Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AU8674

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-12-2005
Datum publicatie
23-12-2005
Zaaknummer
15/390005-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verweer niet-ontvankelijkheid OM vanwege schending beginselen goede procesorde verworpen, vrijspraak art. 169 Sr, artt. 3.8 en 5.3 Wet luchtvaart;

Vrijspraak nu niet is komen vast te staan dat de gehanteerde stoelverdeling tot gevolg heeft gehad dat het zwaartepunt van het vliegtuig te ver naar achteren is komen te liggen, waardoor vervolgens de staart van het vliegtuig op de startbaan terecht is gekomen (tailstrike geheten). Voor vaststelling van die causaliteit hadden nadere berekeningen uitgevoerd dienen te worden waarin meer feitelijke gegevens en variabelen waren meegnoemen dan thans is geschied. Eveneens daarom vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde, inhoudende dat het toestel niet luchtwaardig was vanwege een te ver naar achteren gelegen zwaartepunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: [nummer]

Uitspraakdatum: 23 december 2005

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de onderzoeken op de openbare terechtzittingen van 31 mei 2005 en 12 december 2005 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te ([woonplaats], [adres]

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I (a,b) aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De raadsvrouwe van verdachte heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, omdat de officier van justitie beginselen van een goede procesorde heeft geschonden door onzorgvuldig te handelen.

De raadsvrouwe heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De officier van justitie is voorbij gegaan aan de belangen van een adequate verdediging door bijna twee jaar na het onderhavige incident, op 25 november 2004 rauwelijks te dagvaarden voor de politierechterzitting van 17 december 2004. Door vervolgens de raadsvrouwe pas begin december 2004 de processtukken te zenden waren de termijnen om bezwaar te maken tegen de dagvaarding, een mini-instructie te vragen of op andere wijze onderzoekswensen naar voren te brengen inmiddels verstreken waardoor de mogelijkheid om een se-potbeslissing uit te lokken werd afgesneden. Verdachte is daardoor ernstig benadeeld in zijn belangen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het navolgende.

Het is aan de verdediging en daarmee voor haar risico dat binnen de wettelijk vastgestelde termijn een bezwaarschrift tegen de dagvaarding wordt ingediend, onafhankelijk van het moment waarop men de stukken in de zaak ontvangt. Indien de raadsvrouwe van mening was geweest dat zij zich niet adequaat had kunnen voorbereiden op de politierechterzitting van 17 december 2004, had zij dit in een zo vroeg mogelijk stadium, derhalve ten tijde van die behandeling ter terechtzitting, behoren aan te voeren en aanhouding van behandeling van de zaak kunnen verzoeken met het oog op het door haar gewenste onderzoek. Thans zijn deze door de raadsvrouwe aangevoerde verweren aan te merken als een gepasseerd station. Verder geldt dat de officier van justitie geen wettelijke plicht heeft om een kennisgeving verdere vervolging uit te doen gaan, hoewel dat in een dergelijke complexe zaak niet ongebruikelijk is.

Het voornoemd aangevoerde raakt aldus niet aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Voorts heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat de vervolgingsbeslissing lichtvaardig en onzorgvuldig genomen is, omdat de officier van justitie is overgegaan tot dagvaarding van verdachte op basis van een onvolledig onderzoek dat redelijkerwijze tot het besluit had moeten leiden verdachte niet te vervolgen. Nu de officier van justitie verdachte wel heeft vervolgd, zonder aldus een gedegen onderzoek voorhanden te hebben, is de vervolgingsbeslissing niet begrijpelijk en willekeurig.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Een vervolging is alleen dan lichtvaardig als reeds op voorhand blijkt dat verdere vervolging niet gerechtvaardigd is, omdat het tenlastegelegde feit niet bewezen kan worden. Blijkens het door verbalisanten verrichte en afgeronde onderzoek naar het gebeurde op 12 januari 2003, zoals zich dat in het dossier bevindt, is sprake van een causaal verband tussen de “seating” en de “tailstrike.” Ondanks dat tijdens de eerste terechtzitting op 17 december 2004 is besloten om de zaak terug te verwijzen naar de rechter-commissaris voor nader onderzoek, kan niet van een lichtvaardige vervolging worden gesproken.

Tenslotte heeft de raadsvrouwe in dit kader aangevoerd dat de officier van justitie de ten laste gelegde feiten onzorgvuldig heeft gekozen en dat de vervolging in strijd is zowel met het algemeen belang - daarbij doelend op de veiligheid in de luchtvaart- als met het persoonlijk belang van verdachte. Ten aanzien van de proportionaliteit heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat het huidige vervolgingsbeleid de meldingsbereidheid van incidenten in de luchtvaart doet afnemen en dat de vervolging geen redelijk strafdoel dient nu een speci-ale of generale preventie niet aan de orde is. Ten aanzien van de subsidiariteit heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat de vervolging in strijd is met het ultimum remediumkarakter van het strafrecht.

De rechtbank verwerpt dit verweer

Gelet op het opportuniteitsbeginsel, verband houdende met het vervolgingsmonopolie van het openbaar ministerie, is het aan het openbaar ministerie om te beslissen of tot vervolging van een verdachte wordt overgegaan, of daarbij sprake is van een ultimum remedium en enig te dienen strafdoel. Dit beginsel houdt ook in dat het openbaar ministerie beslist welke feiten aan verdachte ten laste worden gelegd. Nu de rechtbank niet is gebleken van een aperte onbehoorlijkheid in de belangenafweging bij de vervolging van verdachte of een onevenredige vervolging door het openbaar ministerie had de officier van justitie derhalve kunnen komen tot de onderhavige vervolgingsbeslissing.

Alle door de raadsvrouwe aangevoerde verweren, betrekking hebbend op de gestelde niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, rechtvaardigen derhalve niet de conclusie dat het Openbaar Ministerie onzorgvuldig tot vervolging is overgegaan.

Aldus stelt de rechtbank vast dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging.

Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijsbeslissing

3.1 Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair en onder 2 ten laste is gelegd en zij overweegt daartoe het navolgende.

Vast is komen te staan dat de afhandelaar, medeverdachte [medeverdachte], een stoelverdeling heeft gemaakt voor de door [werkgever] uitgevoerde (driepunts)vlucht van 12 januari 2003, die afwijkt van de met die luchtvaartmaatschappij gemaakte afspraken daarover en dat ten aanzien daarvan de gezagvoerder, geen maatregelen heeft genomen. Blijkens het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, waaronder de schriftelijke verklaring en de verklaring ter terechtzitting van deskundige L.S. den Boer, is naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet komen vast te staan dat de hiervoor geschetste situatie tot gevolg heeft gehad dat het zwaartepunt van het vliegtuig te ver naar achteren is komen te liggen, waardoor vervolgens de staart van het vliegtuig op de startbaan terecht is gekomen (tailstrike geheten). Voor vaststelling van die causaliteit hadden nadere berekeningen uitgevoerd dienen te worden waarin meer feitelijke gegevens en variabelen waren meegenomen dan thans is geschied. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het hem onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde.

Het voorgaande leidt ook tot het oordeel dat de rechtbank het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde, inhoudende dat het toestel niet luchtwaardig was vanwege een te ver naar achteren gelegen zwaartepunt, niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Verdachte dient aldus van alle aan hem ten laste gelegde feiten worden vrijgesproken.

4. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de hem onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten.

5. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Robert, voorzitter,

mrs. Boekhoudt en Van Dijk, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Botma,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 december 2005.

Mr. Boekhoudt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.