Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AT9589

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-07-2005
Datum publicatie
21-07-2005
Zaaknummer
113765/KG ZA 05-298
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opzegging door verhuurder van samenwerkingsovereenkomst op grond van de Wet op het overleg huurders verhuurder. Geldvordering in kort geding. Aannemelijk is geworden dat Saenwonen gerechtigd was de samenwerkingsovereenkomst met de huurdersorganisatie HBS te doen eindigen. Dit mede omdat die organisatie niet langer representatief was. HBS krijgt geld toegewezen om haar thans bestaande schulden nog te kunnen voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2005/170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: 113765/KG ZA 05–298

Vonnisdatum: 19 juli 2005

782

RECHTBANK TE HAARLEM,

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VERENIGING HUURDERS BELANG SAENWONEN,

gevestigd te Zaanstad,

eiseres,

procureur mr. M.M. Fornier,

-- tegen --

de stichting

STICHTING PARTEON,

gevestigd te Zaanstad,

gedaagde,

procureur voorheen mr. M.R. van Buiten, thans mr. J. Oskam.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als HBS respectievelijk Parteon.

1. Het verloop van het geding

Ter terechtzitting van 12 juli 2005 heeft HBS, na het nemen van een akte wijziging van eis, overigens overeenkomstig de dagvaarding gesteld en gevorderd als hierna onder 3. weergegeven en die vordering toegelicht aan de hand van overgelegde pleitnotities. Parteon heeft tegen deze vordering verweer gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.

Na verder debat in tweede termijn hebben partijen vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op 26 juli 2005 of zoveel eerder als mogelijk.

2. De vaststaande feiten

In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:

a. Parteon is sinds 27 april 2005 de rechtsopvolger onder algemene titel van Stichting Saenwonen (hierna: Saenwonen), een stichting met als doel de bouw en exploitatie van woningen ingevolge de Woningwet.

b. HBS is een vereniging opgericht op 12 februari 2001, met als statutair doel het behartigen van de gezamenlijke belangen van de huurders van woongelegenheden van Saenwonen, waarbij het werkgebied van HBS overeenkomt met dat van Saenwonen.

c. Op 7 november 2001 is door HBS als huurdersorganisatie en Saenwonen als verhuurder in de zin van de Wet op het overleg huurders verhuurder (hierna: de Overlegwet) van 27 juli 1998 een samenwerkingsovereenkomst gesloten (hierna: de samenwerkingsovereenkomst) als bedoeld in artikel 6 van die wet.

d. De artikelen 19 en 20 van de samenwerkingsovereenkomst luiden, voorzover te dezen van belang:

"Artikel 19. Financiële ondersteuning

1. De H.B.S. kan rekenen op een bijdrage van Saenwonen in de kosten die rechtstreeks samenhangen met en redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van in deze samenwerkingsovereenkomst benoemde taken.

[…]

4. Jaarlijks verstrekt de H.B.S. een volledig overzicht van de feitelijke inkomsten en uitgaven van het voorafgaande boekjaar.

5. De jaarstukken en de afrekening van de subsidie dienen vóór 1 april van het jaar volgend op dat waarop deze stukken betrekking hebben door de H.B.S. aan Saenwonen te worden overlegd.

6. Saenwonen maakt haar deel van de afgesproken vergoeding over in 2 termijnen en wel voor 1 februari en 1 augustus van elk jaar.

[…]

Artikel 20. Slotbepalingen

In alle gevallen waarin de samenwerkingsovereenkomst niet voorziet, vindt overleg plaats tussen Saenwonen en de H.B.S."

e. In het najaar van 2004 is onenigheid ontstaan tussen de bestuursleden van HBS [X] en [Y] enerzijds en het bestuurslid [Z] anderzijds.

f. Bij brief van 16 december 2004 heeft Saenwonen aan HBS geschreven:

"Geacht bestuur,

Tot mijn grote spijt moet ik u melden, dat Saenwonen de samenwerking met de HBS per heden opzegt. Spijt, omdat Saenwonen gezien de belangrijke beslissingen die de komende periode moeten worden genomen een advies behoeven van een erkende huurdersorganisatie. Met de HBS als erkende huurdersorganisatie is dat nu niet mogelijk. De samenwerking wordt opgezegd, omdat de afgelopen jaren het onmogelijk is gebleken met een enigszins stabiele huurdersorganisatie tot een overleg te komen, waarin onderwerpen zoals in de samenwerkingsovereenkomst en statuten staan vastgesteld konden worden besproken. De laatste weken is dat dusdanig geëscaleerd, dat er geen sprake meer is van een feitelijk bestuur, dat zich gedraagt volgens de haar statutair opgedragen verantwoordelijkheden.

