Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AU0323

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-07-2005
Datum publicatie
01-08-2005
Zaaknummer
113110/05-1556
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Door de rechtbank is ter zitting aan de orde gesteld dat het in deze situatie voor de hand zou liggen dat moeder eenhoofdig gezag over [naam minderjarige] vraagt.

Desgevraagd heeft de Raad aangegeven deze mogelijkheid te hebben uitgesloten, omdat in het verleden is gebleken dat de moeder door manipulatie van de vader min of meer noodgedwongen heeft afgezien van het inschrijven van een echtscheidingsbeschikking waarin haar het eenhoofdig gezag was toegekend. De Raad heeft aangegeven dat de maatregel van ontheffing, gegeven het doel dat de Raad daarmee beoogt te bereiken, namelijk de kans op ontvoering verkleinen, voor de Raad geen meerwaarde heeft in vergelijking met eenhoofdig gezag.

Desgevraagd heeft de moeder aangegeven dat zij, na alles wat er gebeurd is, zich niet bestand acht tegen de druk die een procedure tegen de vader met zich mee zou brengen.

De rechtbank heeft de indruk gekregen dat de moeder thans geen draagkracht heeft een dergelijk verzoek te doen. De rechtbank is echter wel van mening dat het in het belang van [naam minderjarige] is dat er thans duidelijkheid komt over de verblijfplaats van [naam minderjarige] en dat voorkomen moet worden dat de vader haar zonder toestemming wederom naar het buitenland meeneemt. De kans dat de vader weer hiertoe zal overgaan, acht de rechtbank reëel omdat hij in november, ondanks de ondertoezichtstelling, [naam minderjarige] voor een aantal maanden heeft meegenomen naar onder meer [] en []. Hij heeft ter zitting ook verklaard niet te zullen rusten totdat [naam minderjarige] weer bij hem woont.

De rechtbank ziet op grond van het hiervoor overwogene aanleiding ambtshalve het eenhoofdig gezag toe te kennen aan de moeder, nu deze maatregel in het belang van [naam minderjarige] geacht moet worden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 251
Burgerlijk Wetboek Boek 1 266
Burgerlijk Wetboek Boek 1 268
Burgerlijk Wetboek Boek 1 269
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2005, 112
JPF 2005/117 met annotatie van JHdG
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie-en Jeugdrecht

ontheffing/ontzetting

zaak/rolnr.: 113110/05-1556

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken d.d. 26 juli 2005

in de zaak van:

de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Haarlem,

verzoekende partij,

hierna mede te noemen: de Raad,

--tegen--

[naam verwerende partij],

wonende te Haarlem,

verwerende partij,

hierna mede te noemen: de vader,

procureur mr. M.J. Meijer;

als belanghebbende is aangemerkt:

[naam moeder],

wonende te Haarlem,

hierna mede te noemen: de moeder.

1. Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- het op 17 mei 2005 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de Raad;

- het op 5 juli 2005 ontvangen aanvullend verzoekschrift van de Raad met bijlage;

- een brief van de procureur van de vader van 27 juni 2005 met bijlagen;

- een brief van de minderjarige, gedateerd 12 juli 2005;

- een brief van de Raad van 20 juli 2005;

en naar het verhandelde ter terechtzitting op 7 juli 2005, waar aanwezig waren partijen en een vertegenwoordiger van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, en de vader werd bijgestaan door zijn procureur.

2. De vaststaande feiten

In deze zaak kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1 De minderjarige [naam minderjarige] is in 1994 te [plaats] geboren uit het huwelijk van de vader en de moeder. Het huwelijk van de ouders is in 1999 ontbonden. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de minderjarige.

2.2 Bij beschikking van de kinderrechter te Haarlem van 2 april 2003 is [naam minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met benoeming van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland als gezinsvoogdij-instelling, welke ondertoezichtstelling vervolgens definitief is uitgesproken en thans nog voortduurt tot 2 april 2006.

