Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AT2572

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-03-2005
Datum publicatie
25-03-2005
Zaaknummer
15/035539-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft, om zijn eigen problemen op te lossen, een goede vriend om het leven gebracht. Daarna heeft hij een roofmoord in scène gezet. Na dit alles toonde hij zich samen met de nabestaanden en de andere vrienden van Erwin onthutst over de onbegrijpelijke moord in het café, hij troostte diens ouders en zus bij welke mensen hij kind aan huis was en was één van de initiatiefnemers voor de stille tocht die in Beverwijk, enkele dagen na de moord, voor slachtoffer werd gehouden.

De rol die verdachte speelde in de dagen na de moord levert de nabestaanden van slachtoffer uiterst pijnlijke herinneringen op, nog versterkt doordat verdachte te zien is op veel foto’s van de crematieplechtigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/035539-04

Uitspraakdatum: 25 maart 2005

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 maart 2005 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Noord Holland Noord – HvB Zwaag.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 10 juli 2004 te Beverwijk opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meermalen op die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat

hij op 10 juli 2004 te Beverwijk opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meermalen op die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Moord;

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sancties en van andere beslissingen

De officier van justitie heeft het tenlastegelegde feit bewezen geacht en een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van zestien jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Tevens heeft zij gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen voor zover deze betreft de kosten van de crematie en heeft zij de onttrekking aan het verkeer gevorderd van enkele onder verdachte in beslag genomen voorwerpen.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en met name uit de aldaar besproken rapportages, te weten

- de consultbrief van de Forensisch Psychiatrische Dienst Haarlem, op 3 augustus 2004 opgesteld door A.P. van der Woerdt, forensisch psychiater, en

- het op 28 december 2004 opgemaakte rapport van de Psychiatrische Observatiekliniek Pieter Baan Centrum, opgesteld door A.C. Bruijns, psychiater en vast gerechtelijk deskundige en F.A.M.M. Koenraadt, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige, is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte zou samen met vier vrienden op vakantie gaan naar Kreta. Hij zou een en ander regelen en incasseerde de reissom bij zijn vrienden. Buiten hun medeweten annuleerde hij de reis evenwel al enkele dagen na de boeking. Toen de dag van vertrek, 11 juli 2004, naderde, het geld inmiddels aan andere zaken was besteed en verdachte zijn vrienden nog steeds niet had verteld dat de reis niet door zou gaan, koos hij voor een dramatische uitweg: hij vatte het plan op een van deze vrienden om het leven te brengen, zodat de reis om díe reden geen doorgang kon vinden.

Van een bekende, die hij daartoe benaderde, kreeg hij een pistool met kogels geleverd en is daarmee op de bewuste avond naar café [café] in Beverwijk gegaan waar het slachtoffer, zoon van de café-eigenaar, werkte. Na sluitingstijd, toen verdachte met het slachtoffer was overgebleven, heeft hij – volgens plan – twee maal op zijn vriend [slachtoffer] geschoten als gevolg waarvan deze is overleden.

Koelbloedig en berekenend heeft hij de verdere stappen gezet: om zijn daad een roofmoord te laten lijken, heeft hij geld uit de kassa genomen; onderweg naar huis heeft hij het geld en het pistool – op afzonderlijke plaatsen – begraven om die voorwerpen later weer op te halen, het geld te besteden en het wapen weg te werken. Hij toonde zich samen met de nabestaanden en de andere vrienden van [slachtoffer] onthutst over de onbegrijpelijke moord in het café, hij troostte diens ouders en zus bij welke mensen hij kind aan huis was en was één van de initiatiefnemers voor de stille tocht die in Beverwijk, enkele dagen na de moord, voor [slachtoffer] werd gehouden.

De rol die verdachte speelde in de dagen na de moord levert de nabestaanden van [slachtoffer] uiterst pijnlijke herinneringen op, nog versterkt doordat verdachte te zien is op veel foto’s van de crematieplechtigheid.

De rechtbank rekent verdachte zwaar aan dat hij, om zijn eigen - zelf gecreëerde - problemen op te lossen en gezichtsverlies te voorkomen, ervoor heeft gekozen over het leven van [slachtoffer] te beschikken, terwijl deze hem als vriend juist vertrouwd moet hebben. Daardoor heeft verdachte het slachtoffer het meest fundamentele recht ontnomen waarover de mens beschikt, te weten het recht op leven. Hij is zich terdege bewust geweest van de ernst van het voorgenomen misdrijf en is niettemin, op een wijze die blijk geeft van een kil doorzettingsvermogen, tot het plegen daarvan overgegaan. Door het onnavoelbare motief heeft de moord ook buiten de kring van nabestaanden en de vriendenkring van het slachtoffer en verdachte veel beroering en ongeloof veroorzaakt. De rechtbank merkt hierbij op, dat verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting blijk heeft gegeven van een gegroeid besef omtrent de ongeoorloofdheid van zijn handelen en de gevolgen daarvan voor de naasten van [slachtoffer] en voor de maatschappij als geheel.

