Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AU0184

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-07-2005
Datum publicatie
28-07-2005
Zaaknummer
114245 - KG ZA 05-327
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De drieling vordert de terbeschikkingstelling van leermiddelen voor bijlessen, plaatsing op een andere school, onthouding van advies door de school om de drieling niet gezamenlijk op één school aan te nemen en schadevergoeding. De vorderingen worden afgewezen. De school heeft voldoende maatregelen genomen in verband met de problemen rond de drieling. De school heeft de drieling de toegang niet ontzegd. De school kan niet eenzijdig bewerkstelligen dat een andere school de drieling gezamenlijk aanneemt. Het advies van de school aan andere scholen om de drieling niet gezamenlijk aan te nemen is niet onrechtmatig. Schade van de drieling valt niet aan de school toe te rekenen. Overweging ten overvloede.

Wetsverwijzingen
Wet op het voortgezet onderwijs
Wet op het voortgezet onderwijs 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 299
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 114245 / KG ZA 05-327

Vonnis in kort geding van 28 juli 2005

in de zaak van

B. C. H.,

in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen

1. B. W.,

2. C. W.,

3. F. W.,

wonende te H., gemeente H.,

eiseres,

procureur mr. C.F.M. Raaijmakers,

advocaat mr. H.F.M. Struycken te Amsterdam,

tegen

de stichting

STICHTING IRIS (HERBERT VISSERS COLLEGE),

gevestigd te Heemstede, gemeente Haarlemmermeer,

gedaagde,

advocaat mr. D.M. Gouweloos te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de drieling (onderscheidenlijk ook [B.], [C.] en [F.]), en het HVC genoemd worden.

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de mondelinge behandeling;

- de pleitnota van de drieling;

- de pleitnota van HVC.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 De drieling, geboren op 15 mei 1989, staan als scholieren ingeschreven op het HVC.

2.2 Door medeleerlingen op het HVC wordt de drieling regelmatig bedreigd/gepest.

2.3 Bij brief d.d. 11 september 2003 heeft E.F. [W.], vader van de drieling (hierna ook: de vader), - zeer kort samengevat - aan het HVC aandacht gevraagd voor de situatie van de drieling in verband met de bedreigingen/pesterijen.

2.4 Nadat tussen de vader en het HVC, vertegenwoordigd door de afdelingleiders N. [H.] en J. [ter P.] (hierna ook: de afleidingleidster), een gesprek heeft plaatsgevonden heeft het HVC bij brief d.d. 23 oktober 2003 het volgende aan de vader bericht:

“Hierbij willen we onze afspraken met u bevestigen zoals wij die in onze twee afspraken gemaakt hebben.

Uw dochters hebben regelmatig last van andere leerlingen die hen intimideren en soms lichamelijk geweld gebruiken. Dit vindt binnen en buiten de school plaats.

Deze conflicten escaleren omdat uw dochters zichzelf verdedigen.

Deze conflicten hebben uw dochters niet met enkele leerlingen maar met circa veertig leerlingen

Om te komen tot een oplossing van dit probleem zijn wij gekomen tot de volgende afspraken:

1. Uw dochters gaan geen conflicten aan en melden ons of hun mentoren direct wat er is voorgevallen. Wij ondernemen dan actie naar de desbetreffende leerling(en).

2. De mentoren zorgen voor een goede sfeer in de klas waarbij zij er zorg voor dragen dat uw dochters zich in hun klas veilig kunnen voelen.

3. Uw dochters krijgen een aantal gesprekken met Jeugdzorg om te komen tot een goede probleemanalyse en aanpak om problemen zoals deze nu zijn ontstaan te voorkomen.

4. Wanneer u signalen van uw dochters krijgt dat het niet goed gaat neemt u met één van ons contact op.

Deze brief zal worden opgenomen in het dossier van uw dochters.

Wij hebben ons laatste gesprek me u als zeer constructief ervaren.”

2.5 Het HVC heeft vervolgens zijn leraren van de problemen van de drieling op de hoogte gesteld. Een (ongedateerde) interne instructie aan de docenten die lesgeven aan de klassen waarin telkens één van de drieling zit luidt, voorzover van belang, als volgt:

“Aanpak:

1. Vader brengt en haalt de meisjes zoveel mogelijk omdat de bedreigingen vooral buiten school plaats vinden. Op school voelen ze zich redelijk veilig.