In het kort, om zo min mogelijk betrokken mensen te beschadigen, geven wij hier onze beweegredenen:

– gevraagde adviezen werden en wórden niet of niet tijdig gegeven. In de besprekingen spraken de verschillende bestuursleden elkaar regelmatig tegen. Gezamenlijke opvattingen of standpunten ontbraken.

– het bestuur veranderde voortdurend van samenstelling, van de oorspronkelijke 16 leden zijn er nu nog maar drie over. Deze personen zijn blijkens correspondentie en gesprekken niet meer on speaking terms en handelen nu onrechtmatig of nemen hun gezamenlijke verantwoordelijkheid niet. Bij de Kamer van Koophandel is geen actuele registratie van de nog in functie zijnde bestuursleden, zodat de wettelijke bestuursaansprakelijkheid niet is vastgelegd en de bestuursleden het risico lopen niet -rechtsgeldige handelingen te verrichten.

– de bewonerscommissies zijn niet of zeer slecht te spreken over (het bestuur en het functioneren van) de HBS. Dit hebben wij de afgelopen weken nagegaan. Het aankaarten hiervan en onze ondersteuning terzake hebben weinig of geen resultaat voor het bestuur opgeleverd. Alleen de commissies Koning Davidstraat en Straat Davis/Morgensterstraat zijn niet negatief. Niet toevallig waren deze beide commissies de 'thuisbasis' van twee bestuursleden. Wij concluderen hieruit dat de HBS niet langer een representatieve vertegenwoordiging van de huurders van Saenwonen is.

– het statutair vereiste financieel jaarverslag over 2003 is niet onderworpen aan een kascontrole, noch heeft de algemene vergadering het bestuur terzake gedechargeerd. De penningmeester heeft als enige tekenbevoegdheid voor de bankrekening, die niet is gelimiteerd, terwijl het huishoudelijk reglement deze bevoegdheid inperkt tot een maximum van € 500; boven dat bedrag is een medeondertekenaar vereist. Dit is niet vastgelegd bij de bank, noch in uw interne procedureafspraken, zodat onwettige betalingen niet zijn uitgesloten. De in het voorjaar aangekondigde behandeling van de financiële verantwoording in de najaarsvergadering heeft niet plaatsgevonden. Om die reden verzoekt Saenwonen u om per heden geen financiële verplichtingen meer aan te gaan, noch betalingen te verrichten. Wij verzoeken en, voorzover nodig, sommeren u per omgaande het tegoed op onze rekening (rekeningnummer [nummer] ten name van Saenwonen) terug te storten. Wij verzoeken u op zo kort mogelijke termijn verantwoording af te leggen over de financiën van de jaren 2003 en 2004.

Saenwonen is uiterst ongelukkig met de ontstane situatie en zal om die reden zo snel mogelijk zorg dragen voor een representatieve vertegenwoordiging van onze huurders, om op verantwoorde wijze te kunnen voldoen aan onze verplichtingen op grond van de Wet Overleg Huurders - verhuurders.

Hoogachtend,

[B]

Directeur"

g. Op 20 januari 2005 heeft het bestuur van HBS het bestuurslid [Z] geschorst, omdat zij, als penningmeester, aldus de notulen van de bestuursvergadering, geen rekening en verantwoording over de financiën van HBS aan het bestuur had afgelegd. Een schorsing vervalt krachtens de statuten na twee maanden indien zij niet door ontslag door de algemene ledenvergadering wordt gevolgd.

h. Op 16 maart 2005 heeft het bestuur van HBS een bedrag van € 32.500,– overgeboekt aan Saenwonen.

