Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AU3428

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-09-2005
Datum publicatie
30-09-2005
Zaaknummer
05/889
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Eiser verblijft voor groot deel van het jaar in het buitenland. Hij heeft met betrekking tot de postbezorging geen maatregelen getroffen. Geen verschoonbare termijnoverschrijding

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-2307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Registratienummer: AWB 05 / 889

Uitspraakdatum: 9 september 2005

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X te Z, eiser,

gemachtigde: A,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 6 juni 2003 heeft verweerder de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 2001 van eiser ambtshalve vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.000 (verder de aanslag). Gelijktijdig met de aanslag heeft verweerder een boete van € 567 opgelegd en € 791 aan heffingsrente berekend.

1.2. Eveneens met dagtekening 6 juni 2003 heeft verweerder de over 2001 door eiser verschuldigde premie ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (verder WAZ) vastgesteld op f 2196 (verder: aanslag Premie WAZ). Tegelijkertijd heeft verweerder een boete van € 113 opgelegd en € 102 aan heffingsrente berekend.

1.3. Op 23 december 2003 heeft eiser zijn aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 ingediend. Dit aangiftebiljet, door verweerder aangemerkt als bezwaarschrift tegen zowel de aanslag als tegen de aanslag Premie WAZ, is binnengekomen bij verweerder op 30 december 2003. Bij uitspraak van 1 februari 2005 heeft verweerder het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

1.4. Eiser heeft tegen deze uitspraak op 15 maart 2005 een beroepschrift ingediend. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingediend.

1.5. Het beroep is behandeld ter zitting van 4 juli 2005. Namens eiser is daar verschenen A en namens verweerder B.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

2.1. Eiser woont met twee anderen op het adres a-straat 1 te Z, doet aan topsport en verblijft veelvuldig in het buitenland om aldaar te kunnen deelnemen aan trainingsstages en internationale wedstrijden.

2.2. Op 3 oktober 2003 heeft de belastingdeurwaarder op het voornoemde adres een aan eiser gericht dwangbevel betekend vanwege een achterstand met betaling van de aanslag. Bij schrijven van 23 oktober 2003 kondigde de belastingdeurwaarder onder verwijzing naar voormeld dwangbevel beslaglegging aan op eisers roerende zaken. In dit schrijven werd gesteld dat eiser tevens in gebreke was met de betaling van de aanslag Premie WAZ.

2.3. Verweerder ontving het aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 van eiser op 30 december 2003. In dit aangiftebiljet, hetwelk door verweerder is aangemerkt als bezwaarschrift, verantwoordde eiser winst uit onderneming en een belastbaar inkomen uit werk en woning van f -/- 7861.

2.4. Naar aanleiding van het bezwaar heeft verweerder bij schrijven van 19 januari 2004, gericht aan eisers gemachtigde, gevraagd om balans van de door eiser gedreven onderneming per 1 januari 2001 en per 31 december 2001, en om de winst- en verliesrekening over 2001. Op 26 januari 2004 is deze informatie per fax verstrekt. De winst- en verliesrekening van eiser over 2001 vertoonde een positief resultaat van f 9456.

2.5. Bij schrijven van 2 november 2004, gericht aan eisers gemachtigde, heeft verweerder om aanvullende informatie verzocht. Omdat een reactie binnen de gestelde termijn uitbleef, heeft verweerder zijn verzoek om informatie herhaald bij schrijven van 29 november 2004. Dit schrijven was gericht aan eiser zelf. Bij schrijven van 22 december 2004 heeft verweerder eiser gewezen op de mogelijkheid om het bezwaar mondeling nader toe te lichten. Eiser noch zijn gemachtigde heeft gereageerd op de brief van 2 november 2004, op de brief van 29 november 2004 en/of op de brief van 22 december 2004.

3. Het geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of eiser tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag, tegen de in de aanslag begrepen boete en tegen de aanslag Premie WAZ.

3.2. Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan wordt verwezen naar de stukken van het geding. Ter zitting is daaraan, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd:

A:

Ik heb geen verweerschrift van de rechtbank ontvangen maar wil mij daarover niet beklagen omdat de inhoud van het verweerschrift mij op voorhand duidelijk is.

Eiser verbleef ongeveerd gedurende de helft van het jaar 2003 in het buitenland. In de maand juni 2003, de periode waarin aanslag werd vastgesteld, verbleef eiser in Calgary, Canada. Aanvankelijk had eiser geen maatregelen getroffen met betrekking tot de postbezorging gedurende zijn afwezigheid; daartoe is hij eerst in 2005 overgegaan.