2. De meisjes moeten zich veilig voelen onder hun klasgenoten en moeten het idee hebben dat ze niet alleen staan zodat ze hun zusjes nodig hebben. Taak voor (...), (...) en (...) om dit bespreekbaar te houden met de klas. Elke week gaat dit geëvalueerd worden.

3. Wanneer ze bedreigd worden melden ze zich bij (...) of (...). Degene die bedreigt/pest wordt aangepakt (mee gesproken) op een dusdanige wijze dat de bedreigingen gaan ophouden.

4. De drie meisjes worden aangemeld bij Jeugdzorg. Vader heeft hiervoor toestemming gegeven. Gedacht wordt aan een sociale vaardigheidstraining maar hun gedrag komt ook voort uit de gedachte: “met mij is niets aan de hand, ik heb alles verwerkt, ik ben niet zielig. Dit om vooral de pijn niet te voelen”.

5. Van u wordt gevraagd. Wanneer u iets ziet of hoort in de klas dat er uitziet als een conflict waarbij één van de drie betrokken is grijp dan zelf in of meld het ons.”

2.6 Op basis van door de drieling doorgegeven namen heeft het HVC met 42 leerlingen gesprekken gevoerd over hun gedrag tegenover de drieling.

2.7 De drieling heeft gedurende ongeveer een half jaar regelmatig het Bureau Jeugdzorg bezocht.

2.8 Op donderdag 25 maart 2004 heeft te Nieuw Vennep een incident plaatsgevonden, waarbij enerzijds een aantal medeleerlingen en anderzijds de drieling betrokken was.

2.9 Terzake voormeld incident is op 25 maart 2004 door een van de medeleerlingen aangifte gedaan van mishandeling door [F.].

2.10 Op 30 maart 2004 is in “het Witte Weekblad” een bericht geplaatst. De kop en aanhef van het artikel luiden als volgt:

“DRIELING MISHANDELT JONGEN

Nieuw-Vennep – Een drieling, drie zussen van veertien jaar, hebben op verzoek van hun vader een jongen van dezelfde leeftijd in elkaar geslagen. Het voorval speelde zich af op de Hoofdweg.”

2.11 Sinds 1 april 2004 heeft de drieling geen onderwijs meer op het HVC gevolgd.

2.12 Eind april 2004 is de problematiek rond de drieling besproken tijdens de rapportenvergaderingen van het HVC.

2.13 Een e-mail d.d. 28 april 2004 van T. [H.] (-[B.]), leerplichtambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer (hierna ook: de leerplichtambtenaar), gericht aan J. [ter P.] van het HVC, luidt voorzover van belang als volgt:

“Ik heb inmiddels contact met vader [W.] gehad. Ik heb hem naar de stand van zaken gevraagd en hij deelde mij mee dat er maar een van de drieling op de KSH [Katholieke Scholengemeenschap Hoofddorp, vzr] kan worden geplaatst.

Vervolgens had hij geen initiatieven genomen. Ik heb hem nogmaals gewezen op de inschrijving op 3 verschillende scholen en gezegd dat er waarschijnlijk geen school is die alle drie voor het nieuwe schooljaar wil aannemen. Ik heb hem er op gewezen dat hij zijn dochters voor het nieuwe schooljaar al moet laten inschrijven en dat hij tevens met mevrouw [Ter P.] contact moet opnemen.

De heer [W.] zegt niets meer met het HVC – met mevrouw [Ter P.] – te maken te willen hebben. Ik heb hem meegedeeld dat hij toch met spoed contact moet opnemen, omdat zijn kinderen onderwijs moeten volgen.

Vader wil hulp/begeleiding voor de drieling. Ik heb hem het telefoonnummer van het JCT gegeven.

Ik heb met hem afgesproken dat hij mij maandag belt over de stand van zaken.”

2.14 Een brief d.d. 10 mei 2004 van de vader aan W.F. [de V.], rector van het HVC (hierna ook: de rector), luidt, voorzover van belang, als volgt:

“Mijn dochters [F.] 2h1 [B.] 2h3 en [C.] [W.] 2v1 zijn inmiddels een maand lang thuis.

Dit naar aanleiding van een bericht in de krant dat zij een jongen op de hoofdweg mishandelt zouden hebben.

