Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AT1753

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-03-2005
Datum publicatie
23-03-2005
Zaaknummer
104568 - HA ZA 04-1136
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal uit gemeentelijk museum van schilderij dat in bruikleen aan museum is gegeven. Bij inbruikleengeving heeft schatting van schilderij plaatsgevonden tussen eigenaar/bruikleengever en conservator van museum. Op welke schadeloosstelling heeft eigenaar/bruikleengever aanspraak: op taxatiebedrag aangegeven op ontvangstbewijs onder aanduiding "verzekeringswaarde" of op werkelijke waarde van schilderij ten tijde van diefstal?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknr/rolnr: 104568/HA ZA 04-1136

Vonnisdatum: 23 maart 2005

688

VONNIS VAN DE RECHTBANK TE HAARLEM,

ENKELVOUDIGE KAMER,

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

advocaat: mr. J.L.M. Fruytier te Amsterdam,

procureur: mr. K. Beishuizen,

--tegen--

de publiekrechtelijke rechtspersoon DE GEMEENTE HAARLEM,

zetelende te Haarlem,

gedaagde partij,

procureur: mr. H.K. Garvelink.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] respectievelijk de Gemeente.

1. De verdere loop van het geding

Voor de verdere loop van het geding verwijst de rechtbank naar de volgende zich in het griffiedossier bevindende gedingstukken, waarop vonnis is gevraagd:

? het op 6 oktober 2004 gewezen tussenvonnis met inbegrip van de daarin genoemde gedingstukken;

? het proces-verbaal van (ambtshalve) comparitie van partijen d.d. 16 december 2004.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweersproken inhoud van overgelegde producties, staat in dit geding het volgende vast:

a. [eiser] is eigenaar van een tweetal schilderijen, te weten “De Kwakzalver” van Jan Steen (hierna: het Schilderij) en “Groentemarkt” van Salomon Rombouts;

b. op 26 augustus 1993 heeft het Frans Hals Museum te Haarlem (hierna: het Museum) beide voornoemde schilderijen in langdurige bruikleen genomen tegen afgifte van een daartoe door [eiser] en het Museum ondertekend ontvangstbewijs (hierna: het ontvangstbewijs);

c. het ontvangstbewijs bepaalt:

volgnr. naam kunstenaar aard of materiaal titel of omschrijving verzekeringswaarde

1 JAN STEEN o/p De Kwakzalver ƒ 1.000.000,--

2 SALOMON ROMBOUTS o/p Groentemarkt ƒ 100.000,--

d. voornoemde bedragen zijn de uitkomt van overleg met de conservator oude kunst van het Museum, dr. P Biesboer;

e. op de achterzijde van het ontvangstbewijs zijn algemene voorwaarden (hierna: AV) afgedrukt, die bepalen:

1 De voorwerpen zullen tot genoegen van bruikleengever door de bruikleennemer zijn verze-

kerd op “all-risk”-polis, “van spijker tot spijker”, zijnde gedurende het transport heen en te

rug en het verblijf op de tentoonstelling.

2. De voorwerpen worden verzekerd volgens de waarde, welke door de bruikleengever is op-

gegeven, onder voorwaarde dat bruikleennemer op grond van het door hem ingestelde onder

zoek naar de waarde van de voorwerpen geconstateerd heeft dat de door bruikleengever ge-

noemde bedragen reëel zijn.

3. Indien aan (één van) de voorwerpen schade is opgetreden, zal de omvang daarvan bindend

worden vastgesteld door een onafhankelijke beëdigd taxateur, met voor de bruikleengever

het recht een contra-expertise te laten uitvoeren.

