Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AT8370

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-06-2005
Datum publicatie
29-06-2005
Zaaknummer
250612 CV EXPL 04-9594
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepasselijkheid gelijkheidsbeginsel bij een door de uitvoerder van een VUT-CAO doorgevoerde beleidswijziging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2005, 94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknr/rolnr: 250612/CV EXPL 04-9594

Vonnisdatum: 29 juni 2005

RECHTBANK HAARLEM,

SECTOR KANTON, LOCATIE HAARLEM,

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

in de zaak van:

de STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR DE METALEKTRO,

v.h. de Stichting Vroegpensioenfonds voor de Metaal- en Electronische Industrie,

gevestigd te Schiphol Zuidoost, gemeente Haarlemmermeer,

opposante,

gemachtigde A.H. Groenewegen,

-- tegen --

1. [geopposeerde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geopposeerde 2],

wonende te [woonplaats],

geopposeerden,

gemachtigde Van Arkel Gerechtsdeurwaarders.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als PME, [geopposeerden].

1. De loop van het geding

Voor de loop van het geding verwijst de kantonrechter naar de volgende gedingstuk-ken:

? de dagvaarding d.d. 2 juni 2004, met producties;

? het verstekvonnis d.d. 23 juni 2004;

? de verzetdagvaarding d.d. 10 september 2004, met producties;

? de rolbeschikking d.d. 20 oktober 2004;

? de conclusie van antwoord in oppositie, met productie;

? de conclusie van repliek in oppositie;

? het vonnis van 9 februari 2005 waarbij een comparitie van partijen is gelast, welke is gehouden op 31 maart 2005 (en waarvan de aantekeningen van de griffier zich in het dossier bevinden);

? de akte na comparitie van de zijde van [geopposeerden] (met producties);

? de antwoordakte van PME.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweersproken inhoud van overgelegde producties, staat in dit ge-ding het volgende vast:

a. [geopposeerden] zijn beiden werkzaam geweest bij FSM Europe B.V., een voormalige Philips-onderneming. Zij ontvingen bij FSM een dertiende maand, die volgens hun inkomensspecificatie bestond uit een vast bestanddeel van 2 % en een variabel bestanddeel van 6,33 %.

b. [geopposeerden] zijn respectievelijk per 1 januari en 1 augustus 2000 ver-vroegd uitgetreden, waarna zij een zgn. SUM-uitkering hebben ontvangen op basis van de SUM-CAO 1998-2002 (hierna: de CAO) en het SUM-reglement 1998-2002 (hierna het reglement). PME voert een en ander uit.

c. Bij het bepalen van de hoogte van de SUM-uitkering heeft PME bovengenoemde 2 % meegenomen, maar heeft zij genoemde 6,33 % buiten beschouwing gelaten.

3. De vordering

PME vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat zij zal worden ontheven van de veroordeling tegen haar uitgesproken bij het tussen partijen gewezen verstekvonnis, met het verzoek tot afwijzing van de vorderingen en met veroordeling van [geopposeerden] in de kosten van het verzet.

Zij stelt daartoe - samengevat - dat [geopposeerden] een SUM-uitkering hebben gekregen op basis van het op dat moment geldende reglement behorend bij de alge-meen verbindend verklaarde vut-cao. Het feit dat een reglement of beleid wijzigt is niet van invloed op de reeds uitgetreden werknemers.

4. Het verweer

[geopposeerden] stellen zich primair op het standpunt dat het verstekvonnis in stand moet blijven, nu PME in eerste instantie op de inleidende dagvaarding van [geopposeerden] totaal niet heeft gereageerd. Zij voeren voorts aan dat ook over de 6,33 % SUM premie is geheven, dat door ene mevrouw [naam] van PME is toege-zegd dat ook over dit deel vroegpensioen zou moeten worden uitbetaald, en dat de omstandigheid dat deelnemers die na 1 november 2000 zijn ingestapt wel over dit deel vroegpensioen krijgen en zij - [geopposeerden] - niet, in strijd is met het gelijk-heidsbeginsel.

