Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AU6004

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-11-2005
Datum publicatie
14-11-2005
Zaaknummer
117552 - KG ZA 05-551
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil betreffende de villa van wijlen [B]. De Stichting Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Seksualiteit, erfgenaam van [B], alsmede andere gegadigden voor de villa, moeten de uitkomst van de cassatieprocedure afwachten. Het feit dat sinds het arrest van het hof drie maanden zijn verstreken betekent niet dat de rechten van de houder van het voorkeursrecht van koop zijn vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

Vonnis in kort geding in gevoegde zaken van 11 november 2005

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 117552 / KG ZA 05-551 van

1. [X],

2. [Y],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. P.F.P. Nabben,

tegen

de stichting

STICHTING FONDS VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK SEKSUALITEIT (voorheen [B] Stichting),

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. J.A.M.P. Keijser te Nijmegen,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 117872 / KG ZA 05-565 van

1. [X],

2. [Y],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. P.F.P. Nabben,

tegen

[Z],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. H.K. Garvelink,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 118248 / KG ZA 05-593 van

de stichting

STICHTING FONDS VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK SEKSUALITEIT (voorheen [B] Stichting),

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. J.A.M.P. Keijser te Nijmegen,

tegen

[Z],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. H.K. Garvelink,

Partijen zullen hierna [X], [Y], de Stichting en [Z] worden genoemd.

1. De procedure alle zaken

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen

- de akte houdende voorwaardelijke eis in reconventie van de Stichting

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [X] en [Y]

- de pleitnota van de Stichting

- de pleitnota van [Z].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In 1992 hebben [Z] en zijn toenmalige partner [R] een gedeelte van de woning aan de [straat] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie [nummer] (hierna te noemen: de woning) gehuurd van [B] (hierna te noemen: [B]), destijds eigenaar van de woning. De huurovereenkomst werd aangegaan onder de verplichting dat [Z] en zijn partner een deel van de verzorging van [B] op zich namen en hem gezelschap hielden.

2.2. Bij testament d.d. 27 juli 1992 heeft [B] de Stichting benoemd tot algemeen erfgenaam en [N] (hierna te noemen: [N]) tot executeur-testamentair.

2.3. [B] heeft op 17 oktober 1992 een schriftelijk stuk opgesteld en ondertekend, getiteld “Opdracht aan executeur-testamentair”. In dit stuk staat het volgende vermeld:

“In aanmerking nemende dat de heren [Br] en [Z] (nader aan te duiden als huurder) met ingang van 1 december 1992 een gedeelte van de woonruimte hebben gehuurd in het pand gelegen aan de [straat] 1 te [plaats], gemeente [gemeente], zulks van ondergetekende [B], de eigenaar en hoofdbewoner, geeft ondergetekende bij deze opdracht aan zijn executeur-testamentair uiterlijk binnen zes maanden na ondergetekende’s overlijden vermeld pand met de daarbij behorende tuin en garage aan huurder te koop aan te bieden tegen een koopprijs, welke op de hieronder aangegeven wijze zal worden vastgesteld.

Dat aanbod zal van kracht zijn gedurende een maand, binnen welke huurder schriftelijk aan de executeur-testamentair moet hebben bericht of het aanbod tegen de bepaalde koopprijs wordt aangenomen.

Tenzij in onderling overleg anders overeengekomen zullen de executeur-testamentair en/of de huurder aan de notaris mr. J.C. de Waard te Overveen of diens opvolger verzoeken, een tot geen der partijen in betrekking staande deskundige te benoemen, die de koopprijs van het geheel zal vaststellen. Mocht bij de bepaling van de waarde de huurprijs van het niet door ondergetekende bewoonde gedeelte van het pand een rol spelen, dan zal de deskundige niet mogen uitgaan van het feitelijk betaalde huurbedrag, maar van hetgeen huurder schuldig zou zijn geweest, laatstelijk volgens het puntensysteem voor kamerhuur van de Nederlandse Woonbond in samenwerking met het Ministerie van Volkshuisvesting, wanneer men een gemiddelde berekent tussen de aldus vastgestelde maximum- en minimumprijs. De kosten van deze deskundige en van zijn aanwijzing komen voor gelijke delen ten laste van huurder en de nalatenschap.