4. De bepalingen van bruiklening, opgenomen in de artikelen 1777 tot en met 1790 B.W. zijn

van toepassing op de bruikleenovereenkomst, voorzover hiervan middel het bovenstaande

niet is afgeweken.

f. op 29 maart 2001 zijn voornoemde bedragen op verzoek van [eiser] verhoogd, voor wat betreft het Schilderij tot een bedrag van ƒ 3.000.000,--;

g. op 24 maart 2002 zijn 5 doeken uit het Museum gestolen, waaronder het Schilderij;

h. het Museum was ten tijde van de diefstal verzekerd op basis van een zogenaamde Verzekering van Kunst en Antiek met polisnummer [x] (hierna: de verzekeringsovereenkomst);

i. bij brief van 27 maart 2002 heeft de directeur van het Museum, de heer K. Schampers, [eiser] over de diefstal geïnformeerd en onder meer geschreven:

Wij hebben de verzekeraars, AON Artscope, van de diefstal op de hoogte gesteld. Zij hebben bevestigd dat uw schilderij verzekerd is, en wel voor een bedrag van ? 1.361.340,65 (ƒ 3.000.000). (…) Wij nemen aan dat verzekeraars de verzekerde waarde van het schilderij zullen vergoeden indien het schilderij niet teruggevonden wordt.

j. bij brief van 30 januari 2003 heeft de verzekeringsmakelaar, Aon Artscope Nederland (hierna “Aon”), [eiser] namens verzekeraars het navolgende bericht:

(…)

De schade-expert heeft een drietal deskundigen op dit terrein gevraagd dit werk te waarderen. Het resultaat daarvan:

? Noortman te Maastricht : € 455.000,00

? Schlichte Bergente Amsterdam : € 680.000,00

? Hoogsteder te Den Haag : € 350.000,00

(…)

Na ampele besprekingen bleken zij evenwel bereid om de schade definitief (tegen finale kwijting) af te wikkelen op basis van het gemiddelde van de genoemde bedragen te weten EUR 495.000,00. Ons inziens, gezien de hiervoor genoemde waarderingen, een alleszins redelijk aanbod.

Als u evenwel hiervan geen gebruik wenst te maken en door middel van het inschakelen van een contra-expert (zie hierna, punt 2) een hogere vergoeding zou willen bereiken trekken verzekeraars dit aanbod in en stellen zij zich op het standpunt dat zij niet verder gehouden zijn dan het vergoeden van het laagste van de voornoemde bedragen (EUR 350.000).

k. het Museum is een afdeling van de sector Maatschappelijke Ontwikkeling van de Gemeente;

l. op 5 november 2004 heeft [eiser] van verzekeraars een voorschot van € 350.000,- ontvangen.

3. De vordering

[eiser] vordert de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de Gemeente zal veroordelen tot betaling van € 1.559.105,01 vermeerderd met wettelijke rente vanaf datum van dagvaarding tot aan de dag van betaling alsmede tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten tot een beloop van € 5.536,-- en tot betaling van de kosten van het geding.

4. Het verweer

De Gemeente heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

5. Beoordeling van het geschil

In de kern spitst het geschil tussen partijen zich toe tot de vraag of de in het ontvangstbewijs vermelde “verzekeringswaarde” en nadien verhoogd tot ƒ 3 miljoen, zoals door [eiser] aangevoerd, aldus moet worden uitgelegd dat het Museum zich tegenover [eiser] heeft verbonden om in geval van diefstal van het Schilderij een bedrag van ƒ 3 miljoen uit te keren dan wel dat, zoals de Gemeente heeft aangevoerd, het Museum gehouden is tot vergoeding van de waarde van het Schilderij ten tijde van de diefstal, zijnde in haar optiek een lager bedrag gelet op de door verzekeraars ingewonnen taxatierapporten. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Als meest vergaande stelling heeft [eiser] aangevoerd dat het Museum gehouden zou zijn om hem een bedrag van ƒ 3 miljoen te vergoeden, omdat sprake is van een vaste taxatie in de zin van art. 275 WvK. Die stellingname is naar het oordeel van de rechtbank niet juist, omdat (1) [eiser] zijn vordering baseert op de met het Museum gesloten overeenkomst, zijnde een bruikleenovereenkomst, (2) art. 275 WvK specifiek is toegesneden op verzekeringsovereenkomsten en (3) [eiser] zich (terecht) op het standpunt stelt geen partij te zijn bij de door de Gemeente afgesloten verzekeringsovereenkomst.

