Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AT5426

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-04-2005
Datum publicatie
12-05-2005
Zaaknummer
108759/04
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vrouw stelt voorts dat er sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven, als bedoeld in artikel 401 lid 5 BW. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan dat de vrouw wel heeft gesteld maar niet heeft onderbouwd tot welke onderhoudsbijdrage de rechter zou hebben beslist en wat de omvang is van de vereiste wanverhouding tussen dat bedrag en de huidige overeengekomen alimentatie. Evenmin heeft de vrouw de rechtbank ervan kunnen overtuigen dat er sprake was van een onopzettelijk afwijken door partijen van de wettelijke maatstaven door onjuiste inzichten of gegevens. Integendeel, de vrouw stelt dat de man er wel van op de hoogte was en haar bewust heeft misleid. Een beroep op deze grond kan derhalve niet slagen.

De rechtbank zal het beroep van de vrouw ook beschouwen als een verzoek om de overeenkomst te vernietigen wegens wilsgebreken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Burgerlijk Wetboek Boek 1 159
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 228
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 44
Burgerlijk Wetboek Boek 3 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2005/70 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Zaaknummer : 108759/04

Datum beschikking : 26 april 2005

ER/FT

alimentatie

BESCHIKKING ENKELVOUDIGE KAMER VOOR FAMILIEZAKEN

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de vrouw,

procureur mr. M.J. Dekker,

-- tegen --

[naam man],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de man,

procureur mr. L. Laus.

1 De loop van het geding

Voor de loop van het geding verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- het op 27 december 2004 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift van de vrouw met bijlagen;

- het op 4 januari 2005 ingekomen verweerschrift van de man met bijlagen;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 28 februari 2005.

2 De feiten en omstandigheden

Uit de stukken en bij het verhoor van partijen is onder meer het volgende gebleken.

2.1 Partijen zijn op 17 december 1968 met elkaar gehuwd, welk huwelijk is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van het echtscheidingsvonnis van deze rechtbank d.d. 2 juni 1992.

Bij dit vonnis is bepaald dat de man ƒ 3.000,- per maand dient te betalen als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw.

2.2 Bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 7 juni 1993 is voornoemd vonnis vernietigd en is de uitkering tot levensonderhoud bepaald op ƒ 3.300,- per maand.

2.3 Bij tussenbeschikking van deze rechtbank d.d. 6 juni 1994 is de uitkering tot levensonderhoud bepaald op ƒ 750,- per maand en bij tussenbeschikking d.d. 29 juli 1994 op ƒ 1.250,- per maand.

2.4 Bij beschikking d.d. 11 juli 1995 is de uitkering, conform een door partijen op

8 februari 1995 gesloten convenant, met ingang van 1 maart 1995 tot de datum waarop de vrouw 65 jaar wordt gesteld op ƒ 1.700,- (€ 770,-) per maand. In voornoemd convenant is tevens bepaald dat de uitkering tot levensonderhoud niet voor wijziging vatbaar is en niet onderhevig zal zijn aan de van rechtswege geldende indexeringen.

2.5 Bij beschikking d.d. 3 november 1998 is een verzoek van de vrouw tot wijziging van de uitkering tot levensonderhoud afgewezen.

3 Het verzoek

3.1 De vrouw verzoekt voornoemde beschikking van de rechtbank d.d. 11 juli 1995, waarin de overeenkomst tussen partijen is opgenomen, te wijzigen en te bepalen dat de man vanaf 11 juli 1995 alsnog aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud dient te betalen van € 1.500,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel te bepalen dat de man, ook nadat de vrouw de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt gehouden zal zijn aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud te betalen van € 1.500,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel een zodanig bedrag en vanaf zodanige datum zoals in goede justitie door de rechtbank zal worden bepaald.