De inkomsten van eiser uit hoofde van sportbeoefening (waaronder sponsorinkomsten) zijn te gering om te kunnen spreken van een bron van inkomen. Aanvankelijk richtte verweerder zijn voor eiser bestemde post aan het adres a-straat 1 te Z, waarbij het woordje ‘meester’ niet werd afgekort maar voluit werd geschreven. Mogelijk is de post om die reden niet aangekomen.

Verweerder:

Aan eiser is op 28 februari 2002 een aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 uitgereikt. Bij schrijven van 17 juli 2002 is eiser gewezen op, en bij schrijven van 23 augustus 2002 is eiser herinnerd aan de plicht tot het doen van aangifte. Al deze correspondentie en de aanslag is gezonden aan het bij de belastingdienst bekende adres, waar eiser ten tijde in geding woonde. Eiser heeft door middel van een akte van betekening op 3 oktober 2003 kennis kunnen nemen van de aanslag en gelet op die datum is het bezwaar buiten de bezwaartermijn ingediend. Niet alleen voor het onderhavige jaar, maar ook voor de jaren 1999 en 2000 heeft eiser niet de vereiste aangifte gedaan.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Bij de beantwoording van de vraag in geding neemt de rechtbank het volgende tot uitgangspunt. De vaststelling van een belastingaanslag geschiedt door het opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. Vervolgens maakt de ontvanger de belastingaanslag bekend door toezending of uitreiking van het door de inspecteur opgemaakte aanslagbiljet. De termijn voor het instellen van bezwaar bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van bekendmaking.

4.2. Voorts neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat een na afloop van de gestelde termijn gemaakt bezwaar tegen een aanslag waarin een boete is begrepen ontvankelijk moet worden verklaard indien degene aan wie de boete is opgelegd, stelt dat, en op welke grond, de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen. Slechts indien de onjuistheid van deze stelling wordt bewezen kan de niet-ontvankelijkheid worden uitgesproken (vgl. HR 22 juni 1988, nr. 24 998, BNB 1988/292). Daarentegen wordt een buiten de termijn ingediend bezwaar tegen een aanslag waarin een boete is begrepen niet-ontvankelijk verklaard wanneer het aan de belanghebbende zelf moet worden toegerekend dat het aanslagbiljet hem niet heeft bereikt (HR 21 maart 1990, nr. 26 410, BNB 1990/154).

4.3. Vast staat dat de aanslag is gedagtekend op 6 juni 2003. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat de aanslag uiterlijk op 6 juni 2003 aan eiser is toegezonden en de rechtbank heeft geen reden daaraan te twijfelen. De rechtbank is voorts van oordeel dat de aanslag aan het juiste adres is toegezonden. Immers, de enkele omstandigheid dat de ontvanger de naam van de straat waar eiser woonde tot medio 2003 omschreef met onder meer het woord ‘meester’ in plaats van de afkorting ‘mr.’ doet niet af aan de juistheid van de adressering. Deze feiten en omstandigheden leiden de rechtbank tot het oordeel dat de aanslag op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en dat de termijn voor het instellen van bezwaar in beginsel is aangevangen op 7 juni 2003 en is geëindigd op 18 juli 2003.

4.4. Vast staat dat het bezwaar tegen de aanslag en het bezwaar tegen de aanslag Premie WAZ bij verweerder is binnengekomen op 30 december 2003, mitsdien buiten de daartoe gestelde termijn. Nu eiser stelt dat de aanslag en de aanslag Premie WAZ hem niet hebben bereikt zal de rechtbank onderzoeken of er termen zijn om de bezwaartermijn eerst te laten ingaan op het moment waarop eiser (een duplicaat van) de aanslag en de aanslag Premie WAZ heeft ontvangen, of om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. In dit verband kent de rechtbank betekenis toe aan de ter zitting door de gemachtigde van eiser afgelegde verklaring dat eiser in het buitenland verbleef toen de aanslag werd opgelegd en dat eiser tot 2005 geen maatregelen had getroffen om een ongestoorde postbezorging tijdens zijn veelvuldige en langdurige afwezigheid te waarborgen. De rechtbank verbindt hieraan de gevolgtrekking dat eisers onbekendheid met de aanslag en zijn onbekendheid met de aanslag Premie WAZ te wijten is aan een omstandigheid die hem valt toe te rekenen. Alsdan is er geen reden voor verlenging van de bezwaartermijn of om de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar te achten. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

5. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht de rechtbank geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J. Snitker, in tegenwoordigheid van mr. D.N.N. Jansen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 september 2005.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie