Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AT6310

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-05-2005
Datum publicatie
27-05-2005
Zaaknummer
04-1885
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het bouwplan voor de realisering van een ondergrondse bewonersparkeergarage op de locatie Oude Zijlvest / Vestestraat / Gedempte Voldersgracht is in overeenstemming met het Stadsvernieuwingsplan “Oude Stad”. Het beroep is ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

reg. nr: Awb 04 - 1885

uitspraakdatum: 26 mei 2005

RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht

meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de zaak van:

Stichting De Hoeksteen,

gevestigd te Haarlem,

eiseres,

gemachtigde: mr. Ch.Y.M. Moons, advocaat te Amsterdam,

-- tegen --

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder,

gemachtigde: mr. B.C. Romijn, advocaat te Haarlem,

derde partij

besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 'MAB B.V.',

gevestigd te Den Haag,

gemachtigde: mr. M.H.J. van Driel, advocaat te Amsterdam.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 19 november 2003, verzonden 24 november 2003, heeft verweerder bouwvergunning verleend aan MAB B.V. voor het bouwen van een ondergrondse parkeergarage op de locatie Oude Zijlvest / Vestestraat / Gedempte Voldersgracht.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 2 januari 2004, aangevuld bij brief van 31 maart 2004, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 september 2004, verzonden 30 september 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard, het bestreden besluit gehandhaafd en dit besluit mede gebaseerd op de overwegingen vervat in het advies van 14 april 2004 van de commissie beroep en bezwaarschriften. Voorts heeft verweerder besloten eiseres niet de kosten te vergoeden die zij heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 10 november 2004, aangevuld bij brief van 16 december 2004, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 april 2005, alwaar namens Stichting De Hoeksteen is verschenen, M.J. Rietvink, vice-voorzitter. Namens verweerder is mr. B.C. Romijn, gemachtigde, verschenen.

Namens de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 'MAB B.V.' (hierna MAB) is mr. M.H.J. van Driel, gemachtigde, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge de artikelen 7:1 en 8:1 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar en beroep instellen. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres - anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd - als direct belanghebbende moet worden aangemerkt op grond van haar (statutaire) doelstelling, waarbij de feitelijke activiteiten van eiseres voldoende aanleiding geven om aan te nemen dat deze brede doelstelling ook daadwerkelijk door haar wordt nagestreefd.

2.2. Het bouwplan betreft de realisering van een ondergrondse parkeergarage van twee verdiepingen ten behoeve van de bewoners van de nog te realiseren appartementen in het voormalige HBS-B gebouw aan de Vestestraat / Gedempte Voldersgracht.

2.3. In het primaire besluit heeft verweerder zich bij de verlening van de bouwvergunning gebaseerd op het Uitwerkingsplan "Raaks". In de beslissing op bezwaar heeft verweerder zich gebaseerd op het stadvernieuwingsplan "Oude Stad".

Ingevolge het ter plaatse geldende Stadsvernieuwingsplan "Oude Stad" heeft de grond waarop het bouwplan is geprojecteerd de bestemming "Uitwerkingsgebied Centrum voorzieningen (UC II)".

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor woningen, kantoren, bedrijven, gebouwen ten behoeve van maatschappelijke doeleinden, uitgaansfuncties zoals discotheek, horeca, bioscoop, familie-entertainment, etc., gebouwde (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bijgebouwen, erven, tuinen, wegen, paden, parkeer- en groenvoorzieningen, andere bouwwerken en nuts- en andere voorzieningen welke naar hun aard bij deze bestemming behoren.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de planvoorschriften is bepaald dat burgemeester en wethouders de in lid 1 omschreven bovengrondse bestemming, in het geheel, dan wel gefaseerd, uitwerken overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de wet en met inachtneming -van de volgende bepalingen: (...).

Ingevolge artikel 10, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften mogen de in lid 1 bedoeld gronden slechts worden bebouwd overeenkomstig een door burgemeester en wethouders vast te stellen uitwerkingsplan als bedoeld in lid 2.

2.4. Verweerder heeft bij besluit van 2 september 2003 het Uitwerkingsplan "Raaks" vastgesteld. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland heeft bij besluit van 7 oktober 2003 bovengenoemd uitwerkingsplan goedgekeurd.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 19 januari 2005 (registratienummer LJN AS3197 te vinden op www.rechtspraak.nl) het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten gedeeltelijk vernietigd en gelet hierop gedeeltelijk goedkeuring onthouden aan voornoemd uitwerkingsplan.

