Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AT8258

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-06-2005
Datum publicatie
27-06-2005
Zaaknummer
15/920003-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

XTC-handel

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen welke gericht waren op de productie van buitengewoon grote hoeveelheden van – naar schatting circa vijftig miljoen – XTC-pillen. XTC is een bewustzijnsbeïnvloedend middel. Uit onderzoek blijkt dat na gebruik van XTC levensbedreigende en psychische klachten kunnen optreden. In de afgelopen jaren zijn na gebruik van XTC meermalen jonge mensen overleden.

Ten aanzien van feit 1 primair

Verdachte heeft bij dit strafbare feit een prominente rol gespeeld. Verdachte was de enige medewerker van het im- en exportbedrijf dat de containers met daarin de grondstoffen voor XTC-pillen in Nederland invoerde. Hij verzorgde de administratieve afhandeling van deze containers en nam samen met anderen het lossen van de containers voor zijn rekening. Verdachte’s rol bestond daarnaast uit het verkopen van de mihoen en sojasaus, die als deklading voor de grondstoffen fungeerde.

Ten aanzien van feit 2 primair

Ook ten aanzien van dit feit heeft verdachte’s rol er in bestaan, overtollig geworden miefang, die immers bij invoering van de container in Nederland enkel diende als maskering voor lading waarin zich verboden grondstoffen bevonden, te lossen en elders onder te brengen of te verkopen. Daarmee fungeerde verdachte als een logistieke, onmisbare schakel: de verboden PMK wordt immers telkens met behulp van volumineuze deklading ingevoerd, waarna niet alleen de PMK zijn weg in het criminele circuit vervolgt, maar ook de – op zichzelf onschuldige – deklading van de hand moet worden gedaan. Het dossier bevat diverse aanwijzingen dat wat dit laatste betreft zich problemen hebben voorgedaan op het vlak van de opslagruimte en het tempo van de afzet.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan te hebben volhard in de houding te kunnen volstaan met het zich louter bekommeren om de deklading, terwijl er ook heel iets anders aan de hand was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/920003-04

Uitspraakdatum: 16 juni 2005

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 30 mei en 2 juni 2005 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos, te Heerhugowaard.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, nadat de tenlastelegging op vordering van de officier van justitie is gewijzigd, tenlastegelegd dat hij:

1 primair

in de periode van 1 januari 2002 tot en met 12 november 2003 te Aalsmeerderbrug, gemeente Haarlemmermeer en/of te Hoofddorp en/of te Hillegom en/of te Almelo en/of te Nieuw-Vennep en/of te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, zich of een ander/anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden, en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) opzettelijk,

- hoeveelheden PMK en/of BMK ingevoerd en/of vervoerd en/of voorhanden gehad en/of

- een of meer lokatie(s) gehuurd voor de opslag van voornoemde PMK en/of BMK en/of

- een of meer auto('s) gehuurd voor het vervoer van voornoemde PMK en/of BMK;

(zaaksdossier 1)

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

1 subsidiair

in de periode van 1 januari 2002 tot en met 12 november 2003 te Aalsmeerderbrug, gemeente Haarlemmermeer en/of te Hoofddorp en/of te Hillegom en/of te Nieuw-Vennep en/of te Almelo en/of te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- (telkens) opzettelijk( een) hoeveelhe(i)d(en) van een mengsel bevattende piperonylmethylketon (PMK) en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) van een mengsel bevattende benzylmethylketon (BMK) onder het/de synoniem(en) 3,4-methyleendioxyfenylpropaan-2-on (PMK) en 1-fenyl-2-propanon (BMK) vermeld onder categorie 1 van de bijlage van de richtlijn inzake de vervaardiging en het in de handel brengen van bepaalde stoffen die worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (richtlijn 92/109/EEG), in de handel heeft gebracht zonder vergunning van

onze Minister en/of

- opzettelijk anders dan als houder(s) van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en anders dan als perso(o)n(en) of instelling(en) als bedoeld in artikel 4 van die wet( een) hoeveelhe(i)d(en) van een mengsel bevattende piperonylmethylketon (PMK) en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) van een mengsel bevattende benzylmethylketon (BMK) onder het/de synoniem(en) 3,4-methyleendioxyfenylpropaan-2-on (PMK) en/of 1-fenyl-2-propanon (BMK) vermeld onder categorie 1 van de bijlage van de richtlijn inzake de vervaardiging en het in de handel brengen van bepaalde stoffen die worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (richtlijn 92/109/EEG) voorhanden heeft gehad.