Verdachte is onderzocht in het Pieter Baan Centrum. In het over verdachte opgestelde rapport zoals door de deskundige Koenraadt ter terechtzitting toegelicht, komt naar voren dat verdachte een gladde prater is met een oppervlakkige charme. Emotionele diepgang ontbreekt. Hij heeft een sterke neiging zich groter voor te doen dan hij is. Hij liegt en bedriegt en vertoont manipulerend gedrag. Berouw en schuldgevoel zijn gebrekkig, evenals zijn vermogen zich in te leven in de ander. Gewetensfuncties zijn beperkt aanwezig. Hij vertoont onverantwoord gedrag en hij gaat eigen verantwoordelijkheden uit de weg, met een duidelijke neiging oplossingen voor gerezen problemen voor zich uit te schuiven. Deze profielschets valt onder de noemer van de psychopathie. Volgens het internationaal gehanteerde psychiatrische classificatiesysteem, DSM-IV, is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en ontwijkende trekken. Het narcistische aspect van zijn persoonlijkheidsstoornis is onderdeel van de eerder genoemde psychopathie.

Mede door zijn ontwijkende trekken en rigiditeit liet verdachte de ontmaskering van zijn bedrog met betrekking tot de vakantie op zich afkomen en had hij – meer dan een ander in deze situatie zou hebben – het gevoel dat hij geen kant op kon. Hij is zich echter voortdurend bewust geweest van de consequenties van zijn gedrag en heeft diverse, bewust beleefde, alternatieve mogelijkheden voorbij laten gaan. Het tenlastegelegde zelf, een geplande levensberoving, gaat bovendien veel verder dan wat zich door de stoornis van verdachte laat verklaren. Er is geen verdergaande stoornis – met name met betrekking tot de agressieregulatie – die zijn gedragsalternatieven beperkt.

De conclusie van de deskundigen van de psychiatrische observatiekliniek luidt, dat verdachte ten tijde van het plegen van het hem tenlastegelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid – overeenkomstig een dergelijk besef – te bepalen. Verdachte was ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, dat dit feit – indien bewezen – hem in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en houdt daarmee rekening bij het bepalen van de straf. De deskundigen hebben – gelet op hun hierboven weergegeven bevindingen – geen gronden gevonden te adviseren tot een behandeling van verdachte in een strafrechtelijk kader. De rechtbank, die zoals gezegd de conclusies van de deskundigen overneemt, ziet dus ook geen reden een dergelijke behandeling op te leggen.

Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf dan een die

vrijheidsbeneming van lange duur medebrengt, dient te worden opgelegd.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 77.586.20,- ingediend tegen

verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het tenlastegelegde feit zou hebben geleden. De rechtbank is van oordeel dat deze schade – voor zover betrekking hebbende op de uitvaartkosten – rechtstreeks voortvloeit uit dit bewezenverklaarde feit en – gelet op de onderbouwing daarvan en het verhandelde ter terechtzitting – tot een bedrag van € 8.830,08 redelijk en billijk voorkomt. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

Schadevergoedingsmaatregel

Tevens acht de rechtbank termen aanwezig om een schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 8.830,08.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen krant met daarin een plattegrond dient te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat met behulp van die plattegrond het feit is voorbereid. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met het algemeen belang.

Voor de door de officier van justitie gevorderde onttrekking aan het verkeer van het van het reisbureau afkomstige document en van de computerkast ziet de rechtbank geen aanknopingspunten in de wet.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 36b, 36c, 36f en 289;

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VEERTIEN JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij] geleden schade tot een bedrag van € 8.830,08 en veroor-deelt verdach-te tot betaling van dit bedrag aan [benadeelde partij], voornoemd, rekeningnummer [rekening], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroor-deelt verdachte in de kosten door de benadeel-de partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuit-voerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het meer of anders gevorderde.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 8.830,08, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 170 dagen hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- 1302 krant met daarin plattegrond;

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- 1078 AL 025 reisdocument (te weten een stuk van het reisbureau aangaande ongedaan maken boeking);

- 1301 schriftelijke bescheiden, agenda en adresboek;

- 1305 computerkast;

- leren jas;

- hemd;

- trui;

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Verpalen, voorzitter,

mrs. Terwiel-Kuneman en Kronenberg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Berben,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 maart 2005.