5. Beoordeling van het geschil

De enkele omstandigheid dat PME aanvankelijk verstek heeft laten gaan in onderha-vige procedure vormt geen deugdelijke grondslag voor de primaire stelling van [geoppposeerden] dat het verstekvonnis van 23 juni 2004 in stand zou moeten blijven.

Uit artikel 6 van de CAO en artikel 3 van het reglement volgt dat de SUM-uitkering wordt berekend aan de hand van aldaar gedefinieerde “vaste loon”. [geopposeerden] stellen dat de omstandigheid dat over het variabel genoemde gedeelte van de der-tiende maand van 6,33 % wel SUM-premie is betaald, impliceert dat over dat gedeelte ook een SUM-uitkering dient te worden verstrekt. Dat uitgangspunt is echter onjuist. In de onderhavige CAO is bepaald dat de werkgever verplicht is een bepaalde bijdrage te betalen en voorts gerechtigd is een deel van het bruto-inkomen van de werknemer (dat wil zeggen: inclusief het variabele deel) in te houden als werknemersbijdrage. De enkele omstandigheid dat [geopposeerden] over dit gedeelte van de dertiende maand premie hebben betaald is geen argument op grond waarvan van de bij alge-meen verbindend verklaarde CAO vastgestelde uitkeringsgrondslag afgeweken zou moeten worden. De - overigens door PME betwiste - stelling dat een medewerker van de administrateur daar andersluidende informatie over heeft verstrekt doet daaraan niet af.

[geopposeerden] stellen (subsidiair) dat het variabel genoemde gedeelte van de dertiende maand van 6,33 % ieder jaar werd uitgekeerd en dus feitelijk een vast be-standdeel vormde, en dat deelnemers die na 1 november 2000 zijn ingestapt wel over dit deel vroegpensioen krijgen, hetgeen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. PME heeft daaromtrent aangevoerd dat de Kleine Commissie SVM (Stichting Vroeg-pensioenfonds voor de Metaal- en Elektrotechnische Industrie) in november 2000 heeft besloten haar beleid te wijzigen, dat voor het vaststellen van het loon als bedoeld in artikel 3 lid 1 van het reglement alle loonbestanddelen worden betrokken die vol-gens het Pensioenreglement van de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Metal-ektro pensioengevend hadden moeten zijn/behoren te zijn, terwijl tot die tijd als uit-gangspunt werd genomen dat die loonbestanddelen bij de vaststelling van de SUM-uitkering werden betrokken die daadwerkelijk waren opgenomen in het pensioenge-vend salaris. De reden voor deze beleidswijziging was dat de formulieren niet duide-lijk waren, dat regelmatig ook het variabele gedeelte van winstuitkeringen werd inge-vuld en dat daardoor de grondslagen voor de SUM-uitkering en het pensioen uiteen liepen. Ook als [geopposeerden] de SUM-uitkering na 1 november 2000 zouden hebben aangevraagd zou de 6,33 % niet zijn meegenomen bij het berekenen van de uitkering, omdat het een variabel gedeelte betreft dat niet pensioengevend is en voorts niet schriftelijk is overeengekomen, aldus PME.

Het volgende wordt overwogen. PME dient zich als uitvoerder van het SUM-reglement te houden aan het algemene rechtsbeginsel dat gelijke gevallen gelijk be-handeld dienen te worden. Tussen partijen staat vast dat per 1 november 2000 het re-glement niet is gewijzigd, maar dat PME per die datum haar beleid heeft gewijzigd. De stelling van PME dat een beleidswijziging van een latere datum dan de toekenning van uitkeringen er niet toe kan leiden dat deze uitkeringen worden gewijzigd is in zijn algemeenheid onjuist. De tekst van het van toepassing zijnde reglement (en de daarin verwoorde uitkeringsgrondslag) is immers gelijk gebleven en een besluit van de uit-voerder van het reglement om deze tekst anders (en voor de uitkeringsgerechtigden gunstiger) uit te leggen heeft - voorop gesteld dat het inderdaad gelijke gevallen be-treft - consequenties voor reeds verstrekte uitkeringen. Dit is in beginsel anders indien de tekst van het reglement (voor zover het de grondslag betreft) wijzigt en er daardoor verschillen ontstaan, maar daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. PME heeft geen feiten gesteld die het rechtvaardigen om gelijke gevallen (waarop steeds de CAO en het reglement - dat geldig is tot 31 december 2002 - van toepassing is) verschillend te behandelen, enkel omdat de SUM-uitkering al dan niet voor 1 november 2000 is aangevraagd.