Indien huurder er niet in mocht slagen, binnen drie maanden na de vaststelling van de koopprijs de aankoop van het pand te financieren, zodat de eigendomsoverdracht op de wettelijk voorgeschreven wijze kan plaatsvinden, vervallen alle optierechten van huurder en heeft de executeur-testamentair wederom volledige beschikkingsbevoegdheid ten aanzien van de eigendomsrechten op het pand.”

2.4. Op 22 april 1998 is [B] overleden. De woning is in mei 1998 door Kok Makelaars te Overveen getaxeerd op ƒ 1.500.000,-- vrij van huur en ƒ 1.300.000,-- in verhuurde staat. [N] heeft [Z] en [R] de woning aangeboden voor een bedrag van ? 1.300.000,--. Bij schrijven van 15 juli 1998 hebben [Z] en [R] onder meer het volgende aan [N] bericht:

“Wij hebben op dit moment wel degelijk belangstelling het pand [straat] te [plaats] te kopen, maar dan voor een bedrag tussen ? 900.000,-- (60% van ? 1.500.000,--) en het door u voorgestelde bedrag van ? 1.300.000,--. Het lijkt ons het beste een en ander voor te leggen aan de notaris, die de nalatenschap van [B] onder handen heeft.

Ook is overeengekomen, dat wij een periode van 3 maanden hebben, om de financiering rond te krijgen. Wij gaan er nu vanuit, dat deze periode pas ingaat vanaf het moment dat de definitieve prijs in overleg met de notaris is vastgesteld en aan ons is gemeld.”`

2.5. Vervolgens is tussen de Stichting en [Z] een geschil ontstaan over de voorwaarden waaronder [Z] de woning zou kunnen kopen.

2.6. Op 17 juni 2002 heeft [Z] conservatoir beslag tot levering op de woning doen leggen, waarna hij bij deze rechtbank een bodemprocedure tegen de Stichting aanhangig heeft gemaakt. In die procedure vorderde hij, kort gezegd, veroordeling van de Stichting om de woning aan hem te leveren tegen betaling van een koopsom van

EUR 589.914,28 (ƒ 1.300.000,-- ), subsidiair schadevergoeding.

2.7. In die procedure heeft de rechtbank op 4 juni en 3 september 2003 tussenvonnissen gewezen. Bij de einduitspraak d.d. 12 mei 2004 (hierna ook: het vonnis) overweegt de rechtbank onder meer:

“De rechtbank is van oordeel dat uit de getuigenverklaringen naar voren komt dat in november 1992 in het kader van de tussen [Z] en [R] enerzijds en [B] anderzijds gesloten verzorgingsovereenkomst door [B] aan [Z] en [R] een koopoptie is verstekt, maar dat de details van deze koopoptie nog moesten worden ingevuld.

(…)

[Z] en [R] hebben de uitwerking van de details en het schriftelijk vastleggen daarvan, blijkens hun verklaringen, overgelaten aan [B]. [B] heeft vervolgens het stuk getiteld “Opdracht aan executeur-testamentair” opgesteld.

(…)

Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het niet alleen voor [R] (en [Z]) maar ook voor [B] duidelijk was dat de koopoptie inhield dat het pand tegen de marktprijs in bewoonde staat kon worden gekocht.”

