Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AT6855

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-05-2005
Datum publicatie
07-06-2005
Zaaknummer
259901
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurprijzenwet Woonruimte. De inleidende dagvaarding is meer dan acht weken na verzending van de uitspraak van de huurcommissie betekend. Het per 1 augustus 2003 geldende artikel 7:262 BW -dat het oude artikel 27 HPW vervangt - heeft onmiddellijke werking, behalve voor reeds lopende procedures. In casu is daar geen sprake van omdat de huurcommissie onder het nieuwe recht een einduitspraak heeft gedaan en het beroep op de kantonrechter een nieuwe procedure is, ingeleid met een dagvaarding. De uitspraak van de huurcommissie moet derhalve na acht weken als tussen partijen overeengekomen worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

sector kanton, locatie Zaandam

zaak/rolnummer: 259901 / CV EXPL 04-7403

datum uitspraak: 12 mei 2005

Vonnis van de Kantonrechter te Zaandam in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: W.Th. Schoonebeek,

tegen

de besloten vennootschap VAN MOURIK’S HUIZEN-MAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Woerden,

gedaagde,

gemachtigde: F. Schut.

De verdere loop van het geding:

Ter uitvoering van het tussenvonnis van 20 januari 2005 heeft een comparitie na antwoord plaatsgevonden. Beide partijen hebben vervolgens nog schriftelijk gereageerd. Het vonnis is bepaald op heden.

De vaststaande feiten:

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende weersproken, deels gestaafd door de overgelegde produkties, het volgende vast:

Eiseres huurt van gedaagde de woonruimte gelegen aan de [adres+woonplaats].

In verband met gebreken aan de woning heeft eiseres op de voet van het bepaalde in (het oude) artikel 18, lid 1 van de Huurprijzenwet Woonruimte (HPW), na schriftelijke aanzegging van gedaagde de genoemde gebreken op te heffen, de huurcommissie verzocht uitspraak te doen over de redelijkheid van de huurprijs, gelet op de ernst waarin de gebreken het woon-genot schaden. De huurcommissie heeft uiteindelijk op 24 juni 2004 uitspraak gedaan en daarbij onder meer bevonden dat de in de uitspraak vermelde gebreken een tijdelijke huurverlaging toestaan tot 82,50 % van de maximale huurprijs, dat de huurprijs van € 520,657 per

1 juli 2002 wordt bevroren en dat, als de genoemde gebreken alle zijn opgeheven, het be-vroren zijn van de huurprijs is opgeheven, ingaande de 1e van de maand volgende op de maand van het herstel van de gebreken.

Partijen is door de huurcommissie verder aangezegd dat zij wettelijk worden geacht te zijn overeengekomen wat in deze uitspraak is vastgesteld, tenzij een van hen binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een beslissing van de rechter heeft gevorderd over het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht. De uitspraak is op 22 oktober 2004 verzonden.

Beoordeling van het geschil:

De Kantonrechter is van oordeel dat de vordering van eiseres moet worden afgewezen.

De huurcommissie heeft haar uitspraak zoals gezegd verzonden op 22 oktober 2004. De dagvaarding die dit geding heeft ingeleid is op 21 december 2004 aan gedaagde betekend, dus méér dan acht weken na verzending van de uitspraak van de huurcommissie. Zo lang de ter-mijn van acht weken niet is verstreken zijn partijen nog niet aan de uitspraak gebonden. Dit betekent dat, nu de rechter niet binnen deze termijn om een beslissing is gevraagd, per 17 december 2004 de uitspraak van de huurcommissie als tussen partijen overeengekomen moet worden beschouwd en partijen dus bindt.

Voorzover eiseres meende dat de in de oude HPW genoemde termijn van twee maanden nog zou gelden is dit niet juist. Het nieuwe per 1 augustus 2003 geldende artikel 7:262 BW, dat het oude artikel 27 HPW vervangt, heeft onmiddellijke werking, behalve voor reeds lopende procedures. Van een lopende procedure is geen sprake, omdat de huurcommissie onder het nieuwe recht een einduitspraak heeft gedaan en het beroep op de Kantonrechter een nieuwe procedure is, ingeleid met een dagvaarding. Het nieuwe recht en dus ook de nieuwe termijn is daar op van toepassing, hetgeen ook de huurcommissie juist heeft weergegeven.

De vordering van eiseres strekt tot vaststelling van een andere huurprijs dan die welke in de uitspraak van de huurcommissie is vermeld. Zoals hierboven al uiteengezet geldt de door de huurcommissie vastgestelde huurprijs tussen partijen en kan geen andere huurprijs meer door de rechter worden vastgesteld over de periode die al bij de huurcommissie aan de orde was. De vordering van eiseres mist dan ook voldoende grondslag en is dus niet toewijsbaar.

De Kantonrechter merkt ten overvloede nog op dat, in het geval de door de huurcommissie vastgestelde huurprijs wel kon worden getoetst, de door eiseres gewenste verlaging van de huurprijs niet zonder meer (ongeveer) gelijke tred zou kunnen houden met die van haar buren, omdat in de zaak van de buren door de huurcommissie rekening is gehouden met het nulpunt C sub T-10 (de afwerklaag van de galerijvloer), terwijl eiseres dit gebrek niet noemt in haar verzoek om een uitspraak van de huurcommissie over een huurverlaging. Ook kan niet worden vastgesteld dat eiseres gedaagde tevoren schriftelijk heeft aangezegd dit gebrek te verhelpen of dat dit gebrek van zodanige aard was dat dit ook zonder aanzegging aan gedaagde bekend moest zijn. De huurcommissie kon dus toch al niet over dit eventuele nulpunt oordelen. Daaraan doet niet af dat dit gebrek een rol heeft gespeeld bij een procedure rond een periodieke huurverhoging. Het gaat nu om een (forse) huurverlaging, waarbij ook andere criteria gelden.

De Kantonrechter komt tot de slotsom dat de vordering van eiseres niet kan slagen. Dat geldt ook voor het onderdeel van de vordering strekkende tot terugbetaling van teveel betaalde huur. Voorzover dat in de onderhavige procedure past (het gaat alleen om een beoordeling van de hoogte van de huurprijs na een uitspraak van de huurcommissie) zijn daarvoor te weinig concrete gegevens beschikbaar. Bovendien zou een procestechnisch probleem ontstaan: tegen een beslissing over de huurprijs is geen hogere voorziening toegelaten, tegen een veroordeling tot (terug)betaling van huurpenningen in beginsel wel, omdat dit een andersoortige procedure betreft.

Eiseres dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze worden voor wat betreft gedaagde op nihil gesteld, omdat zij hebben kunnen volstaan met verwijzing naar de uitspraak van de huurcommissie.

Beslissing

De Kantonrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt eiseres in de kosten van het geding, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr A.E. Patijn, Kantonrechter, en ter openbare terechtzitting van

12 mei 2005 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.