Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AU5460

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-09-2005
Datum publicatie
04-11-2005
Zaaknummer
05/635
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aftrek hypotheekrente. Uit eigen middelen is een betaling verricht voor een verbouwing en vervolgens is een geldlening aangegaan. De rechtbank is van oordeel dat de lening dient te worden aangemerkt als een lening die is aangegaan ter verbetering of onderhoud van de eigen woning.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Wet inkomstenbelasting 2001 3.120
Wet inkomstenbelasting 2001 3.123
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Vp-bulletin 2006, 4 met annotatie van Redactie
FutD 2005-2153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Registratienummer: AWB 05 / 0635

Uitspraakdatum: 12 september 2005

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 20 oktober 2004 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) opgelegd.

1.2. Eiseres heeft tegen de aanslag een bezwaarschrift ingediend, dat door verweerder is ontvangen op 16 november 2004. Verweerder heeft bij uitspraak van 2 februari 2005 de bezwaren van eiseres afgewezen en de aanslag gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft tegen deze uitspraak een beroepschrift ingediend, dat door de rechtbank is ontvangen op 1 maart 2005.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het beroep is ter zitting van 11 juli 2005 behandeld, gelijktijdig met het beroep van de echtgenoot van eiseres, Y (eiser in de zaak met nummer 05 / 0636). Eiseres is ter zitting vertegenwoordigd door mr. A.. Namens verweerder is verschenen mr. B.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

2.1. Eiseres is samen met haar echtgenoot, Y, eigenaar van de woning in de Q-straat, te R.

2.2. Eiseres heeft in 1998 de woning laten verbouwen. Op 1 juli 1998 is voor een deel van de kosten van verbouwing een betaling uit eigen middelen plaats ten bedrage van fl. 29.375.

2.3. In 1998 is de hypothecaire geldlening verhoogd van fl. 32.150 tot fl.132.000. Voor deze verhoging van de geldlening is in juni 1998 overleg geweest met S-Assurantiën in R. Vervolgens is op 8 juli 1998 een offerte uitgebracht door T. N.V., welke offerte op 17 juli 1998 is geaccepteerd. De hypotheekakte is op 21 september 1998 verleden.

2.4. Bij de afwikkeling van de aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 heeft verweerder vragen gesteld over de hypotheekverhoging. Vervolgens heeft verweerder eiseres medegedeeld dat een bedrag van fl. 50.000 als lening voor de eigen woning zou worden aangemerkt en het restant als consumptieve lening.

2.5. Verweerder heeft in een schrijven van 31 oktober 2003, naar aanleiding van de afwikkeling van het bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2001, het volgende aan de adviseur van eiseres medegedeeld: ‘Ik ben van mening dat afgerond fl. 110.000 aan de schuld eigen woning toegerekend kan worden. De Belastingdienst heeft zich nader op het standpunt gesteld dat betalingen uit eigen middelen, maar na de datum van de offerte zijn gedaan, aan de schuld eigen woning toegerekend kunnen worden. Voor het verschil van fl. 22.000 deel ik uw mening niet.’

2.6. Eiseres heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan naar een verzamelinkomen ten bedrage van € 31.025. Daarbij is de rente die betrekking heeft op 50% van de gehele lening ten bedrage van fl. 132.000 in haar aangifte opgenomen en de rente die betrekking heeft op de andere 50% van de lening bij haar echtgenoot.

2.7. Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting 2003 met dagtekening 15 oktober 2004 de aangifte gevolgd.

2.8. Bij brief van 5 oktober 2004 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat de afhandeling van de aangifte van de echtgenoot van eiseres aanleiding geeft om af te wijken van de aangifte en dat een navorderingsaanslag aan haar wordt opgelegd.

2.9. In de navorderingsaanslag, met dagtekening 20 oktober 2004, is geen aftrek van hypotheekrente verleend over 50% van fl.22.000 van de hypotheekschuld en werd het verzamelinkomen vastgesteld op een bedrag van € 31.289. Bij bestreden uitspraak zijn de bezwaren van eiseres afgewezen.

3. Het geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder bevoegd was om een navorderingsaanslag op te leggen. Indien het antwoord op deze vraag bevestigend is, is vervolgens in geschil of 50% van fl. 22.000 van de hypothecaire lening kan worden aangemerkt als eigenwoningschuld, zodat de door eiseres betaalde rente over de hypothecaire lening als aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning in aanmerking kan worden genomen.

4. Standpunten van partijen

4.1. Eiseres stelt dat navordering niet mogelijk is omdat geen sprake is van een nieuw feit. Verder dient op het moment van aangaan van de lening bekeken te worden of de lening in direct verband staat met de verwerving, het behoud of de verbetering van de bron. Dat de lening door eiseres is aangegaan in verband met de verbouwing van de eigen woning blijkt uit de offerte waarin staat vermeld dat de lening betrekking heeft op de verbouwing van de woning. Ten onrechte gaat verweerder er van uit dat voor het causale verband uitgegaan dient te worden van de datum van de offerte en dat betalingen aan derden, welke zijn verricht vóór de datum van de offerte, niet aan de eigen woning kunnen worden toegerekend. Eiseres stelt voorts dat door het volgen van de aangifte 1998 bij eiseres vertrouwen is gewekt dat (steeds) het gehele bedrag van fl. 132.000 als lening ten behoeve van de eigen woning zou worden geaccepteerd.