(...)

Dit is inmiddels de tweede maal dat ik mijn dochters uit angst voor hun veiligheid thuis houd, na het incident aan het begin van het schooljaar waarover ik u informeerde zijn mijn dochters op dringend verzoek van mevr [ter P.] en de heer [H.] naar jeugdzorg geweest in eerste instantie weigerde mijn dochters dit onderzoek maar op aanraden van mij werkte mijn dochters hieraan mee, (...)

(...)

Dit jaar is voor mijn dochters op uw school verpest dat neem ik alle betrokkenen heel erg kwalijk ik wil geen enkel contact meer met deze school, en ook het advies van mevr [Ter P.] om mijn dochters alleen op andere scholen te plaatsen zal ik niet op volgen verder wil ik ook van haar kant geen enkele inmenging meer, de schade zal ik dan ook op desbetreffende verhalen kunnen mijn dochters niet op een school dan zal er een andere vorm van onderwijs moeten worden gevonden ook voor deze kosten stel ik u en de ouders van de jongen aansprakelijk.

Een kopie van deze brief zend ik naar de schoolinspectie, naar jeugdzorg, mijn advocaat, en het ministerie van onderwijs”

2.15 Naar aanleiding van bovenvermelde brief heeft de afdelingleidster op 13 mei 2004 aan de leerplichtambtenaar een e-mail verzonden met onder meer de volgende inhoud:

“Ter verduidelijking:

1. Wij hebben zijn dochters nooit de les geweigerd. Vader heeft ze zelf zonder ons daarvan te berichten thuis gehouden.

2. Wij hebben een dringend advies gegeven om de drieling op te splitsen, deze problemen gaan ook op een andere school ontstaan.

3. Ik heb contact met vader proberen op te nemen maar hij neemt niet op of is niet thuis.

4. Wij hebben er alles aangedaan om hen te beschermen maar zolang zij het probleem bij anderen leggen komt er geen oplossing.

5. Van de rapportvergadering heb ik toestemming gekregen om de drieling een overgangsbewijs te geven zodat ze op een andere school in de derde klas kunnen starten. De rapportvergadering wil dit alleen doen wanneer de drieling opgesplitst wordt. Overigens zou 1 dochter hier gewoon kunnen blijven.

6. Wij hebben niet actief kunnen bemiddelen met een andere school omdat vader dit niet wil.”

2.16 Een (aangetekend verzonden) brief d.d. 17 mei 2004 van de leerplichtambtenaar aan [W.] luidt, voorzover van belang, als volgt.

“Naar aanleiding van uw schrijven, gericht aan de rector van het Herbert Vissers College d.d. 10 mei 2004, waarvan ik een kopie op 11 mei jongstleden heb ontvangen, deel ik u het volgende mee.

Op 21 april jongstleden heb ik via een e-mail aan u er op aangedrongen contact op te nemen met mevrouw [Ter P.] van het Herbert Vissers College betreffende huiswerkuitwisseling, c.q. het hervatten van de onderwijslessen van uw kinderen.

Op 28 april jongstleden heb ik telefonisch contact met u opgenomen om te informeren naar de ontwikkelingen betreffende het volgen van onderwijs van [B.], [C.] en [F.].

U deelde mee dat u door de Katholieke Scholengemeenschap Hoofddorp (KSH) bent geïnformeerd dat één van de drieling door de school kan worden ingeschreven met ingang van het nieuwe schooljaar, maar dat u het hiermee niet eens bent omdat u de drieling op één school wil laten inschrijven. Mijn verzoek om met mevrouw [Ter P.] een gesprek aan te gaan werd door u geweigerd. Ik heb u alsnog verzocht contact met het Herbert Vissers College op te nemen, eventueel met de zorgcoördinator de heer P. Snaters. Tevens gaf u aan dat u voor uw kinderen hulp/begeleiding wilde hebben. Ik heb u het telefoonnummer van het Jongeren Crisis Team doorgegeven en ik het Jongeren Crisis Team geïnformeerd dat u contact zou opnemen.

Vervolgens zou u zo spoedig mogelijk telefonisch contact met mij opnemen om het een en ander terug te koppelen.