(De terminologie is gebruikt in de zin van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de Verordening (EEG) nr. 3677/90 van de Raad van 13 december 1990, houdende maatregelen om te voorkomen dat bepaalde stoffen worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen).

(artikel 3, 5 van de Wet Voorkoming Misbruik Chemicaliën)

art 3 Wet voorkoming misbruik chemicaliën

2 primair

in de periode van 24 augustus 2004 tot en met 13 september 2004 te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, zich of een ander/anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden, en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) opzettelijk,

- ongeveer 1900 liter, in ieder geval een hoeveelheid, PMK ingevoerd en/of vervoerd en/of voorhanden gehad en/of

- een of meer lokatie(s) gehuurd voor de opslag van voornoemde PMK en/of

- een of meer auto('s) gehuurd voor het vervoer van voornoemde PMK;

(zaaksdossier 3)

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2 subsidiair

in de periode van 24 augustus 2004 tot en met 13 september 2004 te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- opzettelijk een hoeveelheid (ongeveer 1900 liter) van een mengsel bevattende piperonylmethylketon (PMK) onder het synoniem 3,4-methyleendioxyfenylpropaan-2-on (PMK) vermeld onder categorie 1 van de bijlage van de richtlijn inzake de vervaardiging en het in de handel brengen van bepaalde stoffen die worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (richtlijn 92/109/EEG), in de handel heeft gebracht zonder vergunning van onze Minister en/of

- opzettelijk anders dan als houder(s) van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en anders dan als perso(o)n(en) of instelling(en) als bedoeld in artikel 4 van die wet een hoeveelheid (ongeveer 1900 liter) van een mengsel bevattende piperonylmethylketon (PMK) onder het synoniem 3,4-methyleendioxyfenylpropaan-2-on (PMK) vermeld onder categorie 1 van de bijlage van de richtlijn inzake de vervaardiging en het in de handel brengen van bepaalde stoffen die worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (richtlijn 92/109/EEG) voorhanden heeft gehad.

(De terminologie is gebruikt in de zin van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de Verordening (EEG) nr. 3677/90 van de Raad van 13 december 1990, houdende maatregelen om te voorkomen dat bepaalde stoffen worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en

(artikel 3, 5 van de Wet Voorkoming Misbruik Chemicaliën)

art 3 Wet voorkoming misbruik chemicaliën

3

in de periode van 1 juli 2003 tot en met 22 augustus 2003 te Aalsmeerderbrug, gemeente Haarlemmermeer en/of te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het

grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 250 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of MDA, in elk geval een stof als bedoeld in lijst I behorend bij de Opiumwet, zijnde MDMA en/of MDA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

(zaaksdossier 2)

art 2 ahf/ond A Opiumwet

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 3 ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Ten aanzien van feit 1:

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van feit 1 tot vrijspraak geconcludeerd. Verdachte verhandelde als werknemer van [bedrijf A]. slechts de deklading, de mihoen. Hij wist niet beter dan dat de flessen met het etiket chilisaus daadwerkelijk chilisaus bevatten. De voor het verweten delict vereiste opzet ontbrak derhalve.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Verdachte verhandelde de deklading vanuit de loods in Aalsmeerderbrug. Bij de doorzoeking op 24 oktober 2004 is in de loods een grote hoeveelheid dozen met chilisaus aangetroffen, een jerrycan met 25 liter PMK en een stuk spaanplaat doordrenkt met PMK. Bij het binnentreden roken verbalisanten een weeïge zoete, doordringende geur. Verdachte heeft over de hoeveelheid dozen met chilisaus verklaard dat hij niet begreep dat zijn baas [betrokkene 1] steeds chilisaus bleef invoeren, terwijl het evident was dat daarvoor geen afnemers waren. Ten aanzien van de loods heeft hij verklaard dat hem nooit iets is opgevallen en dat hij, anders dan de verbalisanten, niets vreemds heeft geroken.

