Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AT4428

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-02-2005
Datum publicatie
21-04-2005
Zaaknummer
15/094016-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Haarlem veroordeelt een verdachte tot achttien maanden gevangenisstraf met aftrek.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen ten behoeve van verlengde invoer en vervoer van cocaïne. Hierbij diende op Schiphol een koffer, waarvan men vermoedde dat daar cocaïne in zat, van een (vermeende) drugskoerier afhandig te worden gemaakt. Verdachte heeft met een andere mededader telefonisch contact onderhouden over het tijdstip waarop de (vermeende) drugskoerier op Schiphol zou landen en heeft tevens iemand benaderd voor het feitelijk uitvoeren van de zogeheten ripdeal. Deze mededader heeft hij ook naar Schiphol gebracht en daar hield verdachte eerstgenoemde mededader telefonisch op de hoogte over de gebeurtenissen met betrekking tot het afhandig maken van de koffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/094016-04

Uitspraakdatum: 10 februari 2005

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 augustus 2004, 25 januari 2005 en 27 januari 2005 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

PRIMAIR:

hij in of omstreeks 23 mei 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

- (telefonisch) heeft gesproken en/of afspraken heeft gemaakt met een of meer mededader(s) over het (moment van) aanspreken en/of benaderen en/of meenemen van (tevoren geidentificeerde) (een) (vermeende) drugskoerier(s) en/of het afnemen van de vermoedde aanwezige cocaine bij voornoemde drugskoerier(s) en/of

- zich heeft begeven naar Schiphol en/of

- voertuigen en personen ter beschikking heeft gehad voor het vervoer van voornoemde grondstoffen en/of

- een (aantal) perso(o)n(en) heeft aangesproken en/of

- getracht heeft een koffer van een (aantal) perso(o)n(en) af te pakken waarin de vermeende cocaine zich zou bevinden,

terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;

SUBSIDIAIR:

hij op of omstreeks 23 mei 2003 te Schiphol tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (te weten cocaine) voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat dat/die bestamd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

- (telefonisch) gesproken en/of afspraken gemaakt met een of meer mededader(s) over het (moment van) aanspreken en/of benaderen en/of meenemen van (een tevoren geidentificeerde) (een) (vermeende) drugskoerier en/of het afnemen van de in de koffer van de vermoedde voornoemde drugskoerier aanwezige cocaine en/of

- zich (met zijn mededader(s)) begeven naar Schiphol en/of

- voertuigen en personen ter beschikking gehad voor het verder vervoer van voornoemde middelen;

MEER SUBSIDIAIR:

hij op of omstreeks 23 mei 2003 te Schiphol ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de openbare weg met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening weg te nemen (een) koffer(s) (waarvan vermoed werd dat zich daarin drugs bevonden), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), voornoemde [slachtoffer] en/of anderen heeft benaderd en/of heeft aangesproken en/of heeft gezegd dat hij politieambtenaar was en/of heeft gezegd dat voornoemde [slachtoffer] en/of anderen mee moesten lopen en/of voornoemde [slachtoffer] en/of anderen heeft vastgepakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] en/of anderen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan (een) andere deelnemer(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte op dwingende toon heeft gezegd dat voornoemde [slachtoffer] en/of anderen mee moesten lopen en daarbij voornoemde [slachtoffer] en/of anderen aan de jas heeft getrokken.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder primair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat

hij op 23 mei 2003 te Schiphol tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten cocaïne, voor te bereiden en te bevorderen,

- zich en anderen gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en

- vervoermiddelen voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit,

hebbende verdachte en/of een van verdachtes mededaders

- telefonisch gesproken en/of afspraken gemaakt met een mededader over het benaderen van een tevoren geïdentificeerde (vermeende) drugskoerier en/of het afnemen van de in de koffer van de vermoedde voornoemde drugskoerier aanwezige cocaïne en/of

- zich met zijn mededader begeven naar Schiphol en/of

- voertuigen en personen ter beschikking gehad voor het verder vervoer van voornoemde middelen;

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsverweer

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte van de subsidiair tenlastegelegde voorbereidingshandelingen op de invoer van cocaïne moet worden vrijgesproken, om, kort samengevat, de volgende redenen:

1. omdat geen opzet op de (verlengde) invoer bestaat, daar geen samenwerking is bewezen tussen de daadwerkelijke invoerders (de rechtbank begrijpt: degenen die van elders het cocaïnetransport naar Nederland organiseerden) en degenen die deze cocaïne nadien afhandig wilden maken,

2. omdat niet bewezen kan worden dat verdachtes opzet gericht is geweest op cocaïne, en

3. omdat de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen ondeugdelijk zijn.

De rechtbank verwerpt deze verweren op de volgende gronden.

Ad 1.

Dit verweer wordt verworpen, omdat voor bewijs van opzet op verlengde invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet niet is vereist dat samenwerking wordt vastgesteld tussen degenen die van elders een cocaïnetransport naar Nederland organiseren en degenen die de reeds op Schiphol aangekomen cocaïne vervolgens afhandig willen maken.

Ad 2.

Dit verweer vindt zijn weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen.

Ad 3.

Dit verweer treft evenmin doel. Blijkens de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden was de intentie van verdachte en zijn mededaders erop gericht om cocaïne te vervoeren en verder Nederland binnen te brengen. In de voorstelling van verdachten had dit misdrijf waarop hun voorbereidings- en bevorderingshandelingen derhalve gericht waren, reeds concrete vormen aangenomen. De voorbereiding of bevordering van een misdrijf als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet is in artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet als zelfstandig delict strafbaar gesteld. Voor de verwezenlijking van dat delict is niet vereist dat daadwerkelijk cocaïne wordt aangetroffen. De omstandigheid dat zich in de desbetreffende koffer geen cocaïne bevond, ontneemt derhalve niet aan de voorbereidings- of bevorderingshandelingen hun zelfstandig strafbare karakter.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair:

medeplegen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10, voorbereiden en bevorderen door zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en vervoermiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen ten behoeve van verlengde invoer en vervoer van cocaïne. Hierbij diende op Schiphol een koffer, waarvan men vermoedde dat daar cocaïne in zat, van een (vermeende) drugskoerier afhandig te worden gemaakt. Verdachte heeft met een andere mededader telefonisch contact onderhouden over het tijdstip waarop de (vermeende) drugskoerier op Schiphol zou landen en heeft tevens iemand benaderd voor het feitelijk uitvoeren van de zogeheten ripdeal. Deze mededader heeft hij ook naar Schiphol gebracht en daar hield verdachte eerstgenoemde mededader telefonisch op de hoogte over de gebeurtenissen met betrekking tot het afhandig maken van de koffer.

Verdachte heeft willen bijdragen aan de instandhouding van de markt van verdovende middelen. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof waaraan gebruikers gemakkelijk verslaafd raken, met alle gevolgen voor de gebruikers en voor de maatschappij van dien, zoals het begaan van strafbare feiten die gepleegd worden om aan geld te komen voor de aanschaf van cocaïne.

De officier van justitie heeft het onder subsidiair tenlastegelegde feit bewezen geacht en de rechtbank gevorderd een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 3 jaar. Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf op zijn plaats is, doch de duur daarvan zal de rechtbank beperken, gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken door de rechtbank plegen te worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47 van het Wetboek van Strafrecht;

1 lid 4, 2, 10, 10a van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHTTIEN MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Sicking, voorzitter,

mrs. Tarlavski-Reurslag en Tel, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. De Vries en Lenssen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 februari 2005.