2.3 [naam minderjarige] is op grond van een machtiging uithuisplaatsing van 2 april 2003 in het kader van een ondertoezichtstelling door de kinderrechter te Haarlem uit huis geplaatst.

Op 1 januari 2004 is zij teruggekeerd in het gezin van de moeder.

2.4 De kinderrechter heeft bij beschikking d.d. 2 maart 2005 de vader geschorst in de uitoefening van het gezag over [naam minderjarige] en de moeder alle bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van de minderjarige toegekend. Deze beslissing is bij beschikking van 15 maart 2005 door de rechtbank bekrachtigd.

2.5 De eerste paar maanden van haar leven is [naam minderjarige] verzorgd door haar beide ouders, totdat de moeder de woning verliet. De moeder is hertrouwd en uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren. Na bovengenoemde periode van uithuisplaatsing bij een pleeggezin, woont [naam minderjarige] bij de moeder. De vader heeft [naam minderjarige] geregeld meegenomen naar [land], waar zijn familie woont. Hierdoor heeft [naam minderjarige] vaak onderwijs gemist. In 2004 heeft de vader zonder toestemming van de moeder [naam minderjarige] meegenomen op reis door Europa. Op 6 januari 2005 is de vader in [land] door de politie aangehouden en is [naam minderjarige] door de kinderbescherming in een kindertehuis geplaatst. Op 25 januari 2005 heeft de moeder van een [land] rechtbank toestemming gekregen om [naam minderjarige] mee terug te nemen naar huis.

3. Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1 Het verzoek strekt primair tot ontheffing van de vader van het gezag over [naam minderjarige] op grond van artikel 1:266 BW en subsidiair tot ontzetting van de vader uit het gezag over [naam minderjarige] op grond van artikel 1:269, lid 1 BW.

3.2 Het verzoek tot ontheffing is gebaseerd op de stelling dat de vader ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] te vervullen, en dat de maatregel van ondertoezichtstelling onvoldoende is om haar voor zedelijke en lichamelijke ondergang te behoeden. Het verzoek tot ontzetting is gebaseerd op misbruik van gezag.

3.3 De Raad verwijt de vader dat hij [naam minderjarige] telkens uit de voor haar vertrouwde, veilige en stabiele verzorgings- en opvoedingssituatie haalt en haar meeneemt op reis. [naam minderjarige] heeft in die perioden geen school gevolgd, waardoor zij een leerachterstand heeft opgelopen.

De vader stelt zijn belang om omgang en contact met [naam minderjarige] te hebben, boven dat van haar en toont daarmee geen inzicht te hebben in haar belangen. Voorts acht de Raad het bijzonder kwalijk dat de vader steeds geen contact heeft gehouden met de moeder als hij met [naam minderjarige] in het buitenland was, waardoor die in angst en onzekerheid over het lot van haar dochter verkeerde. De Raad is van mening dat de dreiging van ontvoering van [naam minderjarige] door de vader wordt verminderd als deze door de verzochte maatregelen geen gezag meer over haar heeft. Voorts acht de Raad het van belang dat bij inwilliging van het verzoek, er duidelijkheid komt over de toekomst van [naam minderjarige], die volgens de Raad bij de moeder ligt, en dat duidelijk is dat de moeder verantwoordelijk is voor de verzorgings- en opvoedingssituatie van [naam minderjarige].

Het is voor haar van groot belang dat zij thans een stabiele woonplek houdt en ongestoord naar school kan gaan. Van daaruit kan de noodzakelijke hulp aan haar worden geboden.

4. De standpunten van de vader, de moeder en Jeugdzorg

4.1 De vader stelt dat hij min of meer vanaf de geboorte het grootste gedeelte van het leven van [naam minderjarige] alleen en goed voor haar heeft gezorgd, dat de moeder dit ook altijd heeft toegelaten en dat hij niet ongeschikt is als ouder. Hij betwist dat de moeder niet op de hoogte was van zijn reizen met [naam minderjarige] en betoogt dat hij daarvoor toestemming had van de moeder. Hij wijst daarbij op de toestemming die de moeder gaf voor de aanvraag van een paspoort voor [naam minderjarige] en op een affidavit dat de moeder op 16 oktober 1996 heeft afgelegd tegenover [] en waarin zij hem (de vader) toestemming geeft om [naam minderjarige] mee te nemen naar [land].