Voorts heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat hem een bedrag van ƒ 3 miljoen zou worden uitgekeerd in geval van diefstal van het Schilderij. Daaraan heeft hij onder meer een beroep op het ontvangstbewijs en de daarop toepasselijke voorwaarden ten grondslag gelegd mede in relatie tot de wijze waarop de op het ontvangstbewijs vermelde waarde van het Schilderij in 2001 is opgetrokken naar ƒ 3 miljoen. Tot de bepalingen die volgens art. 4 AV “behoudens afwijking” op de bruikleenovereenkomst toepassing vinden, behoort art. 7A:1783 BW. Volgens die bepaling komt verlies van een in bruikleen gegeven zaak ten laste van de bruikleengever als partijen bij de totstandkoming van de overeenkomst de waarde van het geleende hebben geschat. De Gemeente heeft tegen toepasselijkheid van art. 7A:1783 BW verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat in art. 2 AV de in art. 4 AV bedoelde “afwijking” besloten ligt, zodat art. 7A:1783 BW niet toepasselijk is. Die stellingname kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gevolgd. Immers, in art. 2 AV ligt de verplichting van het Museum besloten om voor eigen rekening een verzekering af te sluiten voor het bruikleenstuk en bevat een procedure tot dat specifieke doel. Dat doel laat de meer algemene risicoregeling van art. 7A:1783 BW in geval van verlies van een bruikleenstuk onverlet. Derhalve vindt art. 7A:1783 BW onverkort toepassing op de onderhavige bruikleenovereenkomst.

Bij de uitleg van art 2 AV tegen de achtergrond van art. 7A:1783 BW stelt de rechtbank voorop dat het juist ten aanzien van zaken die geen vaste prijs hebben, zoals kunstwerken, van belang is om deze bij de inbruikleengeving, wanneer de betreffende zaak bovendien voor waardebepaling beschikbaar is, te taxeren. Aldus weten beide partijen waaraan zij toe zijn in geval van verlies van de zaak gedurende de tijd dat de zaak aan de zorg van de bruikleennemer is toevertrouwd. Met dat belang had het Museum bij het opstellen van het ontvangstbewijs en de daarbij behorende voorwaarden, zeker in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van bruikleen om niet en een professioneel handelende partij als het Museum tegenover een niet-professioneel handelende bruikleengever als [eiser], rekening moeten houden en hem daarover duidelijkheid moeten verschaffen. Dat heeft het Museum onvoldoende gedaan. Immers, partijen verschillen weliswaar van mening over de vraag op welke waarde de schatting van het Schilderij toeziet, maar dat zowel bij feitelijke inbruikleengeving in 1993 als bij de verhoging in 2001 zodanige schatting heeft plaatsgevonden, vormt geen geschilpunt. In dat verband stelt de rechtbank vast dat de Gemeente de betrokkenheid van conservator Biesboer bij de schattingen in 1993 en in 2001 expliciet heeft erkend. Die vaststelling leidt tot de conclusie dat de aanduiding “verzekeringswaarde” op het ontvangstbewijs onduidelijkheid oproept.

Enerzijds laat de door de Gemeente verdedigde uitleg, in essentie erop neerkomend dat de aanduiding “verzekeringswaarde” slechts betekenis heeft voor de verzekeringsdekking en niet de waarde van het Schilderij uitdrukt in het kader van de bruikleenovereenkomst, onverlet dat op het ontvangstbewijs niet het bedrag tot uitdrukking is gebracht dat [eiser] als uitvloeisel van het bepaalde in art. 7A:1783 BW in geval van diefstal van het Museum zou ontvangen. In zover is aan [eiser] niet de duidelijkheid verschaft die, zeker in aanmerking nemende de omstandigheden van het geval, past bij een bruikleenovereenkomst waarop art. 7A:1783 BW van toepassing is. Daarbij geldt bovendien dat het ten aanzien van het ontvangstbewijs en de daarbij behorende voorwaarden om gestandaardiseerde contractsstukken gaat die door het Museum zijn opgesteld en gehanteerd in relatie tot haar bruikleengevers, zoals [eiser]. Dat betekent dat onduidelijkheden in die contractsstukken ten nadele van het Museum moeten worden uitgelegd.