2.8. Vervolgens heeft de rechtbank de Stichting veroordeeld om de woning aan [Z] te leveren tegen betaling door [Z] van een koopsom groot EUR 589.914,28 en daartoe op eerste oproep te verschijnen ten kantore van de door [Z] aan te wijzen notaris en mee te werken aan het verlijden van de akte tot levering op de gebruikelijke voorwaarden. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat, indien de Stichting niet aan de veroordeling mocht voldoen, het vonnis de kracht zal hebben van een in wettige vorm opgemaakte akte van levering ter uitvoering van de tussen de Stichting en [Z] gesloten koopovereenkomst. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.9. De Stichting heeft van het vonnis geappelleerd. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest van 9 juni 2005 (hierna ook: het arrest) is zij, voor zover hier van belang, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, omdat zij het door haar ingestelde rechtsmiddel niet had laten inschrijven in het daartoe bestemde register.

2.10. Op 16 juni 2005 heeft [Z] het vonnis en het arrest aan de Stichting betekend met bevel om aan de inhoud ervan te voldoen. Mr. C.E. Schouten te Amsterdam, destijds advocaat van de Stichting, heeft daarop bij brief van diezelfde datum aan de advocaat van [Z] bericht:

“(…)

Hierbij deel ik u mee in bovengenoemde zaak dat het deurwaardersexploit aan cliënte is betekend en dat de Stichting haar medewerking zal verlenen.

(…)”

2.11. De Stichting heeft bij dagvaarding van 9 september 2005 tegen het arrest cassatieberoep ingesteld.

2.12. [X] en [Y] wensen al sedert enkele jaren de woning te kopen. Daartoe hebben zij vanaf 2001 intensief contact onderhouden met de Stichting. Bij brief van 5 september 2005 heeft [St] (hierna te noemen: [St]), secretaris van de Stichting, [Y] onder meer het volgende medegedeeld:

“(…)

Mocht Vrouwe Justitia ons dit keer gunstig gezind zijn, en daarmee ons de mogelijkheid geven de verkoop ter hand te nemen, dan blijft mijn mede namens het bestuur gedane toezegging van kracht: u hebt dan eerste recht van koop voor een prijs zoals besproken.

(…)”

3. De vorderingen en de beoordeling daarvan

In de zaak onder nummer 118248:

3.1. In het geding tussen de Stichting en [Z] vordert de Stichting dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. [Z] zal verbieden het vonnis van 12 mei 2004 ten uitvoer te leggen, met bepaling dat de Stichting niet zal behoeven mee te werken aan het verlijden van de akte tot levering als omschreven in het vonnis;

b. subsidiair zal bepalen dat [Z] het vonnis niet meer ten uitvoer zal mogen leggen na het verstrijken van twee weken dan wel een andere door de voorzieningenrechter te bepalen termijn na betekening van het te wijzen vonnis en alsdan de Stichting niet zal behoeven mee te werken aan de akte tot levering;

c. één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom indien [Z] toch tot tenuitvoerlegging van het vonnis overgaat;

d. zal bepalen dat de Stichting – al dan niet na een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn – bevoegd en gerechtigd is de woning te verkopen en te leveren aan een derde met bevel aan [Z] dit op straffe van verbeurte van een dwangsom te gehengen en te gedogen;

e. het door [Z] gelegde beslag zal opheffen, althans hem op straffe van verbeurte van een dwangsom zal veroordelen dat beslag binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis op te heffen;

f. zal bepalen dat [Z], indien hij overgaat tot verkoop en levering, over de aan de Stichting te betalen koopsom de wettelijke rente dient te betalen vanaf 12 mei 2004, althans 9 juni 2005, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen datum;

g. zal bepalen dat de netto opbrengst na aftrek van verkoop- en ontruimingskosten en het aan de Stichting toekomende bedrag (als hiervoor bedoeld) op een door partijen overeen te komen derdengeldrekening moet worden gereserveerd totdat bij gewijsde dan wel overeenkomst vaststaat aan wie deze toekomt.