Inmiddels heb ik van het Jongeren Crisis Team vernomen dat u tot op heden geen contact hebt opgenomen. Uit uw bovengenoemde brief aan de rector van het Herbert Vissers College trek ik de conclusie dat er nochtans geen gesprek met mevrouw [Ter P.] en/of de heer [S.] heeft plaatsgevonden en dat uw kinderen nog geen onderwijs volgen, c.q. voor het volgend schooljaar op een andere school staan ingeschreven.

Uit vorenstaande concludeer ik dat uw kinderen ongeoorloofd afwezig zijn en u hiermee de Leerplichtwet hebt overtreden.

Ik ga er vooralsnog van uit dat uw kinderen de lessen weer zullen hervatten, mocht echter blijken dat uw kinderen niet voor 1 juni 2004 de onderwijslessen hebben hervat, dan ben ik helaas genoodzaakt proces-verbaal tegen u op te maken.”

2.17 Op 24 juni 2004 heeft op het HVC een gesprek plaatsgehad van de vader en B.C. H., voornoemd, (verder ook: de moeder) met de rector en afdelingsleiders van het HVC.

2.18 Bij brief d.d. 24 juni 2004 hebben de vader en de moeder onder meer het volgende aan het HVC bericht:

“Naar aanleiding van het gesprek van hedenmorgen inzake onze dochters (...) deze brief.

Hierbij eis ik dat het advies dat luid dat onze drieling op apparte scholen verder moeten gaan wordt ingetrokken.

(...)

De school acht ik aansprakelijk voor het verzuim van mijn kinderen omdat hun veiligheid daar niet meer gegarandeerd wordt, (...)”

2.19 Bij brief d.d. 25 juni 2004 heeft de moeder onder meer het volgende aan het HVC bericht:

“Ik verzoek u mij een afschrift van het advies met betrekking tot mijn kinderen (...) waarin geadviseerd wordt dat mijn kinderen naar aparte scholen moeten en volgens u door jeugdzorg is gegeven, mij te doen toe komen.

Mocht dit advies inhouden dat mijn kinderen naar aparte scholen moeten dan zal ik rechtsmaatregelen moeten nemen tegen uw school en tegen uw leerkrachten.

Het belemmert mijn kinderen in het plaatsen op een nieuwe school en tevens in de voortgang van hun onderwijs.

Er zijn geen geldige redenen om te stellen dat mijn kinderen uit elkaar moeten en ik zal die indien rechtsmaatregelen nodig zijn, goed kunnen onderbouwen.

Ik maan u uw advies tot plaatsing van de kinderen op verschillende scholen in te trekken.

(...)

Hierbij stel ik de school aansprakelijk voor de schade voortvloeiend uit het feit dat ze al drie maanden thuis zitten en tevens voor de schade die voortvloeit uit het feit dat de kinderen niet op een andere school geplaatst kunnen worden als gevolg van negatieve adviezen uwerzijds.

(...)”

2.20 Een brief d.d. 29 juni 2004 van de rector aan de vader, betrekking hebbend op het gesprek d.d. 24 juni 2004 luidt voorzover van belang als volgt:

“Vanuit de school is toegelicht dat uw drie dochters elkaar in ongewenst gedrag versterken en dat zij tevens van andere leerlingen ongewenst gedrag oproepen. U was het niet eens met onze visie en zou graag zien dat wij hierop terug zouden komen.

Het spijt ons te moeten constateren dat u tijdens het gesprek niet de noodzakelijke discipline kon opbrengen om een goed gesprek te kunnen hebben. Bij herhaling moest u er op gewezen worden niet door elkaar heen te praten. Zelfs wie de leiding van het gesprek had wilde u betwisten.

Vanwege uw houding konden wij niet anders dan het gesprek voortijdig beëindigen.

(...)

Voor de goede orde delen wij u mede ons advies onverkort te handhaven. Dit advies is conform de mening van Bureau Jeugdzorg. De brief van mevrouw Hofstede van 25 juni jl. verandert hier niets aan.

Mede naar aanleiding van de gang van zaken tijdens het gesprek moeten wij concluderen dat de noodzakelijke basis van vertrouwen tussen ouders en school niet aanwezig is. Wij adviseren u dan ook voor uw drie dochters andere scholen te zoeken.

(...)”

2.21 Na daartoe te zijn uitgenodigd door de leerplichtambtenaar is de moeder niet verschenen voor een verhoor op 9 september 2004 terzake het overtreden van de Leerplichtwet.

