot vervanging van de onder 2.4 vermelde onroerende zaken had.

4.2. Artikel 14, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1999) luidt als volgt:

“Ingeval vergoedingen wegens verlies of beschadiging van een niet in artikel 10, tweede lid, bedoeld bedrijfsmiddel of de opbrengst bij vervreemding van zodanig bedrijfsmiddel de boekwaarde van dat bedrijfsmiddel dan wel van het beschadigde gedeelte overtreffen, kan bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst in elk geval, indien en zolang het voornemen tot vervanging of herstel van het bedrijfsmiddel bestaat, het verschil gereserveerd worden en blijven tot vermindering van de in aanmerking te nemen kosten van vervanging of herstel.”

4.3. Vaststaat dat de onder 2.4 vermelde onroerende zaken een bedrijfsmiddel vormen. Verweerder stelt dat eiseres op 31 december 1999 geen voornemen tot vervanging van de onder 2.4. vermelde onroerende zaken had.

Eiseres betwist de stelling van verweerder.

4.4. De rechtbank stelt voorop dat op eiseres de bewijslast rust met betrekking tot het vervangingsvoornemen op 31 december 1999 Zij heeft daartoe de onder 2.15 en 2.16 vermelde verklaringen overgelegd. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de onder 2.15 vermelde verklaring kan worden aangemerkt als een beëdigde getuigenverklaring. Voorts heeft eiseres ter onderbouwing van haar stelling ter zitting een prijsopgaaf overgelegd van V B.V., gedagtekend 18 juli 2000, gericht aan M B.V. inzake het ontwerp van een “kantoor met bedrijfshal” te R en twee bouwtekeningen, gedagtekend 14 juli 2000, van een “nieuwbouw hal + kantoor” te R waarop als opdrachtgever is vermeld “J B.V.”.

4.5. De rechtbank acht eiseres niet geslaagd in haar bewijs en overweegt daartoe het volgende. De door eiseres ter onderbouwing van haar stelling aangedragen bewijsstukken zijn niet overtuigend. Uit de onder 2.15 vermelde verklaring kan niet worden afgeleid dat eiseres op 31 december 1999 het voornemen had om de onder 2.4 vermelde onroerende zaken te vervangen. De onder 2.15 vermelde verklaring veronderstelt de aanwezigheid van een op 15 november 1999 door eiseres aan K B.V. verstrekte opdracht tot ontwikkeling van de onder 2.9 vermelde onroerende zaak. Voor het bestaan van een dergelijke opdracht van eiseres vormt de overgelegde verklaring evenwel onvoldoende bewijs. Ook overigens is het bestaan van een dergelijke opdracht niet aannemelijk gemaakt. E heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er geen schriftelijke opdracht is van D en dat hij de datum van een mondelinge opdracht niet meer zeker weet. De onder 2.15 vermelde verklaring dateert voorts van geruime tijd ná 31 december 1999 en sluit evenmin aan bij de onder 2.9 vermelde feiten.

4.6. Het bestaan van een voornemen tot vervanging bij eiseres op 31 december 1999 kan ook niet worden afgeleid uit de onder 2.16 vermelde verklaring. In deze verklaring is vermeld dat D aan U ná de onder 2.4 vermelde verkoop heeft medegedeeld dat hij voor het filiaal te R een perceel grond zocht om daarop een gebouw te bouwen. De onder 2.16 vermelde verklaring verschaft evenwel geen enkel inzicht in de hoedanigheid waarin D deze mededeling, wat daarvan ook zij, heeft gedaan en namens welke vennootschap de in de verklaring vermelde gesprekken respectievelijk onderhandelingen in het najaar 1999 en het voorjaar 2000 zouden hebben plaatsgevonden. Voorts dateert ook deze verklaring van geruime tijd ná 31 december 1999.