2.5. De stelling van eiseres dat niet is beslist op de bouwaanvraag van MAB, omdat daarin tevens parkeervoorzieningen op maaiveldniveau zijn begrepen, is niet juist. Voor die voorzieningen is immers een afzonderlijke aanvraag om een "tijdelijke bouwvergunning" ingediend, welke door verweerder bij afzonderlijk besluit van 14 september 2004 is verleend. Dat het bouwplan waarop deze afzonderlijke aanvraag betrekking heeft, aanvankelijk een onderdeel vormde van de aanvraag voor het in het geding zijnde bouwplan voor de ondergrondse parkeergarage, doet daaraan niet af en levert evenmin een grond op voor het oordeel dat eiseres, zoals zij heeft betoogd, ten onrechte niet opnieuw is gehoord.

Voorts is onjuist het betoog van eiseres dat verweerder de beide bouwaanvragen ten onrechte niet als één geheel heeft behandeld en beoordeeld. De bouwplannen hangen immers naar het oordeel van de rechtbank niet op een zodanige wijze met elkaar samen dat zij niet los van elkaar, doch slechts als één geheel konden worden beoordeeld.

Dat - zoals verweerder ter zitting heeft betoogd - bovenvermelde beroepsgronden niet bij de beoordeling van het bestreden besluit mogen worden betrokken omdat zij niet in bezwaar naar voren zijn gebracht, is niet juist. De wet, noch de goede procesorde verzet zich daartegen.

2.6. Eiseres betoogt dat de bouwvergunning ten onrechte is gebaseerd op het Stadsvernieuwingsplan "Oude Stad". Zij stelt dat voor de betreffende gronden wegens de daaraan toegekende bestemming de verplichting geldt een uitwerkingsplan vast te stellen ongeacht of het gaat om ondergrondse of bovengrondse bouw. Zij stelt tevens dat het in artikel 10, vierde lid, onder a, van het Stadsvernieuwingsplan "Oude Stad" opgenomen bouwverbod in de weg stond aan het verlenen van de bestreden bouwvergunning.

2.7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bouwplan terecht uitsluitend heeft getoetst aan het Stadsvernieuwingsplan "Oude Stad" en niet aan het uitwerkingsplan "Raaks". Het betreffende bouwplan voorziet uitsluitend in ondergrondse bouw. Artikel 10, tweede lid, van het Stadsvernieuwingsplan "Oude Stad" kan - anders dan eiseres betoogt - niet anders gelezen worden dan dat de verplichting om bestemmingen uit te werken uitsluitend geldt voor bovengrondse bestemmingen.

Het Uitwerkingsplan "Raaks" speelt derhalve geen rol bij de toetsing van de bestreden bouwvergunning. De gronden van eiseres die op dat plan betrekking hebben, behoeven derhalve geen bespreking.

Nu de uitwerkingsverplichting voor het onderhavige bouwplan niet geldt, is er ook geen sprake van een bouwverbod als bedoeld in artikel 10, vierde lid onder a, van het Stadsvernieuwingsplan "Oude Stad". Aangezien het bestreden bouwplan tevens valt onder de in artikel 10, eerste lid, van het Stadsvernieuwingsplan "Oude Stad" opgesomde bestemmingen - hetgeen ook niet wordt bestreden -, is er geen grond voor het oordeel dat het bouwplan niet in overeenstemming is met voornoemd stadsvernieuwingsplan.

2.8. Het betoog van eiseres dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand treft evenmin doel. De rechtbank overweegt hiertoe dat er een positief welstandadvies is afgegeven. Bovendien kan, nu het bouwplan een ondergronds bouwwerk betreft, de relatie met de omgeving daarbij geen rol spelen. Nu voorts een goede onderbouwing van het betoog van eiseres ontbreekt, is er geen grond voor het oordeel dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

2.9. Gelet op het vorenoverwogene levert hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen weigeringsgrond op als bedoeld in artikel 44 Woningwet. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat verweerder verplicht was de bestreden bouwvergunning te verlenen. Het vorenstaande brengt met zich dat er geen ruimte is voor een belangenafweging door verweerder. Wat ook zij van de overige door eiseres aangevoerde gronden, zoals de ongewenste ontwikkeling in het betreffende gebied, alsook de mogelijke toepasselijkheid van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, deze vallen buiten het kader van artikel 44 Woningwet.

2.10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. M. Groverman en mr. A.P.W. Duijkersloot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2005.

Afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.