i. Op 21 maart 2005 heeft het bestuur van HBS het bestuurslid [Z], aldus de notulen van de bestuursvergadering, opnieuw geschorst, op basis van dezelfde grond als op 20 januari.

j. Op 21 maart 2005 heeft de algemene ledenvergadering van HBS het voltallige bestuur ontslagen en een interim-bestuur aangesteld.

k. Op 26 maart 2005 heeft de algemene ledenvergadering van HBS een nieuw bestuur verkozen, bestaande uit de leden van het interim-bestuur. Bij deze vergadering waren, naast de (interim-)bestuursleden, 7 leden aanwezig.

l. Bij brief d.d. 29 maart 2005 heeft Saenwonen aan HBS geschreven, voorzover hier van belang:

"De middelen van HBS zijn door het toenmalige bestuur, na overleg met onze advocaten en de notaris, en op basis van een rechtsgeldig besluit, door Saenwonen in bewaring genomen."

m. Bij brief d.d. 14 april 2005 heeft de toenmalige procureur van Saenwonen namens de oud-bestuursleden van HBS [X] en [Y] HBS geschreven, voorzover hier van belang:

"Cliënten hebben in hun hoedanigheid als bestuurders inderdaad de banktegoeden in depot gestort op de rekening van Saenwonen. Deze transactie was geenszins in strijd met hun bestuursbevoegdheid en heeft bovendien in de gegeven omstandigheden – Saenwonen had immers de samenwerkingsovereenkomst met HBS opgezegd alsmede werd door de overboeking de al dan niet onrechtmatige onttrekking van gelden voorkomen – op juiste gronden plaatsgevonden. Het bestuur bestuurt en toestemming van de ledenvergadering was voor deze transactie niet vereist."

3. De vordering en de grondslag daarvan

HBS vordert, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. Parteon veroordeelt tot – kort gezegd – nakoming van de samenwerkingsovereenkomst;

II. Parteon veroordeelt een bedrag gelijk aan het door HBS betaalde bedrag van € 32.500,– althans een in goede justitie te betalen voorschot hierop, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan HBS te restitueren;

III. bepaalt dat Parteon een dwangsom verbeurt indien zij niet aan deze veroordelingen voldoet;

IV. Parteon veroordeelt in de proceskosten.

HBS legt – zakelijk weergegeven – het volgende aan haar vordering ten grondslag. De aan Saenwonen overgeboekte bedragen zijn slechts aan haar in bewaring gegeven, wat aanvankelijk door Saenwonen is erkend, en deze behoren op grond van de samenwerkingsovereenkomst aan HBS toe; het grootste deel van de gelden betreft spaartegoeden van HBS en een deel daarvan is ook nimmer afkomstig geweest van Saenwonen/Parteon. Tevens heeft HBS steeds aan haar verplichtingen jegens Saenwonen/Parteon omtrent financiële verantwoording voldaan. HBS kan derhalve onverwijlde teruggave van de gelden vorderen. Zij heeft hierbij een spoedeisend belang, nu zij thans niet aan haar lopende financiële verplichtingen kan voldoen. Voorts heeft Saenwonen de samenwerkingsovereenkomst niet rechtsgeldig beëindigd, aangezien zij heeft nagelaten met HBS over haar voornemen in overleg te treden en bovendien geen redelijke termijn in acht heeft genomen. Derhalve is Parteon gehouden tot nakoming van de samenwerkingsovereenkomst.

4. Het verweer en de slotsom daarvan

Parteon heeft tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing daarvan met veroordeling van HBS in de kosten van het geding. Op dit verweer zal, voorzover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