Tegen zijn wil is door toedoen van Jeugdzorg de verblijfplaats van [naam minderjarige] bij de moeder bepaald. Hij betoogt dat Jeugdzorg een slecht beeld van hem schetst bij [naam minderjarige]. Hij probeert een goede vader voor haar te zijn, maar hij wordt al jaren door Jeugdzorg dermate beperkt in de contacten met zijn dochter, dat hij geen andere mogelijkheden zag dan haar in 2004 mee te nemen op reis. Hij wil niets anders dan haar opnemen in zijn nieuwe gezin, zodat zij een goede jeugd heeft. Hij vindt de verzochte maatregelen te verstrekkend en buitenproportioneel. Volgens de vader wil [naam minderjarige] graag contact met hem, maar wordt het hen door de eerdergenoemde instanties onmogelijk gemaakt om elkaar te zien en/of te spreken. Indien hij normaal omgang met [naam minderjarige] zou hebben, zou hij niet meer zijn toevlucht hoeven te nemen tot reizen e.d. om zijn dochter te zien.

4.2 De moeder heeft aangegeven dat zij wil dat het gezag bij vader wordt weggehaald, omdat zij niet met hem kan overleggen. Zij wil dat de dreiging met ontvoering stopt. Zij vindt de vader manipulatief tegenover haar en [naam minderjarige]. Zij vindt dat hij [naam minderjarige] bespeelt en slechte dingen over haar zegt en zijn eigen gedrag goedpraat. Met de ontvoeringen rukt de vader [naam minderjarige] steeds weg uit haar dagelijkse leven.

Uit angst voor de vader heeft zij niet om het eenhoofdig gezag over [naam minderjarige] durven verzoeken.

4.3 Jeugdzorg heeft de begeleide omgang van [naam minderjarige] met de vader stopgezet, omdat die bezoeken bij haar teveel spanning veroorzaakten. De vader hield zich niet aan de afspraken en [naam minderjarige] werd uitgehoord.

De gezinsvoogd is van mening dat het niet mogelijk is om de vader ervan te overtuigen dat zijn gedrag schadelijk is voor [naam minderjarige].

5. Beoordeling

5.1 Naar het oordeel van de rechtbank is niet voldaan aan het wettelijk criterium voor ontheffing, omdat de vader niet ongeschikt of onmachtig is in de zin waarin de wetgever dit bedoeld heeft.

In het rapport van de Raad van 2005 wordt (onder ”conclusie”) gesteld dat uit eerder onderzoek is gebleken dat de vader de belangen van [naam minderjarige] op een goede manier behartigt. Door de vertegenwoordiger van de Raad is dit ter zitting op 7 juli 2005 ook bevestigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is het meenemen van een kind als gezaghebbende ouder, zonder overleg met de andere gezaghebbende ouder, hoe schadelijk ook, op zichzelf onvoldoende om de gevraagde beslissing te rechtvaardigen.

Waar niet voldaan wordt aan het criterium voor ontheffing, wordt zeker niet voldaan aan het zwaardere criterium van ontzetting, zodat dit subsidiaire verzoek ook zal worden afgewezen.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van ontheffing niet past op de onderhavige situatie. Uit de memorie van toelichting blijkt dat zowel de maatregel van ontheffing als de maatregel van ontzetting, niet zijn bedoeld om te voorkómen dat het kind door de niet-verzorgende ouder zonder overleg met de verzorgende ouder wordt meegenomen - afgezien van de vraag of het middel daartoe geëigend is.

5.2 Door de rechtbank is ter zitting aan de orde gesteld dat het in deze situatie voor de hand zou liggen dat moeder eenhoofdig gezag over [naam minderjarige] vraagt.