2.22 In een voorlichtingsrapport d.d. 27 mei 2005 van de Raad voor de Kinderbescherming, opgesteld ten behoeve van de strafzaak in verband met het incident op 25 maart 2004, is onder de kop “Conclusie” onder meer het volgende opgenomen:

“[F.], [B.] en [C.] ervaren veel problemen in het contact met leeftijdgenoten. Ze zijn geregeld betrokken bij vechtpartijen.

Tijdens het onderzoek valt op dat zowel ouders als de kinderen sterk externaliseren. De oorzaak van de problematiek wordt buiten zichzelf gezocht. Zo ook ten aanzien van het huidige delict.

Het is onduidelijk hoe het komt dat de drieling steeds opnieuw in de problemen komt.

De zusjes lijken elkaar in hun gedrag te bekrachtigen en te versterken.”

2.23 Met betrekking tot het incident op 25 maart 2004 is [F.], bij vonnis d.d. 1 juni 2005 van de kinderrechter van de rechtbank Haarlem terzake het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen schuldig verklaard zonder oplegging van straf en terzake overtreding van artikel 2 lid 3 van de Leerplichtwet 1969, strafbaar gesteld bij artikel 26 lid 2 van de Leerplichtwet 1969, ontslagen van alle rechtsvervolging.

3. Het geschil

3.1 De drieling vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. het HVC te veroordelen binnen 14 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis er voor zorg te dragen, dat aan de drieling leermiddelen worden verstrekt en een begin wordt gemaakt met bijlessen, die worden voortgezet zolang dat nodig is om de drieling op het niveau te krijgen en te handhaven, dat zij zouden hebben gehad als het geven van onderwijs door het HVC niet was gestaakt;

II. het HVC te veroordelen ervoor zorg te dragen dat de drieling gedrieën wordt geplaatst voor het nieuwe schooljaar op de Katholieke Scholen-gemeenschap Hoofddorp te Hoofddorp;

III. het HVC te veroordelen zich te onthouden van zodanige adviezen en/of verklaringen, die er toe hebben geleid en er toe leiden dat de drieling op geen enkele school zijn en worden aangenomen;

één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag en voor iedere overtreding van een in het vonnis opgenomen gebod en/of verbod na betekening van het ten deze te wijzen vonnis;

IV. het HVC te veroordelen tot betaling aan de drieling van een voorschot van € 50.000,- op een definitief in de bodemprocedure vast te stellen schadeloosstelling;

V. het HVC te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2 Het HVC heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Aan haar vorderingen legt de drieling - samengevat - het volgende ten grondslag. Het HVC heeft de drieling geen gelegenheid gegeven onderwijs te volgen en hen geen leermiddelen verstrekt. Daarnaast heeft het HVC volgens de drieling ongemotiveerd een blokkade opgeworpen zodat de drieling niet gedrieën op een andere school onderwijs kan volgen. Aldus heeft het HVC het door het EEG-Verdrag gegarandeerde recht op onderwijs van de drieling gefrustreerd en heeft het HVC onrechtmatig gehandeld, op grond waarvan het HVC schadeplichtig is, aldus de drieling.

4.2 Het HVC heeft gesteld en door de drieling is niet betwist, dat de drieling nog steeds staat ingeschreven bij het HVC, dat door het HVC geen besluit tot schorsing of verwijdering van de drieling is genomen en dat de drieling derhalve het recht heeft om op het HWC onderwijs te volgen. Aldus moet het ervoor worden gehouden dat de drieling nog altijd onderwijs kan volgen aan het HVC. Dat de rector heeft meegedeeld dat de drieling vanaf 1 april 2004 niet meer op school werd toegelaten is door de drieling wel gesteld, maar tegenover de betwisting daarvan door het HVC niet aannemelijk gemaakt. Daarenboven blijkt uit de door de vader op 10 mei 2004 aan het HVC verzonden brief (zie onder 2.14) dat de drieling op initiatief van de vader niet meer naar school is gegaan, waartegen de moeder zich kennelijk niet heeft verzet. Hierbij is van belang dat de moeder met het ouderlijk gezag over de drieling is belast en uit dien hoofde, naast de drieling zelf, medeverantwoordelijk is voor het naar school gaan van de drieling.