Voorts heeft verdachte het afleveradres van de negende container op 27 oktober 2003 van de [a-straat] te Aalsmeerderbrug gewijzigd in [b-straat] te Rotterdam, de vestigingsplaats van [bedrijf B], terwijl verdachte ervan op de hoogte was dat de loods te Aalsmeerderbrug op 24 oktober 2003 door de politie was binnengevallen en onderzocht.

Verdachte ontkent dat hij op 28 oktober 2003 aanwezig was bij het uitladen van de negende container die gevuld was met mihoen en flessen met het opschrift chilisaus, waarvan - naar later is vastgesteld - een aantal flessen geen chilisaus maar PMK en BMK bevatte. De verklaring van verdachte is in strijd met de verklaring van [betrokkene 2], de eigenaar van [bedrijf B]. Deze heeft verklaard dat verdachte op die dag wel aanwezig was, dat hij met verdachte naar de transporteur tegenover [bedrijf B] is gegaan, dat de transporteur door verdachte is betaald en dat een deel van de dozen met chilisaus in het busje werd geladen waarover verdachte als werknemer van [bedrijf A] zoals gebruikelijk beschikte.

Verdachte heeft op 11 oktober 2004 verklaard dat hij op 28 oktober 2003 tussen 14.00 en 15.00 een afspraak had in het centrum van Rotterdam met een zekere [betrokkene 3]. Ter zitting heeft verdachte voor het eerst verklaard dat hij met deze [betrokkene 3] naar Vlaardingen is gegaan om een restaurant te bekijken en dat zij hebben gegeten bij de McDonalds aan de A20 niet ver van de plaats waar de container werd gelost. Verdachte geeft hierbij als het door hem afgelegd traject aan: van Den Haag via het centrum van Rotterdam naar de McDonalds aan de A20.

Uit de zendmastgegevens blijkt dat verdachte zich om 14.08 bevond in de buurt van de Paviljoensgracht te Den Haag en 48 minuten later nabij de Giessensweg te Rotterdam (in de buurt van de losplaats en de McDonalds). Aangezien echter de routeplanner voor het door verdachte aangegeven traject indicatief een reistijd van 63 minuten aangeeft, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat dit traject in 48 minuten kan worden afgelegd. De door verdachte afgelegde verklaring voor de zendmastgegevens acht de rechtbank dan ook kennelijk leugenachtig en bedoeld om te bemantelen dat hij bij het lossen van de container aanwezig is geweest.

Tot slot is in de loods aan de Satellietbaan te Hillegom, waar tijdens de doorzoeking de geur van PMK werd waargenomen en dozen met Chinees opschrift werden aangetroffen met daarin lege flessen met restanten PMK, op een blikje Spa het DNA van verdachte gevonden. Verdachte heeft hiervoor ter zitting als verklaring gegeven dat het blikje mogelijk in het transportbusje van [bedrijf A] had gelegen, dat de bus door iemand is schoongemaakt en het blikje aldus in de loods terecht is gekomen. Nu er geen aanknopingspunten zijn voor de veronderstelling dat verdachte bij [bedrijf A] collega’s had die ook over de bus van het bedrijf konden beschikken en verdachte slechts heeft aangegeven dat anderen ook in het busje reden, maar deze anderen niet bij naam heeft kunnen noemen, acht de rechtbank deze verklaring ongeloofwaardig.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit 1 primair heeft begaan in dier voege dat hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 12 november 2003 te Aalsmeerderbrug, gemeente Haarlemmermeer en te Hoofddorp en te Hillegom en te Almelo en te Nieuw-Vennep en te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, zich of een ander/anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) opzettelijk,

- hoeveelheden PMK en BMK ingevoerd en/of vervoerd en/of voorhanden gehad en/of

- locaties gehuurd voor de opslag van voornoemde PMK en/of BMK en/of

- auto 's gehuurd voor het vervoer van voornoemde PMK en/of BMK;

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit 2 primair heeft begaan in dier voege dat hij in de periode van 24 augustus 2004 tot en met 13 september 2004 te Rotterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, zich of een ander/anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) opzettelijk,

- ongeveer 1900 liter PMK ingevoerd en vervoerd en voorhanden gehad en/of

- auto's gehuurd voor het vervoer van voornoemde PMK;

Bewijsoverweging terzake van feit 2 primair

Uitgaande van hetgeen onder feit 1 primair is bewezenverklaard, stelt de rechtbank vast dat de werkwijze en de rol van verdachte met betrekking tot het transport van 13 september 2004 niet een wezenlijk andere is dan die in het najaar van 2003: verdachte neemt op aangeven van medeverdachten bij de komst van een container eenheden voedsel uit de lading af en verkoopt deze door aan derden.