[geopposeerden] hebben ter comparitie uitdrukkelijk gesteld dat er gelijke geval-len (d.w.z. oud-werknemers van FSM die voor wat betreft de dertiende maand in de-zelfde situatie verkeerden) zijn, die nà 1 november 2000 een SUM-uitkering hebben aangevraagd en deze mede over genoemde 6,33 % hebben gekregen. Zij hebben dit bij akte na comparitie nader onderbouwd met SUM-uitkeringsgegevens van de heren [collega's], waaruit naar voren komt dat als grondslag een dertiende maand van 8,33 % (dus inclusief het variabele gedeelte van 6,33 %) is genomen en dat beiden toe zijn getreden per 1 januari 2002. PME heeft de inhoud van de door [geopposeerden] verstrekte gegevens niet betwist, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat genoemde [collega's] in een ander kalenderjaar zijn uitgetreden en dat de uitkeringen van [geopposeerden] op correcte wijze, geheel overeenkomstig het reglement en de opgave van werkgever en [geopposeerden], zijn vastgesteld.

Het volgende wordt overwogen. Bij gebrek aan een nadere gemotiveerde betwisting van de zijde van PME houdt de kantonrechter het er voor dat de gevallen van ener-zijds [geopposeerden] en anderzijds [collega's] slechts verschillen voor zover het betreft de datum van toetreding en de omstandigheid dat bij de aanvraag van laatstgenoemden - anders dan bij [geopposeerden] - kennelijk wel het variabele gedeelte van 6,33 % van de dertiende maand als vast bestanddeel is opgegeven. Uit-gangspunt is derhalve dat de gevallen voor het overige gelijk zijn. Dat [geopposeerden] (en FSM) in hun aanvragen van voor 1 november 2000 het gedeelte van

6,33 % van de dertiende maande niet hadden vermeld acht de kantonrechter echter niet doorslaggevend, nu juist de onduidelijkheid van het formulier en de omstandig-heid dat dit op verschillende wijze werd ingevuld voor PME de aanleiding was om haar beleid op dit punt per die datum te wijzigen. In het voorgaande is reeds overwo-gen dat PME overigens geen feiten heeft gesteld die een verschillende behandeling van gelijke gevallen per 1 november 2000 rechtvaardigen.

De conclusie is derhalve dat PME ten onrechte na haar beleidswijziging per 1 novem-ber 2000 de SUM-uitkering van [geopposeerden] niet heeft aangepast. De vorde-ring van [geopposeerden] is voor wat betreft dat gedeelte dus toewijsbaar. PME heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de daarbij gevorderde terugwerkende kracht, zodat deze eveneens toewijsbaar is. De stelling van PME dat [geopposeerden] hun vordering nader dienen te specificeren kan de kantonrechter niet volgen. Het is immers voldoende duidelijk waartoe hun vordering strekt. De gevorderde rente en de incassokosten zijn toewijsbaar, nu PME ook daartegen geen afzonderlijke weren heeft gericht.

Resumerend geldt dat het verzet tegen het verstekvonnis van 23 juni 2004 ongegrond is. PME zal in de kosten van de verzetprocedure worden veroordeeld, nu zij in het on-gelijk is gesteld.

6. Beslissing

De kantonrechter:

verklaart het verzet ongegrond;

veroordeelt PME tot betaling van de kosten van de verzetprocedure, die aan de zijde van [geopposeerden] tot en met vandaag worden begroot op € 675,-- aan salaris gemachtigde;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Vogel, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 29 juni 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.