4.3 Voorts kan niet worden gezegd dat het HVC niets heeft ondernomen om de pesterijen en agressie van andere leerlingen jegens de drieling weg te nemen. Uit de onder 2.3 tot en met 2.6 beschreven gang van zaken volgt veeleer dat nadat het probleem van de drieling door de vader was aangekaart, het HVC in verband daarmee maatregelen heeft genomen om te trachten het probleem op te lossen, althans te beheersen. Dat die maatregelen kennelijk niet tot het gewenste resultaat hebben geleid kan niet aan het HVC worden tegengeworpen, nu niet valt in te zien en overigens door de drieling ook niet is gesteld, welke andere dan de reeds genomen maatregelen van HVC hadden kunnen worden verwacht.

4.4 Dat het HVC heeft toegestaan dat het onder 2.10 genoemde krantenbericht door medeleerlingen op school is verspreid, heeft het HVC betwist, stellende dat indien dit zou zijn bemerkt, zou zijn ingegrepen. Mede gelet op de reeds genomen maatregelen acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat dit laatste niet het geval zou zijn. Hierbij wordt overwogen dat terzake van het HVC weliswaar een zeker mate van inspanning kan worden verwacht, maar dat niet van het HVC verwacht kan en behoeft te worden dat hij minutieus en alomvattend toezicht houdt ter voorkoming of waarneming van onbetamelijk handelen van leerlingen van de school. Tegen deze achtergrond is niet onbegrijpelijk het HVC bij monde van de rector heeft gemeld niet te willen instaan voor de veiligheid van de drieling. Hierbij overweegt de voorzieningenrechter nog dat het incident van 25 maart 2004 buiten school heeft plaatsgevonden en dat niet is gesteld of gebleken en ook overigens volstrekt onaannemelijk is dat het HVC daarvoor op enigerlei wijze verantwoordelijkheid draagt. Dit laatste geldt eveneens voor volgens de drieling onjuiste uitlatingen van de officier van justitie in het sub 2.10 bedoelde krantenbericht.

4.5 Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan het HVC worden toegerekend dat de drieling al ruim een jaar geen onderwijs meer volgt.

4.6 Tegen de achtergrond van het voorgaande valt niet in te zien dat het HVC er zorg voor dient te dragen dat aan de drieling leermiddelen worden verstrekt en bijles wordt gegeven om hen op het niveau te krijgen dat zij zouden hebben gehad indien zij wel onderwijs hadden genoten. Daarenboven staat vast dat de moeder, althans de vader, het HVC nooit direct heeft verzocht om de drieling leermiddelen te verstrekken om buiten de reguliere schooltijden om toch onderwijs te kunnen genieten. De geëigende weg is in ieder geval niet een vraag aan de Raad voor de Kinderbescherming, zoals de moeder zou hebben gedaan, of een telefonisch verzoek aan de conciërge van het HVC, zoals de vader zou hebben gedaan. Dat de leerplichtambtenaar ter zitting van de kinderrechter zou hebben verklaard dat het HVC heeft toegezegd om aan de drieling leermiddelen te verstrekken zolang de drieling op geen andere onderwijsinstelling terecht kan, doet aan het voorgaande niet af, nu niet gebleken is dat de drieling niet bij een andere school terecht kan. Weliswaar zal de drieling waarschijnlijk niet gedrieën op een andere school worden aangenomen maar dit is - mede gelet op het navolgende - niet een omstandigheid die voor rekening van het HVC dient te komen.

4.7 Het HVC kan niet worden verplicht om zich te onthouden van adviezen aan andere scholen als bedoeld in de onder 2.15 geciteerde e-mail, tenzij een dergelijk advies evident onrechtmatig jegens de drieling is, bijvoorbeeld omdat het advies niet op feiten is gestoeld, het HVC het voornemen heeft de drieling te benadelen of omdat het HVC anderszins, gelet op de belangen van de drieling, in redelijkheid niet tot het advies kan komen.