3.2 De vrouw voert daartoe aan dat de overeenkomst destijds is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven en het feit dat de overeenkomst door wijziging van omstandigheden nu niet en waarschijnlijk in het verleden nimmer aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. De vrouw voert voorts aan dat zij destijds te goeder trouw heeft ingestemd met de overeenkomst omdat zij het verhaal van de man geloofde dat hij buiten zijn schuld om op staande voet was ontslagen, maar dat haar pas later bleek dat het ontslag van de man aan zijn schuld te wijten was en dat de inkomensdaling ten gevolge daarvan ook voor risico van de man was. De vrouw stelt dat zij destijds misleid is en dat er sprake is van dwaling.

De vrouw voert met betrekking tot de gewijzigde omstandigheden aan dat de man in 2000 een besloten vennootschap heeft opgericht, waarvan hij enig aandeelhouder is. De man leeft volgens haar nog steeds in grote welstand leeft, terwijl zij zelf eigenlijk al vanaf 1992 in arren moede leeft, op dit moment onder bijstandsniveau.

4 Het verweer

De man heeft het verzoek gemotiveerd bestreden.

Hij stelt dat de vrouw niets nieuws heeft aangevoerd. Zij kan zich niet beroepen op een wijziging van omstandigheden noch op het gestelde in artikel 1:159 lid 3 BW.

De man wijst erop dat de overeenkomst destijds is gesloten in aanwezigheid van een sociaal raadsvrouwe aan de zijde van de vrouw en dat de vrouw voorts werd bijstaan door een advocaat, die de rechtbank heeft verzocht het convenant op te nemen in de beschikking. De vrouw was volgens de man destijds al op de hoogte van de reden van zijn ontslag. De man betwist dat de vrouw is misleid, bedrogen dan wel dat zij heeft gedwaald althans dat zij de overeenkomst is aangegaan onder invloed van een wilsgebrek.

5 Beoordeling van het verzoek

5.1 Ingevolge artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Voorts kan op grond van artikel 1:401 lid 5 BW een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Hiermee is bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen.

5.2 Uit hoofde van het bepaalde in art. 1:159 BW kunnen partijen die een alimentatie-overeenkomst met elkaar sluiten de werking van artikel 1:401 lid 1 uitsluiten. Is er echter sprake van een wanverhouding tussen hetgeen partijen met het sluiten van de overeenkomst hebben beoogd en hetgeen zich vervolgens heeft voorgedaan dan kan op grond van artikel 1:159 lid 3 het niet-wijzigingsbeding opzij worden gezet. Het moet dan wel gaan om een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker tot wijziging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden. Er gelden hier strenge eisen voor de stelplicht van de verzoeker.

Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen door de vrouw is gesteld en aangevoerd om haar verzoek voor toewijzing in aanmerking te doen komen, onvoldoende en dient het verzoek voor zover op deze grond gebaseerd te worden afgewezen. De vrouw heeft immers niet gesteld noch onderbouwd dat er voldaan is aan het criterium van artikel 159 lid 3, terwijl vaststaat dat partijen schriftelijk een niet-wijzigingsbeding zijn overeengekomen.

5.3 De vrouw stelt voorts dat er sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven, als bedoeld in artikel 401 lid 5 BW. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan dat de vrouw wel heeft gesteld maar niet heeft onderbouwd tot welke onderhoudsbijdrage de rechter zou hebben beslist en wat de omvang is van de vereiste wanverhouding tussen dat bedrag en de huidige overeengekomen alimentatie. Evenmin heeft de vrouw de rechtbank ervan kunnen overtuigen dat er sprake was van een onopzettelijk afwijken door partijen van de wettelijke maatstaven door onjuiste inzichten of gegevens. Integendeel, de vrouw stelt dat de man er wel van op de hoogte was en haar bewust heeft misleid. Een beroep op deze grond kan derhalve niet slagen.

5.4 De rechtbank zal het beroep van de vrouw ook beschouwen als een verzoek om de overeenkomst te vernietigen wegens wilsgebreken. De rechtbank zal hierna ingaan op het door de vrouw aangevoerde.