Anderzijds kan de aanduiding “verzekeringswaarde” tegen de achtergrond van art. 2 AV en art. 7A:1783 BW aldus worden uitgelegd dat de daaraan ten grondslag liggende schatting niet alleen het bedrag uitdrukt dat het Museum als uitvloeisel van art. 7A:1783 BW in geval van diefstal van het Schilderij aan [eiser] zou dienen te vergoeden, maar tegelijk óók het bedrag waarvoor het Museum, ter afdekking van het te haren laste komende risico van verlies van het Schilderij, een verzekering dient af te sluiten als uitvloeisel van art. 2 AV. Die uitleg ligt niet in de lijn van het door de Gemeente verdedigde standpunt.

Daargelaten welke van beide zojuist genoemde interpretaties juist is, de conclusie kan geen andere zijn dan dat de door de Gemeente voorgestane uitleg van de aanduiding “verzekeringswaarde” op het ontvangstbewijs zodanig onduidelijk in de bruikleenovereenkomst tot uitdrukking is gebracht dat deze onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet kan worden gevolgd. Dat het Museum ervoor heeft gekozen een zodanige verzekering af te sluiten die de verzekeraar slechts verplicht tot vergoeding van de (getaxeerde) waarde van het Schilderij ten tijde van de diefstal kan derhalve niet aan [eiser], die immers geen partij is bij die overeenkomst, worden tegengeworpen.

Voorts heeft de Gemeente betwist dat Biesboer in 1993 van oordeel was dat het Schilderij ƒ 1 miljoen waard was. Daargelaten of die betwisting betekenis heeft, aangezien het niet aankomt op de waardepaling toen, maar om de waardebepaling in 2001, is de rechtbank van oordeel dat het onder de gegeven omstandigheden op de weg van het Museum lag om over dit, voor [eiser] als eigenaar/bruikleengever cruciale, onderwerp geen enkel misverstand te laten bestaan en zich ervan te overtuigen dat [eiser] precies begreep wat Biesboer bedoelde. Dat geldt evenzeer ten aanzien van het overleg over de verhoging van voornoemd bedrag tot ƒ 3 miljoen in 2001. Nu de Gemeente dienaangaande niets heeft gesteld noch overigens is gebleken dat het Museum zich ervan overtuigd heeft dat [eiser] precies begreep wat Biesboer bedoelde, moet aan de betwisting van de Gemeente worden voorbijgegaan.

Uit hetgeen de rechtbank in de voorgaande alinea’s heeft overwogen volgt dat de waardebepalingen, zowel in 1993 als in 2001, hebben te gelden als schattingen in de zin van art. 7A:1783 BW. Ten tijde van de diefstal beliep de schatting van het Schilderij derhalve een bedrag van ƒ 3 miljoen.

Een schatting ex art. 7A:1783 BW heeft in een geval als het onderhavige naar het oordeel van de rechtbank te gelden als een fixatie bij voorbaat van de door de bruikleennemer verschuldigde schadevergoeding bij verlies van de in bruikleen gegeven zaak en daarmee als een boetebeding in de zin van art 6:91 BW, met dien verstande dat het vereiste van het bestaan van een toerekenbare tekortkoming niet geldt, nu art. 7A:1783 BW uitdrukkelijk óók in aanmerking neemt verlies van de zaak ontstaan door “toeval”, dat wil zeggen zonder een toerekenbare tekortkoming van de bruikleennemer. Van dat laatste is ook de Gemeente zich bewust, aangezien zij zich niet op het standpunt heeft gesteld geen enkele vergoeding aan [eiser] verschuldigd te zijn, maar slechts een vergoeding overeenkomend met de waarde van het Schilderij ten tijde van de diefstal.