4.8 De voorzieningenrechter stelt vast dat het bedoelde advies is gebaseerd op het professionele oordeel van het HVC, dat gesteld heeft dat het advies tot stand is gekomen op basis van een rapportvergadering waarbij alle docenten die aan de drieling lesgeven aanwezig waren en dat uit gesprekken met “de hulpverlening” en betrokken docenten is gebleken dat de problemen zich vooral voordoen wanneer de drieling samen is. Daarnaast lijkt de drieling elkaar volgens het HVC in haar gedrag te versterken, hetgeen wordt bevestigd in een rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming ten behoeve van de terechtzitting van de kinderrechter. Dit gedrag, zo begrijpt de voorzieningenrechter de stellingen van HVC, draagt niet bij aan oplossing van de problemen rond de drieling. Op grond van het voorgaande is het HVC is van mening dat een situatie zoals die op het HVC met betrekking tot de drieling is ontstaan, zich ook op andere scholen zal voordoen wanneer de drieling gezamenlijk dezelfde school bezoekt.

4.9 De ongemotiveerde betwisting door de drieling van de gronden waarop het HVC naar hij stelt het advies baseert, is onvoldoende om tot het oordeel te kunnen leiden dat het advies niet op de door het HVC gestelde wijze tot stand is gekomen en op de HVC gestelde gronden is gebaseerd. Dat de leerplichtambtenaar ter zitting van de politierechter zou hebben verklaard dat er geen grond is om de drieling niet op één school onderwijs te laten volgen, betekent niet dat het HVC meergenoemd advies niet zou mogen geven. De drieling heeft voorts gesteld dat het advies van het HVC, anders dan de rector in zijn brief van 29 juni 2004 heeft gesteld, niet (mede) is gebaseerd op de mening van het Bureau Jeugdzorg. Hiertoe heeft de drieling doen betogen dat dit door het Bureau Jeugdzorg desgevraagd telefonisch ontkend is. Daartegenover heeft het HVC gesteld dat bedoelde mening telefonisch door het Bureau Jeugdzorg aan hem is meegedeeld. Nu partijen elkaar op dit punt tegenspreken kan niet worden geoordeeld dat de drieling op dit punt het gelijk aan haar zijde heeft, daargelaten wat daarvan het gevolg zou moeten zijn. Voor bewijslevering is in kort geding geen plaats.

4.10 Het HVC heeft zich in dit verband voorts beroepen op het recht van vrije meningsuiting en heeft daarnaast gesteld dat op hem de morele plicht rust om andere scholen deugdelijk te informeren over de leerlingen die de school wensen te verlaten voor een andere school. Hiertegenover zijn door de drieling geen feiten en/of omstandigheden gesteld die kunnen afdoen aan deze stellingen van het HVC, te minder nu evenmin gesteld of gebleken is en ook overigens volstrekt niet aannemelijk is dat het HVC met zijn advies het voornemen heeft de drieling te benadelen. Daarenboven is op grond van al het voorgaande aannemelijk dat het HVC zijn advies mede het belang van de drieling heeft meegewogen. Hierbij wordt - tot slot - nog overwogen dat, hoezeer ook begrijpelijk is dat de drieling gezamenlijk dezelfde school wenst te bezoeken, daartoe geen onvoorwaardelijk recht voor de drieling bestaat, evenmin als op een school de plicht rust de drieling gezamenlijk aan te nemen.

4.11 Op grond van al het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat het HVC aan de drieling het recht op onderwijs ontzegt of anderszins onrechtmatig handelt jegens de drieling. Dat de drieling aan het HVC toerekenbare schade lijdt is dus niet aannemelijk. De vorderingen sub I, sub III en sub IV dienen derhalve te worden afgewezen.

4.12 De vordering sub II dient te worden afgewezen, reeds omdat de Katholieke Scholengemeenschap Hoofddorp (KSH) in dit kort geding geen partij is en omdat, gelet op het onder 4.10 laatste zinsnede overwogene, niet valt in te zien dat het HVC het KSH kan verplichten de drieling gezamenlijk aan te nemen.

4.13 Geheel ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op - hetgeen eigenlijk overbodig zou behoren te zijn - dat de afwijzing van de vordering van de drieling is gebaseerd op de hiervoor gegeven motivering en derhalve niet als uitkomst van Russische roulette [vergelijk de desbetreffende uitspraak van de raadsman van de drieling in Het Parool van 21 juli 2005].

4.14 De drieling zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het HVC worden begroot op:

- vast recht € 244,00

- salaris advocaat € 408,00

Totaal € 652,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen af,

veroordeelt de drieling in de proceskosten, aan de zijde van het HVC tot op heden begroot op € 652,00;

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2005.?