De vrouw stelt dat zij pas in april van het jaar 2000 kennis heeft genomen van de werkelijke reden van het ontslag van de man destijds, namelijk dat hij valsheid in geschrifte zou hebben gepleegd. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij destijds ten tijde van het aangaan en ondertekenen van de overeenkomst niet omtrent de ware reden van het ontslag van de man is geïnformeerd. Haar was te kennen gegeven dat de man op staande voet was ontslagen, voorlopig van een WW-uitkering moest leven en zou proberen een nieuwe zaak op te starten. De vrouw is van mening dat de overeenkomst is gesloten op een onjuiste voorstelling van zaken.

De man betwist dat de vrouw niet op de hoogte was van de reden van zijn ontslag en dat hij geen open kaart heeft gespeeld. Daarbij heeft de vrouw volgens hem tijdens de echtscheidingsprocedure meermalen contact gehad met zijn opvolger bij de onderneming. Voorts voert de man aan dat de vrouw destijds ook werd bijgestaan door een advocaat.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat

de overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling, maar zou hiervan al sprake zijn, dan dient het beroep van de wederpartij op verjaring van de vordering te worden gehonoreerd. Daartoe dient het volgende.

De vrouw stelt zelf in 2000 te hebben vernomen dat de ontslaggrond van de man een andere was dan waarvan zij bij het sluiten van de overeenkomst was uitgegaan. De man stelt overigens dat de vrouw al van den beginnne af aan op de hoogte was daarvan. Wat daar ook van zij, de wettelijke verjaringstermijn ten aanzien van het instellen van een rechtsvordering tot vernietiging van de gesloten overeenkomst is ingevolge het bepaalde in artikel 3: 52 lid 1c BW drie jaar nadat de dwaling is ontdekt.

De vrouw is dus te laat met het inroepen van de vernietiging van de overeenkomst. Het verzoek van de vrouw, voor zover op deze grond gebaseerd, dient te worden afgewezen.

5.4 Voorts beroept de vrouw zich op het feit dat zij de overeenkomst is aangegaan waarbij zij is bedrogen door de man en er door hem misbruik is gemaakt van de omstandigheden. Met betrekking tot het laatste voert de vrouw aan dat zij toentertijd een moeilijke tijd doormaakte, geestelijk labiel was en om die reden ook werd bijgestaan door een maatschappelijk werkster.

Ingevolge artikel 3:44 lid 1 BW is een rechtshandeling vernietigbaar, wanneer zij door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen.

Bedrog is volgens lid 3 van dit artikel aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijke daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep. Misbruik van omstandigheden is volgens lid 4 van voornoemd artikel aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het totstandkomen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat er sprake was van bedrog of misbruik van omstandigheden. De vrouw heeft zich bij het sluiten van de overeenkomst laten bijstaan door een adviseuse en daarna ook door een advocaat. Dat de man zou hebben gezegd dat de alimentatie opnieuw zou worden bezien als zijn inkomen omhoog zou gaan wordt eveneens betwijfeld. Veeleer valt uit de gesloten overeenkomst op te maken dat de man en de vrouw hun onderlinge relatie definitief wilden regelen. Het is daarnaast ook bepaald niet zo dat de alimentatie dermate laag is vastgesteld dat het vermoeden rijst dat er misbruik gemaakt is van de situatie van de vrouw. Wat daar ook van zij, ook hier geldt de in artikel 3: 52 lid c en lid b genoemde verjaringstermijnen. De overeenkomst is derhalve onverminderd van kracht, zodat het beroep van de vrouw zowel ten aanzien van de hoogte van de alimentatie als ten aanzien van het eindigen daarvan op haar 65 jarige leeftijd dient te falen.

6 Beslissing

De rechtbank:

Wijst de verzoeken van de vrouw af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. de Rooij en in het openbaar uit-gesproken ter terechtzitting van 26 april 2005, in tegenwoor-digheid van de griffier.