Het is verdachte duidelijk, aldus blijkt uit het tapgesprek waaraan hij op 31 augustus, 10:44 uur deelneemt, dat het van secundair belang is hoeveel de doorverkoop van de miefang zal opbrengen. Het gaat er de medeverdachten kennelijk om van overbodig geworden lading af te komen. Dit laatste vindt ook uitdrukkelijk bevestiging in het tapgesprek van 12:01 uur van die dag, aan welk gesprek verdachte overigens niet deelneemt. Het betrokken zijn bij een dergelijke a-typische wijze van handel voeren had verdachte in het licht van de gebeurtenissen in de herfst van 2003 minst genomen moeten doen twijfelen aan het rechtmatig karakter van in elk geval een gedeelte van de lading van de container. Een aanwijzing dat die twijfel wel aanwezig was, vindt de rechtbank gelegen in de omstandigheid dat verdachte, nadat hij is geconfronteerd met de inhoud van een afgetapt telefoongesprek tussen hem en een medeverdachte op 6 september 15:00 uur over een container die onderweg is naar Nederland, zijn deelname aan dit gesprek niet wenst te bevestigen. Verdachte heeft met zijn handelwijze de aanmerkelijke kans aanvaard deel te nemen aan activiteiten die een verboden karakter dragen en zich hieraan niet onttrokken.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 primair en 2 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Medeplegen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Ten aanzien van feit 2 primair:

Medeplegen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd dat verdachte terzake de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Algemeen

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen welke gericht waren op de productie van buitengewoon grote hoeveelheden van – naar schatting circa vijftig miljoen – XTC-pillen. XTC is een bewustzijnsbeïnvloedend middel. Uit onderzoek blijkt dat na gebruik van XTC levensbedreigende en psychische klachten kunnen optreden. In de afgelopen jaren zijn na gebruik van XTC meermalen jonge mensen overleden.

Ten aanzien van feit 1 primair

Verdachte heeft bij dit strafbare feit een prominente rol gespeeld. Verdachte was de enige medewerker van het im- en exportbedrijf dat de containers met daarin de grondstoffen voor XTC-pillen in Nederland invoerde. Hij verzorgde de administratieve afhandeling van deze containers en nam samen met anderen het lossen van de containers voor zijn rekening. Verdachte’s rol bestond daarnaast uit het verkopen van de mihoen en sojasaus, die als deklading voor de grondstoffen fungeerde.

Ten aanzien van feit 2 primair

Ook ten aanzien van dit feit heeft verdachte’s rol er in bestaan, overtollig geworden miefang, die immers bij invoering van de container in Nederland enkel diende als maskering voor lading waarin zich verboden grondstoffen bevonden, te lossen en elders onder te brengen of te verkopen. Daarmee fungeerde verdachte als een logistieke, onmisbare schakel: de verboden PMK wordt immers telkens met behulp van volumineuze deklading ingevoerd, waarna niet alleen de PMK zijn weg in het criminele circuit vervolgt, maar ook de – op zichzelf onschuldige – deklading van de hand moet worden gedaan. Het dossier bevat diverse aanwijzingen dat wat dit laatste betreft zich problemen hebben voorgedaan op het vlak van de opslagruimte en het tempo van de afzet.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan te hebben volhard in de houding te kunnen volstaan met het zich louter bekommeren om de deklading, terwijl er ook heel iets anders aan de hand was.

De rechtbank neemt ten voordele van verdachte in aanmerking dat hij niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf dient te worden opgelegd, dan een die vrijheidsbeneming meebrengt.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en

10a van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem onder 3 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DRIE EN EEN HALF JAAR..

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Flohil, voorzitter,

mrs. Van de Schepop en Aardenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. Berghout en Van der Heijden,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 juni 2005.