Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AT0696

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-02-2005
Datum publicatie
16-03-2005
Zaaknummer
Awb 04-471, 04-431 en 04-452
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2006:AU9842
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitzondering op uitgangspunt maximale invulling planologische mogelijkheden.

Artikel 49 WRO : Bij de planvergelijking dient te worden uitgegaan van de maximale invulling van de planologische mogelijkheden. Dit lijdt uitzondering in gevallen waarin verwezenlijking van de 'oude' bestemming illusoir is geworden. In casu doet zich zo'n uitzondering voor, nu de geplande autosnelweg feitelijk niet langer meer mogelijk is, aangezien - op de peildatum - op het geplande tracé reeds grotendeels woningbouw is gerealiseerd. Zie r.o. 2.14 tot en met 2.17.

Bij voorlopige voorziening d.d. 10 juni 2005 heeft de ABRS bepaalt dat B&W geen nieuwe beslissing hoeft te nemen in afwachting van het hoger beroep, zaaknr. 200503143/4.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AU9842.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

reg. nrs: Awb 04 - 471, 04 - 431 en 04 - 452

uitspraakdatum: 21 februari 2005

RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht

meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de zaken van:

[eiser sub 1], en

[eiser sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. E.K.J. Eilander, werkzaam bij ARAG te Leusden,

[eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. J.C. Visscher, werkzaam bij CNV te Hoofddorp,

[eiser sub 4],

wonende te [woonplaats],

gemachtigde : mr. C. Lubben, werkzaam bij SRK te Zoetermeer,

eisers,

-- tegen --

de raad van de gemeente Heemskerk,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

Bij besluiten van 28 mei 2003, verzonden 2 juli 2003, heeft verweerder de onderscheiden verzoeken van eisers om schadevergoeding op de voet van van artikel 49 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) afgewezen.

Tegen deze besluiten hebben eisers bij brieven van respectievelijk 11 augustus 2003, 6 augustus 2003 en 24 juli 2003, bezwaar gemaakt.

Bij besluit 29 januari 2004, nummer 2004/2551, meegedeeld bij brief van 6 februari 2004, heeft verweerder de bezwaren van eisers sub 1 en 2 ongegrond verklaard.

Bij besluit 29 januari 2004, nummer 2004/2554, meegedeeld bij brief van 6 februari 2004, heeft verweerder het bezwaar van eiser sub 3 ongegrond verklaard.

Bij besluit 29 januari 2004, nummer 2004/2558, meegedeeld bij brief van 6 februari 2004, heeft verweerder het bezwaar van eiser sub 4 ongegrond verklaard.

Daarbij heeft verweerder verwezen naar de adviezen van de Commissie voor de bezwaarschriften van december 2003

Tegen het besluit 29 januari 2004, nummer 2004/2551, hebben eisers sub 1 en 2 bij brief van 19 maart 2004, aangevuld bij brief van 21 april 2004, beroep ingesteld.

Tegen het besluit 29 januari 2004, nummer 2004/2554, heeft eiser sub 3 bij brief van 12 maart 2004, aangevuld bij brief van 6 april 2004, beroep ingesteld.

Tegen het besluit 29 januari 2004, nummer 2004/2558, heeft eiser sub 4 bij brief van 17 maart 2004, aangevuld bij brief van 23 november 2004, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken ingezonden en verweerschriften ingediend.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van 9 december 2004, alwaar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden voornoemd.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door C.G. van den Brink en A. Rabius, beiden werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. De door verweerder afgewezen verzoeken om vergoeding van schade zijn gebaseerd op artikel 49 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

2.2. Artikel 49, aanhef en onder b en slot, WRO luidt als volgt.

Voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in de artikelen 17 of 19, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd kent de gemeenteraad hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.3. De verzoeken hebben betrekking op beweerdelijk geleden schade door waardevermindering van de woningen van eisers ten gevolge van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk van 16 mei 2000 c.q. 23 februari 2001, waarbij vrijstelling krachtens artikel 19 WRO is verleend voor de bouw van een appartementengebouw op een perceel aan [locatie] te [plaats] (hierna: het vrijstellingsbesluit).

2.4. Eisers wonen allen in de bungalowwijk aan [straatnaam] te [woonplaats], die grenst aan het betrokken perceel aan [locatie].

Eiser sub 1 is sinds 1992 eigenaar van de woning [adres 1].

Eiser sub 2 is sinds 1990 eigenaar van de woning [adres 2].

Eiser sub 3 is sinds 1993 eigenaar van de woning [adres 3].

Eiser sub 4 is sinds 1975 eigenaar van de woning [adres 4].

2.5. Het appartementengebouw - dat inmiddels is verwezenlijkt - bevat 74 appartementen en bestaat uit zes bouwlagen, die in terrasvorm zijn gestapeld. De hoogte bedraagt circa 18 meter. Het gebouw heeft een gebogen vorm en een totale lengte van ruim 100 meter. Het staat deels evenwijdig aan de woningen die aan de rand van [straatnaam] zijn gelegen, en buigt halverwege af in de richting van die woningen, waarbij de kop van het gebouw uitkomt op een afstand van 35 á 40 meter van de dichtstbijzijnde woning van eisers ([adres 1 en 2]). De terrassen van de appartementen zijn georiënteerd op die woningen.

De woning van eiser sub 3 is het verst verwijderd van het appartementengebouw.

2.6. De grond waarop het appartementengebouw is verwezenlijkt, bestond voor de bouw daarvan (feitelijk) uit een strook (al dan niet enigszins verwilderd) groen van minimaal 80 meter breed.

2.7. Bij het vrijstellingsbesluit is vrijstelling verleend van de bestemmingsplannen "Oosterwijk Zuidbroek" en "Kasteel Assumburg en Oud Haerlem (eerste herziening)".