4.7. De rechtbank acht het ook op basis van de overige onder 4.4 vermelde bewijsstukken niet aannemelijk dat eiseres op 31 december 1999 het voornemen had om de onder 2.4 vermelde onroerende zaken te vervangen door de onder 2.9 vermelde dan wel een andere onroerende zaak. Voormelde stukken dateren van ná 31 december 1999 en zijn gericht aan derden. Ook de als bijlage bij het verweerschrift gevoegde stukken inzake de ontwikkeling van de onder 2.9 vermelde onroerende zaak zijn niet afkomstig van of gericht aan eiseres, maar van of aan derden, waaronder K B.V. Voorts heeft eiseres haar stelling dat K B.V. de onder 2.9 vermelde onroerende zaak voor eiseres zou ontwikkelen en dat de onroerende zaak op een later moment aan eiseres zou worden verkocht niet onderbouwd met enig bewijsmiddel. Dat eiseres de onder 2.12 vermelde onroerende zaak (uiteindelijk) in 2003 heeft gekocht - nog daargelaten of sprake is van een bedrijfsmiddel met een zelfde economische functie - leidt niet tot een ander oordeel.

4.8. Het bestaan van een voornemen tot vervanging op 31 december 1999 is ook anderszins niet aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft onvoldoende naar voren gebracht wat de intenties en activiteiten met betrekking tot het investeren in onroerende zaken van de directie van eiseres op 31 december 1999 waren. D heeft een en ander desgevraagd ter zitting ook niet, althans onvoldoende kunnen adstrueren. Alsdan is niets komen vast te staan over het voornemen tot vervanging van de directie van eiseres op 31 december 1999. Naar het oordeel van de rechtbank kan de enkele stelling van eiseres dat sinds de verkoop van de onder 2.4 vermelde onroerende zaken is gezocht naar een geschikt object, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, niet meebrengen dat daarmee voldaan is aan het van haar verlangde bewijs.

4.9. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat eiseres er niet in is geslaagd aannemelijk te maken, laat staan doen blijken, dat zij op 31 december 1999 het voornemen had om de onder 2.4 vermelde onroerende zaken te vervangen Verweerder heeft de door eiseres gevormde vervangingsreserve dan ook terecht aan de winst toegevoegd. Alsdan kan in het midden kan blijven of de omkering en verzwaring van de bewijslast als bedoeld in artikel 27e van de Awr toepassing vindt.

4.10. Voorts is in geschil of de hoorplicht is geschonden.

4.11. Eiseres heeft erover geklaagd in de bezwaarfase niet te zijn gehoord. Ingevolge artikel 7:2 van de Awb stelt een bestuursorgaan voordat het op het bezwaar beslist belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Ingevolge artikel 25, vierde lid, van de Awr wordt in afwijking van artikel 7:2 van de Awb de belanghebbende gehoord op zijn verzoek. Vaststaat dat eiseres in de bezwaarfase heeft verzocht om te worden gehoord en dat verweerder heeft toegezegd dat indien hij voornemens is het bezwaar af te wijzen hij eiseres in de gelegenheid zou stellen om te worden gehoord. Eiseres stelt dat zij, in tegenstelling tot hetgeen is toegezegd door verweerder, niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord voordat verweerder op het bezwaar heeft beslist. Verweerder betwist de stelling van eiseres en stelt dat hij in de onder 2.20 vermelde brief een voorstel heeft gedaan voor een hoorzitting en dat eiseres daarop niet heeft gereageerd.

Daar eiseres de onder 2.20 vermelde brief op 13 januari 2005 heeft ontvangen en eerst op 10 maart 2005 met verweerder telefonisch contact heeft opgenomen, verwerpt de rechtbank deze klacht van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met de onder 2.20 vermelde brief voldoende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Er is alsdan geen sprake van schending van de hoorplicht. De stelling van eiseres dat zij de onder 2.21 vermelde rappelbrief nooit heeft ontvangen, wat daarvan ook zij, doet daaraan niet af.

4.12. Op grond van al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het gelijk aan verweerder is. Het beroep van eiseres zal ongegrond worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

De rechtbank Haarlem verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, L.F. Roseval en J.H. Hoekstra, leden. De beslissing is op 19 december 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. H. Schiltkamp, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.