3.2. De Stichting baseert haar vordering op het volgende. De rechtbank heeft in het vonnis van 12 mei 2004 vastgesteld dat tussen [B] en [Z] (en [R]) een overeenkomst is tot stand gekomen, die onder meer inhield dat [B] aan [Z] een koopoptie ter zake van de woning heeft verleend. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat [Z] de uitwerking van de details van de koopoptie heeft overgelaten aan [B]. [B] heeft daartoe het stuk getiteld “Opdracht aan executeur-testamentair” opgesteld. Dat stuk bevat onder meer de passage: “Indien huurder er niet in mocht slagen, binnen drie maanden na de vaststelling van de koopprijs de aankoop van het pand te financieren, zodat de eigendomsoverdracht op de wettelijk voorgeschreven wijze kan plaatsvinden, vervallen alle optierechten van huurder en heeft de executeur-testamentair wederom volledige beschikkingsbevoegdheid ten aanzien van de eigendomsrechten op het pand”. Volgens de Stichting maakt deze passage deel uit van de overeenkomst tussen [B] en [Z]. Voorts stelt de Stichting zich op het standpunt dat de koopsom van de woning is vastgesteld bij de uitspraak van het arrest van het hof van 9 juni 2005, althans bij de betekening daarvan op 16 juni 2005.

3.3. Het feit dat [Z] de woning niet aan zich heeft doen leveren binnen drie maanden na de uitspraak, althans na de betekening van het arrest, betekent volgens de Stichting dat, ingevolge de instructie aan de executeur testamentair, de rechten van [Z] uit hoofde van de koopoptie zijn vervallen en wel per 10 september (drie maanden na de uitspraak), althans per 17 september 2005 (drie maanden na de betekening). [Z] is daarom, aldus de Stichting, niet meer gerechtigd het vonnis ten uitvoer te leggen door de woning aan zich te doen leveren.

3.4. [Z] heeft hiertegenover aangevoerd dat de instructie aan de executeur testamentair geen deel uitmaakt van enige overeenkomst tussen hem en [B], zodat hij zich niet gebonden acht aan de inhoud ervan.

3.5. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent als volgt. Indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat [Z] gebonden is aan de instructie aan de executeur testamentair, dan geldt dat aan [Z] een termijn van drie maanden is gegund om de aankoop van de woning te financieren, welke termijn aanvangt nadat de koopprijs van de woning is vastgesteld. Anders dan de Stichting meent is de prijs niet definitief vast komen te staan met de uitspraak van het arrest. Immers, tegen het arrest is cassatieberoep ingesteld en in de cassatieprocedure is de koopprijs aan de orde gesteld.

3.6. Het feit dat [Z] het vonnis en het arrest op 16 juni 2005 aan de Stichting heeft doen betekenen kan niet aan hem worden tegengeworpen. De betekening is niet gericht op afnemen van de woning, maar bevat slechts een bevel aan de Stichting om aan de inhoud van beide uitspraken te voldoen. Gezien de wijze waarop de Stichting de optie interpreteert, had het voor de hand gelegen dat zij [Z] erop zou hebben gewezen dat zij hem aan de termijn van drie maanden, ingaande na de uitspraak c.q. de betekening, zou houden. Dat heeft de Stichting echter nagelaten. Ook heeft zij hem niet tot afname binnen die termijn gesommeerd. In die situatie kan niet worden volgehouden dat [Z] in verzuim is.

3.7. Ook na betekening stond het [Z] nog vrij af te wachten of het arrest kracht van gewijsde zou verkrijgen. In dit verband is nog van belang dat mr. Schouten, de toenmalige raadsman van de Stichting, naar [Z] onweersproken heeft gesteld, niet heeft geantwoord op de brief van mr. Garvelink d.d. 27 juni 2005, waarin deze heeft gevraagd of de Stichting voornemens was cassatieberoep in te stellen. Dat het arrest uitvoerbaar bij voorraad is verklaard maakt het voorgaande niet anders. [Z] was niet verplicht vooruit te lopen op het onherroepelijk worden van het arrest, zeker niet nu het gaat om de levering van een onroerende zaak. Immers, indien [Z] de woning aan zich zou hebben laten leveren en in cassatie de Stichting in het gelijk mocht worden gesteld, kan het ongedaan maken van de levering aan [Z] aanzienlijke complicaties opleveren, aangezien [Z] voornemens is de zaak door te leveren aan derden.