4.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat navordering mogelijk is omdat eiseres hierover is geïnformeerd voordat de aanslag is opgelegd. Verweerder stelt verder dat terecht een bedrag van fl. 22.000 niet is aangemerkt als hypothecaire lening ten behoeve van de eigen woning omdat geen rechtstreeks verband bestaat tussen de bestemming van dit bedrag en de eigen woning. De historische methode is van toepassing. De bestede gelden zijn niet direct gebruikt ten behoeve van de eigen woning. Er is verder geen sprake van gewekt vertrouwen dan wel schending hiervan.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De stelling van eiseres, dat de inspecteur niet bevoegd is om na te vorderen omdat een nieuw feit ontbreekt, kan niet worden gevolgd. Reeds voordat de aanslag werd opgelegd aan eiseres heeft verweerder medegedeeld dat de aanslag in verband met een onjuist bedrag voor hypotheekrenteaftrek zou worden gecorrigeerd. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 1990, BNB 1990/133 was de inspecteur derhalve gerechtigd om in het onderhavige geval een navorderingsaanslag op te leggen.

5.2. Ten aanzien van de vraag of eiseres recht heeft op aftrek van de rente, voor zover deze betrekking heeft op het aan haar toegerekende deel van de hypothecaire lening, overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 3.120, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2003; hierna: Wet IB 2001) in samenhang met artikel 3.123 zijn de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning het gezamenlijke bedrag van – voor zover hier van belang – renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die zijn aangegaan ter verwerving, verbetering of onderhoud van de eigen woning. De betreffende lening is aangegaan in 1998 zodat moet worden nagegaan of de lening destijds is aangegaan ter behoud of verbetering van de eigen woning.

5.3. In de arresten van 22 oktober 2004, BNB 2005/135, 136 en 137 heeft de Hoge Raad overwogen dat voor de vraag of een geldlening is aangegaan ter verwerving, verbetering of onderhoud van de woning, het oogmerkvereiste geldt. Ten aanzien van dit vereiste overwoog de Hoge Raad: ‘De enkele omstandigheid dat het geleende geld niet onmiddellijk voor dat doel wordt aangewend, hoeft op zichzelf niet te betekenen dat aan dat oogmerkvereiste niet langer wordt voldaan. Dat hoeft ook niet noodzakelijkerwijs het geval te zijn indien de betaling van kosten van verbetering of onderhoud geschiedt ten laste van een andere rekening dan die waarop de uit geldlening verkregen gelden zijn gestort, zonder dat in onmiddellijke samenhang met de betaling het tegoed op de laatstbedoelde rekening afneemt. Het oogmerk de geleende gelden te besteden aan verbetering of onderhoud kan echter niet meer aanwezig worden geacht voorzover de uit de geldlening verkregen gelden zijn aangewend voor andere doeleinden en niet een daarmee overeenkomend bedrag liquide beschikbaar is gebleven.’

5.4. De hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad zien niet op de situatie die in het onderhavige geval aan de orde is, dat wil zeggen die waarin uit eigen middelen een betaling is verricht voor een verbouwing en vervolgens een geldlening is aangegaan. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de invulling die aan het oogmerkvereiste is gegeven, ook in het onderhavige geval als uitgangspunt dient te worden genomen. Vaststaat dat de verbouwing voor eiseres de directe aanleiding was voor het aangaan van de geldlening en dat eiseres van plan was om met de geldlening de daarmee gepaard gaande kosten te financieren. Eiseres heeft in dit verband gesteld dat zij reeds in juni 1998 contact heeft gehad met een geldverstrekker en dat de aannemer zijn werkzaamheden reeds was begonnen voordat de geldlening was geregeld. Verweerder heeft deze feiten niet weersproken. Gelet op deze omstandigheden dient de lening in zijn geheel te worden aangemerkt als een lening die is aangegaan ter verbetering of onderhoud van de eigen woning.

5.5. De stelling van verweerder dat niet aan het oogmerkvereiste is voldaan omdat de kasstroom moet worden gevolgd en door de betaling op 1 juli 1998 geen rechtstreeks verband bestaat tussen de bestemming van de geldlening en de eigen woning, treft geen doel. Het enkele feit dat een betaling is gedaan van een andere rekening dan de rekening waarop de gelden zijn gestort, zonder dat in onmiddellijke samenhang met de betaling het tegoed op de laatstbedoelde rekening afneemt, is onvoldoende om te oordelen dat niet aan het oogmerkvereiste is voldaan. Ook de stelling van verweerder dat de verhoging van de geldlening is aangewend om de eigen middelen van eiseres op peil te brengen, is hiervoor onvoldoende. Immers, hierdoor kan niet worden geoordeeld dat de uit de geldlening verkregen middelen zijn aangewend voor andere doeleinden dan de verbouwing.

5.6. Verweerder heeft nog aangevoerd dat het tijdstip van de eerste betaling op 1 juli 1998 een belemmering is om hypotheekrente aftrek voor een deel van de lening, ter grootte van

fl. 22.000, toe te staan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiervoor geen steun kan vinden in wet of in de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad, nu deze arresten betrekking op betalingen die zijn gedaan nadat de geldlening reeds was verstrekt.

5.7. Het beroep van eiseres wordt gegrond verklaard.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiseres als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage stelt de rechtbank deze vast op € 644 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (2 punten à € 322 x 1 voor het gewicht van de zaak).

7. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- herroept het primaire besluit en stelt de belastingaanslag nader vast op een verzamelinkomen van € 31.025, en overigens met inachtneming van de elementen die bij het vaststellen daarvan in aanmerking zijn genomen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. A.P.M. van Rijn, lid van de enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Çiblak, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 september 2005.

De griffier is verhinderd te tekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.