Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AT7931

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-05-2005
Datum publicatie
22-06-2005
Zaaknummer
04-1929 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Antirevaliderende werking van een Wvg-voorziening?

De rechtbank oordeelt dat het standpunt van het gemeentebestuur dat de verstrekking van een scootmobiel antirevaliderend werkt niet bepalend kan zijn voor de vraag of een voorziening dient te worden verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

reg. nr: Awb 04 - 1929 WAO

uitspraakdatum: 30 mei 2005

RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. M.M. Brink, advocaat te Haarlem,

-- tegen --

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 1 juni 2004 heeft verweerder geweigerd eiser in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een open elektrisch buitenvervoermiddel (scootmobiel) te verstrekken.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 6 juni 2004 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 11 november 2004, aangevuld bij brief van 17 december 2004, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 26 april 2005, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Brink, voornoemd en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. I.A. Blom, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.

2. Overwegingen

2.1. Eiser heeft op 17 oktober 2003 bij verweerder in het kader van de Wvg een aanvraag ingediend ter verkrijging van een scootmobiel. Verweerder heeft naar aanleiding van deze aanvraag advies ingewonnen bij de GGD-arts, [arts 1]. Deze heeft eiser op het spreekuur van 5 maart 2004 gezien en op basis van anamnese en observatie van het looppatroon geconcludeerd dat vanwege de aard van de knieklachten in beweging blijven noodzakelijk en mogelijk is en dat het verstrekken van een scootmobiel antirevaliderend werkt. Hieraan heeft de GGD-arts nog toegevoegd dat ook vanwege de endocriene stoornis en de klachten in de onderbenen, gezien de aard hiervan, het noodzakelijk is in beweging te blijven om progressie te voorkomen. Tijdens de bezwaarprocedure is de GGD verzocht nader medisch advies uit te brengen, met name betrekking hebbend op de vraag welke beperkingen eiser ondervindt op de korte afstand. De GGD-arts, [arts 2], heeft op basis van dossierstudie en informatie van de huisarts van eiser geconcludeerd dat eiser de korte afstanden in redelijk tempo en ongestoord looppatroon kan overbruggen. Hieraan heeft [arts 2] toegevoegd dat het na onderzoek is gebleken dat het voor eiser medisch wenselijk is actief te blijven lopen, omdat beweging en enige inspanning goed is voor zijn algemeen welbevinden en de aangevraagde voorziening antirevaliderende werking heeft.

2.2. Verweerder heeft het besluit gebaseerd op het standpunt dat het verstrekken van een scootmobiel niet geïndiceerd is omdat dit een antirevaliderende werking heeft en op het bepaalde in artikel 1.2, eerste lid, onder b, Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Zaanstad (VVG), waarin is vastgelegd dat een voorziening slechts kan worden toegekend voorzover deze langdurig noodzakelijk is om diens belemmeringen op het gebied van het wonen of het zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te heffen of te verminderen.

2.3. Eiser heeft gesteld dat een scootmobiel voor hem juist noodzakelijk is om mobiel te blijven. Hij heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Voorts is namens hem aangevoerd dat hij onder behandeling is geweest bij de orthopeed en dat verdere behandeling niet meer mogelijk is. Bij eiser is sprake van een slijtageproces en hij is voorts bekend met suikerziekte. Door de aandoening aan zijn knieën is hij nauwelijks nog mobiel, aldus eiser.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4. Het bestreden besluit berust op de adviezen die aan verweerder zijn uitgebracht door GGD-artsen. Eiser betwist de juistheid van deze adviezen. In dat geval dient de rechtbank te beoordelen of verweerder deze adviezen heeft kunnen gebruiken dat wil zeggen zich er voldoende van heeft vergewist dat deze zorgvuldig tot stand zijn gekomen (artikel 3:9 Awb). Voorts dient de rechtbank te beoordelen en of er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de adviezen.

2.5. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer CRvB 22 december 1998, JABW 1999/20) eist het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, inhoudende dat een besluit met de nodige zorgvuldigheid dient te worden voorbereid en tot stand gebracht, van het bestuursorgaan dat met besluitvorming is belast in de eerste plaats, dat een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar de feiten en omstandigheden die voor het te nemen besluit de grondslag vormen. Indien, zoals in het onderhavige geval, voor het vaststellen van die feiten mede gebruik moet worden gemaakt van deskundigheid waarover het bestuursorgaan niet zelf beschikt, kan gebruik worden gemaakt van advisering door daartoe door het bestuursorgaan in te schakelen deskundige adviseurs. Het ligt dan echter op de weg van het bestuursorgaan dat van zodanige adviezen gebruik maakt, zich ervan te vergewissen dat die adviezen voldoen aan de eisen die uit een oogpunt van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf moeten worden gesteld. Om die reden kan van een deugdelijke advisering die het bestuursorgaan de mogelijkheid biedt daarop af te gaan slechts sprake zijn, indien uit die adviezen ten minste blijkt op basis van welke gegevens deze zijn tot stand gebracht en welke procedure bij het tot stand brengen van die adviezen is gevolgd.

2.6. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, Wvg moet onder gehandicapte worden verstaan: een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt op het gebied van het wonen of van het zich binnen of buiten de woning verplaatsen.

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, Wvg omschrijft vervoersvoorziening als een "voorziening die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het vervoer buitenshuis ondervindt". Volgens vaste jurisprudentie kan slechts aanspraak bestaan op een vervoersvoorziening, als hier bedoeld, wanneer gezegd moet worden dat de belanghebbende daarop op medische gronden, naar objectieve maatstaf gemeten, is aangewezen (CRvB 8 mei 2002, JSV 2002/155).

2.7. In het kader van de Wvg dient derhalve te worden vastgesteld of sprake is van aantoonbare beperkingen (die het gevolg van ziekte of gebrek zijn). Wil verweerder een besluit met betrekking tot de verstrekking van een voorziening kunnen baseren op medische adviezen, dan zullen deze adviezen dus gericht dienen te zijn op de vaststelling van de beperkingen. De rechtbank vindt geen steun in de Wvg of de daarop gebaseerde Verordening, en evenmin in jurisprudentie dat de (vermeende) antirevaliderende werking van het verstrekken van een voorziening grond kan zijn voor het weigeren ervan. Naar het oordeel van de rechtbank is het in het kader van de Wvg dan ook niet aan het bestuursorgaan te bepalen of het verstrekken van een voorziening antirevaliderende werking heeft.

2.8. De rechtbank sluit niet uit dat dit aspect nimmer een rol kan spelen in de afweging of een voorziening dient te worden verstrekt, maar dat zal in beginsel slechts aan de orde zijn indien door het verstrekken van de voorziening een (mogelijke) behandeling wordt bemoeilijkt of wordt tegengewerkt, hetgeen moet blijken uit adviezen van de behandelende sector. In deze zaak blijkt dat niet, terwijl daar tegenover de huisarts van eiser heeft verklaard dat de verwachting is dat eiser met gebruik van een scootmobiel juist meer mobiel zou worden. De mening van de GGD-artsen dat het verstrekken van een scootmobiel antirevaliderend zou werken wordt door de behandelend sector niet gedeeld.

2.9. Het standpunt van verweerder dat de verstrekking van een scootmobiel antirevaliderend werkt kan, zoals hiervoor is overwogen, niet bepalend zijn voor de vraag of een voorziening dient te worden verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat, nu in de adviezen in onderhavige zaak dit standpunt steeds de doorslaggevende factor lijkt te zijn geweest, en de daarop gebaseerde conclusies door dit standpunt sterk zijn beïnvloed, op onvoldoende objectieve wijze de beperkingen van eiser zijn komen vast te staan. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het bestreden besluit niet heeft kunnen baseren op de medische adviezen.

2.10. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:9 en 7:12 Awb. De rechtbank acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling, zoals hierna bepaald.

3. Beslissing

De rechtbank

3.1. verklaart het beroep gegrond;

3.2. vernietigt het bestreden besluit;

3.3. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad in de door eiser gemaakte proceskosten tot een

bedrag van in totaal 322,--, welk bedrag de gemeente Zaanstad dient te betalen aan de griffier van de rechtbank;

3.4. gelast dat de gemeente Zaanstad het door eiser betaalde griffierecht van € 37,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Bosveld, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2005.

Afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.