3.8. Op grond van het voorgaande is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de bodemrechter, indien geadieerd, tot het oordeel zal komen dat de rechten van [Z] uit hoofde van het vonnis zijn vervallen omdat hij de woning niet binnen drie maanden na de uitspraak c.q. betekening van het arrest heeft afgenomen. Dit betekent dat de daarop gebaseerde vorderingen van de Stichting onder a., b., c., d. en e. niet voor toewijzing vatbaar zijn.

3.9. Voor een veroordeling van [Z] om, indien hij overgaat tot verkoop en levering, over de aan de Stichting te betalen koopsom de wettelijke rente te betalen bestaat geen grond, aangezien geenszins vaststaat wanneer geleverd zal worden. De vordering om te bepalen dat de netto opbrengst van de woning, na aftrek van verkoop- en ontruimingskosten en het aan de Stichting toekomende bedrag, op een door partijen overeen te komen derdengeldrekening moet worden gereserveerd totdat bij gewijsde dan wel overeenkomst vaststaat aan wie deze toekomt, ontbeert, gelet op het onder 3.5. tot en met 3.8. overwogene eveneens een deugdelijke rechtsgrond. Het voorgaande voert ertoe dat de vorderingen onder f. en g. eveneens zullen worden afgewezen.

3.10. De Stichting zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

In de zaak onder nummer 117552:

In conventie:

3.11. In het geding van [X] en [Y] tegen Stichting vorderen [X] en [Y] in conventie - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Stichting op straffe van verbeurte van een dwangsom zal veroordelen om de woning aan [X] en [Y] te leveren tegen betaling van een koopsom van primair EUR 1.265.000,--, subsidiair EUR 1.300.000,-- en meer subsidiair EUR 1.385.000,-- en daartoe op eerste oproep te verschijnen ten kantore van een door [X] en [Y] aan te wijzen notaris en mee te werken aan het verlijden van de akte tot levering op de gebruikelijke voorwaarden.

3.12. [X] en [Y] stellen op basis van de onder de feiten aangehaalde brief van [St] een recht op levering van de woning te hebben, waaraan thans uitvoering dient te worden gegeven. Aan [X] en [Y] kan worden toegegeven dat [St] hun bij die brief een toezegging heeft gedaan. Hij heeft daarbij echter het voorbehoud gemaakt dat het de Stichting vrij moest staan om tot verkoop van de woning over te gaan. Gelet op het oordeel in de zaak tussen de Stichting en [Z] moet worden geconcludeerd dat die situatie zich thans vooralsnog niet voordoet. Voorts staat niet vast dat partijen de door [X] en [Y] genoemde koopprijzen zijn overeengekomen. In de brief van [St] is sprake van “een prijs zoals besproken”. Ter terechtzitting is gebleken dat partijen het niet eens zijn over de vraag welk concreet bedrag daarmee wordt bedoeld.

3.13. Een afweging van de betrokken belangen kan niet tot een ander oordeel leiden, nu voorts is gebleken dat [X] en [Y] de woning kunnen kopen indien zij bereid zijn EUR 1.485.000,-- voor de woning te betalen, het bedrag dat blijkens mededeling ter zitting van de makelaar van [Z] door derden is geboden. Hierop zijn [X] en [Y] niet ingegaan.

3.14. Het voorgaande voert tot afwijzing van de vordering. [X] en [Y] zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie.

In reconventie:

3.15. De Stichting vordert in voorwaardelijke reconventie, voor het geval de vorderingen van [X] en [Y] in conventie worden afgewezen, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [X] en [Y] zal veroordelen om de overdracht van de woning door [Z] – na verkrijging van de eigendom van de zijde van de Stichting – aan een of meer derden te gehengen en te gedogen, en hun te verbieden beslag te leggen op de woning, één ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. Nu de vorderingen van [X] en [Y] in conventie zijn afgewezen, dient ook de vordering in reconventie te worden beoordeeld.