Desgevraagd heeft de Raad aangegeven deze mogelijkheid te hebben uitgesloten, omdat in het verleden is gebleken dat de moeder door manipulatie van de vader min of meer noodgedwongen heeft afgezien van het inschrijven van een echtscheidingsbeschikking waarin haar het eenhoofdig gezag was toegekend. De Raad heeft aangegeven dat de maatregel van ontheffing, gegeven het doel dat de Raad daarmee beoogt te bereiken, namelijk de kans op ontvoering verkleinen, voor de Raad geen meerwaarde heeft in vergelijking met eenhoofdig gezag.

Desgevraagd heeft de moeder aangegeven dat zij, na alles wat er gebeurd is, zich niet bestand acht tegen de druk die een procedure tegen de vader met zich mee zou brengen.

De rechtbank heeft de indruk gekregen dat de moeder thans geen draagkracht heeft een dergelijk verzoek te doen. De rechtbank is echter wel van mening dat het in het belang van [naam minderjarige] is dat er thans duidelijkheid komt over de verblijfplaats van [naam minderjarige] en dat voorkomen moet worden dat de vader haar zonder toestemming wederom naar het buitenland meeneemt. De kans dat de vader weer hiertoe zal overgaan, acht de rechtbank reëel omdat hij in november, ondanks de ondertoezichtstelling, [naam minderjarige] voor een aantal maanden heeft meegenomen naar onder meer [] en []. Hij heeft ter zitting ook verklaard niet te zullen rusten totdat [naam minderjarige] weer bij hem woont.

5.3 De rechtbank ziet op grond van het hiervoor overwogene aanleiding ambtshalve het eenhoofdig gezag toe te kennen aan de moeder, nu deze maatregel in het belang van [naam minderjarige] geacht moet worden.

Aan de criteria voor de toekenning van eenhoofdig gezag, te weten dat de problemen tussen de ouders zodanig ernstig zijn dat er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders indien zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, is blijkens het verleden, waarin [naam minderjarige] voor langere tijd met de vader op reis was zonder dat moeder wist waar ze was, voldaan. Duidelijk is dat [naam minderjarige] in de heftige strijd tussen de ouders klem zit. De continuïteit van haar opvoeding bij moeder moet gewaarborgd worden. Het moet duidelijk zijn waar haar vaste plaats is, waar zij naar school gaat en vriendjes heeft.

5.4 Uit de stukken en uit het verhoor van [naam minderjarige], blijkt dat zij het contact met haar vader erg mist.

De rechtbank geeft de gezinsvoogd hierom in overweging zich te beraden over de vraag op welke manier de thans vigerende omgangsregeling tussen de vader en [naam minderjarige] vorm dient te krijgen, zodanig dat een loyaliteitsconflict zoveel mogelijk wordt vermeden en de vader

weer een rol krijgt in het leven van [naam minderjarige].

5.5 De vader heeft verzocht de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat dat tot te vermijden problemen zou kunnen leiden indien deze beschikking in hoger beroep vernietigd zou worden.

De rechtbank neemt aan dat dit verzoek ook geldt ten aanzien van de hieronder te bepalen wijziging van het gezag over [naam minderjarige].

Nu de uitkomst van de onderhavige procedure is dat de vader niet langer het gezag heeft over [naam minderjarige] en hij reeds geschorst was in de uitoefening van dat gezag, ziet de rechtbank geen grond om het verzoek van de vader toe te wijzen.

6. Beslissing

De rechtbank:

6.1 Wijst de verzoeken van de Raad voor de Kinderbescherming tot ontheffing en ontzetting af.

6.2 Bepaalt dat het gezag over de minderjarige [naam minderjarige], toekomt aan de moeder, wonende te [] aan het adres [].

6.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven door mr. F.G. Hijink, voorzitter, en mrs. E. de Rooij en A.L. Diender, leden van deze kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juli 2005 in tegenwoordigheid van mr. P. Dorhout als griffier.

Bij ontstentenis van de voorzitter is de beschikking ondertekend door mr. Diender.