5. De gronden van de beslissing

Ten aanzien van de vordering sub I overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Op voorhand is voldoende aannemelijk geworden dat Saenwonen gerechtigd was de samenwerkingsovereenkomst te doen eindigen. De omstandigheden die door Saenwonen in haar brief d.d. 16 december 2004 zijn genoemd (zie hierboven onder 2 sub f) en die door HBS niet, althans onvoldoende zijn betwist geven daartoe voldoende grond. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat de overeenkomst is gesloten in het kader van artikel 6 van de Overlegwet, waarvan artikel 1, sub f, aanhef en onder 1, bepaalt dat een huurdersorganisatie in de zin van deze wet moet kunnen aantonen dat zij ten minste 50% van de huurders van de in haar statuten of reglementen omschreven woongelegenheden of wooncomplexen van de verhuurder vertegenwoordigt. Door HBS is ter zitting erkend dat zij thans een aanzienlijk kleiner deel van die huurders vertegenwoordigt. Illustratief is het geringe aantal leden dat aanwezig was bij de algemene ledenvergadering tijdens welke het huidige bestuur van HBS is verkozen. Parteon voert inmiddels overleg in de zin van de Overlegwet met een andere organisatie en door HBS is niet bestreden dat die organisatie representatief is.

Het betoog van HBS dat Saenwonen op grond van artikel 20 van de samenwerkingsovereenkomst deze overeenkomst niet had mogen doen eindigen, maar dat Saenwonen/Parteon in overleg had moeten treden met HBS, faalt, nu tussen partijen niet in geschil is dat het bestuur van HBS in het besluit van Saenwonen tot opzegging van de samenwerking heeft berust. Dat het bestuur van HBS toentertijd bestond uit leden met opvattingen te dezen die verschillen van die van de huidige bestuursleden, kan Parteon niet worden aangerekend.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de vordering sub I zal worden afgewezen.

Ten aanzien van de vordering sub II overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Vooropgesteld zij dat voor de beantwoording van de vraag of plaats is voor toewijzing bij voorraad van een geldvordering in kort geding, niet alleen dient te worden onderzocht of de vordering van de eiser voldoende aannemelijk is, maar ook of een spoedeisend belang bestaat, terwijl bij de afweging van de belangen van partijen mede het restitutierisico zal moeten worden betrokken (zie HR 28 mei 2004, NJ 2004, 602).

Door HBS is aangevoerd dat de op 16 maart 2005 aan Saenwonen overgeboekte gelden slechts in bewaring aan Saenwonen waren gegeven. Zij beroept zich hierbij mede op de brieven van Saenwonen en dier procureur van respectievelijk 29 maart en 14 april 2005, waarin wordt gesproken over "in depot gestort" om "de al dan niet onrechtmatige onttrekking van gelden [te] voorkomen", respectievelijk "in bewaring genomen" (zie onder 2 sub l en m). De voorzieningenrechter acht het op grond van deze mededelingen van de zijde van Saenwonen voorshands voldoende aannemelijk dat de gelden inderdaad ter bewaring aan Saenwonen zijn overgeboekt. Weliswaar stelt Parteon thans dat in genoemde brieven sprake is geweest van een ongelukkige woordkeus, en dat de gelden niet, althans niet meer, aan HBS behoren, doch het had, als dat zo is, op de weg van Parteon gelegen nader aannemelijk te maken dat de gelden anders dan ten titel van bewaargeving in haar macht zijn gekomen. Parteon heeft echter geen nadere correspondentie of bijvoorbeeld een bankafschrift kunnen tonen waardoor haar stelling ook maar enigszins wordt onderbouwd. Bovendien is door Parteon niet, althans onvoldoende betwist dat een deel van de overgeboekte gelden, ten minste bedragende € 5.273,75, niet aan HBS verstrekt is door Saenwonen in het kader van de samenwerkingsovereenkomst, maar door HBS op andere wijze is verworven, zodat Saenwonen ten aanzien daarvan geen rechten kan doen gelden. Gelet op dit alles is het bestaan van het door HBS ingeroepen recht op voorhand als voldoende aannemelijk te beschouwen.

Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat uit de door HBS overgelegde bijlagen bij haar productie 12 voldoende blijkt dat HBS om te beginnen een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van haar vordering sub II tot een bedrag van € 11.593,67, omdat zij gehouden is op korte termijn schulden ten belope van dit bedrag te voldoen, en zij thans over onvoldoende financiële middelen daartoe beschikt. Door Parteon is bovendien niet betwist dat de door HBS gespecificeerde kosten daadwerkelijk zijn of zullen worden gemaakt. Ten aanzien van de post met thans nog onbekende omvang "Kopieerkosten administratie 2003/2004 t.b.v. Saenwonen" overweegt de voorzieningenrechter dat aannemelijk is geworden dat Parteon aan HBS hierover geen rekening meer zal doen toekomen. Ten aanzien van de andere post waarvan de omvang volgens HBS nog niet bekend is, "Declaraties Schreurs & van Duin Abma Van Eeuwijk" is de voorzieningenrechter van oordeel dat HBS op korte termijn in redelijkheid van haar raadsman een factuur met betrekking tot het onderhavige kort geding zal kunnen verwachten ten bedrage van € 816,– aan procureurssalaris en € 329,60 aan verschotten, zodat de vordering ook ten aanzien van deze bedragen als voldoende spoedeisend wordt beschouwd. Een spoedeisend belang bij toewijzing van een hoger bedrag is onvoldoende gebleken.

De voorzieningenrechter merkt hierbij voor de volledigheid op dat een (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering sub II op grond van het door HBS beëindigen van de bewaargeving aan Saenwonen/Parteon, niet zonder meer inhoudt dat de betalingen die HBS met deze gelden wil verrichten, niet in strijd kunnen zijn met de samenwerkingsovereenkomst op grond waarvan (een groot deel van) de gelden zijn ontvangen. Nu Parteon echter geen verbod heeft gevorderd op het verrichten van specifieke betalingen, zal de voorzieningenrechter zich geen oordeel vormen over de rechtmatigheid jegens Parteon van de door HBS voorgenomen betalingen. Aan de andere kant is evenmin uitgesloten dat na de opzegging van de samenwerking bij HBS nog kosten zijn ontstaan waarvan redelijkerwijs gezegd kan worden dat deze nog rechtstreeks samenhangen met en redelijkerwijs noodzakelijk waren voor de vervulling van in deze samenwerkingsovereenkomst benoemde taken. Nu voorshands wordt aangenomen dat de samenwerkingsovereenkomst rechtsgeldig door Saenwonen is geëindigd, ligt het echter wel in de rede dat voor de toekomst geen sprake meer kan zijn van "kosten die rechtstreeks samenhangen met en redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van in deze samenwerkingsovereenkomst benoemde taken".

Parteon heeft betoogd dat de vordering tot betaling van de geldsom niet toewijsbaar is, omdat HBS waarschijnlijk niet in staat zal zijn dit bedrag terug te betalen indien zij in een bodemprocedure in het ongelijk zou worden gesteld. Het betoog van Parteon dat voorzover sprake is van een financiële noodsituatie bij HBS, de geldvordering van HBS in kort geding niet toewijsbaar is, omdat het restitutierisico dan te groot zou zijn, faalt. Juist een financiële noodsituatie is dan een van de omstandigheden die HBS het vereiste spoedeisende belang verschaft om in kort geding een geldvordering in te stellen (vergelijk HR 14 juni 2002, NJ 2002, 395). Weliswaar dient het restitutierisico bij de beoordeling van de onderhavige vordering te worden meegewogen, maar op grond van het hierboven onder 5.5 overwogene en doordat het restitutierisico door gedeeltelijke toewijzing van de vordering beperkt zal worden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het eventuele restitutierisico niet voldoende opweegt tegen de aannemelijkheid van de vordering en het spoedeisend belang om de vordering af te wijzen.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de vordering sub II voor toewijzing gereed ligt als na te melden.

Voorzover de vordering sub III betrekking heeft op de vordering sub I moet zij in het lot daarvan delen. Met betrekking tot het deel van de vordering sub III dat betrekking heeft op de vordering sub II, overweegt de voorzieningenrechter dat op grond van artikel 611a, eerste lid, laatste volzin, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een dwangsom niet kan worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom.

De vordering sub III zal derhalve geheel worden afgewezen.

In de omstandigheid dat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren als na te melden.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

veroordeelt Parteon om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan HBS een bedrag van € 12.739,27 te restitueren door middel van storting op bankrekening ABN AMRO 53.10.00.257 ten name van Stichting Derdengelden Schreurs en Van Duin Abma Van Eeuwijk Advocaten te Purmerend;

compenseert de proceskosten in dier voege, dat partijen elk de eigen kosten dragen;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer, voorzieningenrechter van deze rechtbank, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 19 juli 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.