Ingevolge art. 6:94 BW kan de rechter de door de bruiklener te betalen vergoeding op verzoek van de schuldenaar matigen “indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist”. Uit het verweer van de Gemeente leidt de rechtbank af dat de Gemeente voornoemde matigingsbevoegdheid inroept. Teneinde zich een oordeel te kunnen vormen of aanleiding bestaat tot matiging van de bij wijze van schatting ex art. 7A:1783 BW bepaalde en door het Museum/de Gemeente te betalen vergoeding heeft de rechtbank behoefte aan deskundige voorlichting over de waarde van het Schilderij op de datum van de diefstal alsmede over de waardeontwikkeling van het Schilderij sinds de feitelijke inbruikleengeving in 1993 en met name sinds de waardeaanpassing op 29 maart 2001. Derhalve zal de rechtbank een deskundigenbericht gelasten. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over het aantal deskundigen alsmede over de perso(o)n(en) die zich naar hun mening kwalifice(e)r(t)en voor het uitbrengen van een bericht in voornoemde zin. De rechtbank geeft partijen nadrukkelijk in overweging voorafgaande aan het nemen van voornoemde akten met elkaar te overleggen over het aantal deskundigen en, indien zij het eens mochten kunnen worden over het aantal deskundigen en de perso(o)n)en) van de deskundige(n), één en ander eenparig aan de rechtbank te verzoeken.

Tevens zal de rechtbank hieronder een aantal vraagpunten formuleren waarvan de beantwoording betrokken zal worden bij de beoordeling in voornoemde zin. Partijen wordt verzocht de rechtbank dienaangaande te informeren in hun respectieve akten. Voor zover partijen aanvullende vraagpunten van belang mochten achten, worden zij uitdrukkelijk verzocht deze in de te nemen akten naar voren te brengen alsmede de daarop van toepassing zijnde informatie te verstrekken.

5.1.1. Kunt u aangeven of ten aanzien van uw taxatie een onzekerheidsmarge in aanmerking moet worden genomen gelet op het feit dat (i) het Schilderij thans niet meer voor taxatie beschikbaar is en (ii) kunstwerken, zoals het Schilderij, door tal van factoren geen vaste prijs hebben en zo ja, welke marge naar uw mening in redelijkheid in aanmerking moet worden genomen?

5.1.2. Bestaat binnen de Nederlandse musea een gestandaardiseerde regeling ten aanzien van het risico van diefstal van in bruikleen verkregen kunstwerken, meer in het bijzonder schilderijen, en zo ja, hoe is dit geregeld en bestond die regeling al ten tijde van de onderhavige diefstal?

5.1.3. Hoe verhoudt zich de wijze waarop het risico van diefstal in de onderhavige zaak is geregeld tot de wijze waarop andere Nederlandse musea dat regelen?

5.1.4. Kennen Nederlandse musea bij onderlinge bruikleen van kunstwerken, meer in het bijzonder schilderijen, specifieke regelingen ten aanzien van het risico van diefstal en zo ja, hoe is dit geregeld en bestond die regeling al ten tijde van de onderhavige diefstal?

Gelet op het daartoe bij comparitie zijdens [eiser] gedane verzoek, waartegen door de Gemeente geen bezwaar is gemaakt, zal de rechtbank tussentijds hoger beroep van dit vonnis openstellen.

Voor het overige houdt de rechtbank iedere beslissing aan.

6. Beslissing

De rechtbank:

Verwijst de zaak naar de rol van 20 april 2005 voor akte aan de zijde van beide partijen, tot het doel als hierboven in r.o. 5.11 en 5.12 omschreven.

Bepaalt dat tegen dit vonnis tussentijds hoger beroep openstaat.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, lid van voormelde kamer, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 23 maart 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.