3.16. Met de onderhavige vordering beoogt de Stichting te voorkomen dat [X] en [Y] levering van de woning door [Z] aan anderen dan aan hen door middel van beslaglegging zullen blokkeren. Zoals uit al het voorgaande blijkt zijn de aanspraken van [X] en [Y] op de woning als zeer gering te kwalificeren en te onzeker om thans beslaglegging te kunnen rechtvaardigen. Desondanks kan aan hen niet in het algemeen het recht worden ontnomen om beslag te leggen op de woning. De vordering is daarom niet voor toewijzing vatbaar. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat bij deze rechtbank de mogelijkheid bestaat om een beslag grijs te maken. Indien de omstandigheden zich wijzigen zal aan de voorzieningenrechter verlof kunnen worden gevraagd om beslag te leggen, waarbij in het beslagrekest wel melding gemaakt zal moeten worden van dit vonnis. De voorzieningenrechter zal op dat rekest beslissen aan de hand van de dan geldende omstandigheden en beschikbare gegevens.

3.17. De Stichting zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie, met dien verstande dat [X] en [Y] geacht worden ten gevolge van de eis in reconventie geen extra kosten te hebben gemaakt.

In de zaak onder nummer 117872:

3.18. In het geding van [X] en [Y] tegen [Z] vorderen [X] en [Y] dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

[Z] op straffe van verbeurte van een dwangsom zal verbieden het tussen hem en de Stichting gewezen vonnis van deze rechtbank van 12 mei 2004 en het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 9 juni 2005 te executeren en het door [Z] op de woning gelegde beslag zal opheffen.

3.19. In het geding van [X] en [Y] tegen de Stichting is al vastgesteld dat onvoldoende vaststaat dat [X] en [Y] aanspraak hebben op levering van de woning. Anderzijds heeft [Z] die aanspraak blijkens het vonnis wel. Voorts is in het geding tussen de Stichting en [Z] geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat de bodemrechter, indien geadieerd, tot het oordeel zal komen dat de rechten van [Z] uit hoofde van het vonnis zijn vervallen. Op die grond is het door [X] en [Y] gevorderde verbod niet voor toewijzing vatbaar.

3.20. Om diezelfde reden moet ook de vordering tot opheffing van het door [Z] gelegde beslag worden afgewezen. Daar komt bij dat [X] en [Y] in dat onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk zijn, nu zij ingevolge het bepaalde in artikel 705 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 438 lid 5 Rv ter zake van de opheffing van het door [Z] ten laste van de Stichting gelegde beslag zowel de Stichting als [Z] in rechte hadden dienen te betrekken.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

In de zaak onder nummer 118248:

4.1. Weigert de gevraagde voorzieningen.

4.2. Veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van [Z] tot op heden begroot op EUR 244,-- aan verschotten en EUR 816,-- aan procureurssalaris.

4.3. Verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

In de zaak onder nummer 117552:

In conventie:

4.4. Weigert de gevraagde voorzieningen.

4.5. Veroordeelt [X] en [Y] in de proceskosten, aan de zijde van de Stichting tot op heden begroot op EUR 244,-- aan verschotten en EUR 816,-- aan procureurssalaris.

4.6. Verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie:

4.7. Weigert de gevraagde voorzieningen.

4.8. Veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van [X] en [Y] begroot op nihil.

In de zaak onder nummer 117872:

4.9. Weigert de gevraagde voorzieningen.

4.10. Veroordeelt [X] en [Y] in de proceskosten, aan de zijde van [Z] tot op heden begroot op EUR 244,-- aan verschotten en EUR 816,-- aan procureurssalaris.

4.11. Verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2005.?