Eerstgenoemd bestemmingsplan is volgens de stukken vastgesteld op 10 mei 1973, goedgekeurd door gedeputeerde staten van Noord-Holland op 14 mei 1974 en onherroepelijk geworden op 25 februari 1975.

Laastgenoemd bestemmingsplan is volgens de stukken vastgesteld op 26 augustus 1976, goedgekeurd door gedeputeerde staten van Noord-Holland op 11 oktober 1977 en onherroepelijk geworden in december 1977.

De betrokken grond ligt grotendeels - althans voorzover hier van belang - in het bestemmingsplan "Oosterwijk Zuidbroek". Blijkens de plankaart is de grond in dat plan hoofdzakelijk aangewezen als "Hoofdverkeersweg, groenstrook (nader te detailleren)". Het betreft een strook van circa 80 meter breed.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden "bestemd voor de aanleg van wegen, straatmeubilair en sloten, uitsluitend ten dienste van de geplande rijksweg (Verlengde Coentunnelweg)".

2.8. Verweerder heeft de planschadeverzoeken van eisers afgewezen omdat zij, kort gezegd, volgens verweerder geen schade hebben geleden. In de zaken van eisers sub 1, sub 2 en sub 3 heeft verweerder zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de planologische wijziging voorzienbaar was, zodat hun verzoeken ook daarom moeten worden afgewezen.

Bij hun besluiten is verweerder afgeweken van de terzake van de planschadeverzoeken van eisers sub 1 en sub 2 door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) te Rotterdam uitgebrachte adviezen. Om die adviezen was door verweerder gevraagd overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van de gemeentelijke "Procedureverordening Planschadevergoeding 1968" (Verordening).

Terzake van de planschadeverzoeken van eisers sub 3 en sub 4 heeft verweerder geen opdracht gegeven advies uit te brengen. Volgens verweerder is dat niet nodig, omdat hun situatie - voorzover hier van belang - niet verschilt van die van eisers sub 1 en sub 2, zodat hun verzoeken, gelet op artikel 3 Verordening, zonder toepassing van artikel 4 kunnen worden afgewezen.

2.9. De betogen en stellingen van eisers strekken er, kort gezegd, in hoofdzaak toe dat verweerder hen ten onrechte geen schadevergoedingen heeft toegekend overeenkomstig de terzake uitgebrachte SAOZ-adviezen, onderscheidenlijk - voorzover die adviezen niet zijn uitgebracht - met overeenkomstige toepassing van die adviezen.

2.10. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hebben de geschilpunten tussen eisers en verweerder betrekking op - het planologisch nadeel en de schadebepaling, dat wil zeggen op de vraag of eisers in een nadeliger positie zijn komen te verkeren, ten gevolge waarvan zij schade lijden; en

- de voorzienbaarheid, dat wil zeggen op de vraag of sprake is van voorzienbaarheid van de schade op grond waarvan deze redelijkerwijs voor rekening van eisers dient te blijven.

2.11. Ten aanzien van het planologisch nadeel en de schadebepaling overweegt de rechtbank het volgende.

2.12. Het door eisers bestreden standpunt van verweerder dienaangaande komt op het volgende neer.

Eisers hebben door de onderhavige planologische verandering geen nadeel ondervonden, doch juist voordeel. Van waardevermindering van hun woningen is dan ook geen sprake. De conclusie van de SAOZ dat daarvan wel sprake is, is volgens verweerder evident onjuist. Die conclusie kan, aldus verweerder, niet worden gevolgd, omdat de SAOZ, blijkens haar adviezen en de daarop gegeven nadere schriftelijke toelichtingen, onvoldoende acht heeft geslagen op de positieve (milieu-)gevolgen van de planologische wijziging. Volgens verweerder dienen de voordelen van het verdwijnen van de autosnelweg aanzienlijk zwaarder te wegen dan de nadelen van de bouw van het appartementencomplex. Omdat de situaties in alle onderhavige zaken gelijk zijn, geldt dit dus voor al die zaken en is het dus niet nodig om terzake van alle planschadeverzoeken het advies van de SAOZ te vragen, aldus verweerder.

2.13. Eisers hebben dit standpunt van verweerder met recht bestreden.

Niettemin is juist het standpunt van verweerder voorzover dat inhoudt dat de terzake uitgebrachte SAOZ-adviezen niet zonder meer kunnen worden gevolgd.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

2.14. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State - neergelegd in bijvoorbeeld haar uitspraak van 19 februari 2003, in zaak no. 200202248/1 (www.raadvanstate.nl) - dient voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 WRO te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dienen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregelen te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij dient te worden uitgegaan van een maximale invulling van de planologische mogelijkheden.

Dit lijdt - zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 maart 2003 in zaak no. 200202411/1 - uitzondering in gevallen waarin verwezenlijking van de voordien geldende bestemming illusoir is geworden; dan mag daarvan bij de planvergelijking niet meer worden uitgegaan. Dit is onder meer het geval als realisering feitelijk onmogelijk is of als anderszins vaststaat dat (maximale) verwezenlijking van de geldende bestemming niet zal plaatsvinden.

2.15. Uit deze jurisprudentie vloeit voort dat in de onderhavige gevallen dus een vergelijking dient te worden gemaakt tussen de planologische situatie die de hiervoor vermelde ter plaatse geldende bestemmingsplannen mogelijk maakt (de autosnelweg), en de planologische situatie die het vorenvermelde vrijstellingsbesluit mogelijk maakt (het appartementencomplex), tenzij laatstbedoelde uitzondering zich voordoet.

2.16. De rechtbank is van oordeel dat die uitzondering zich hier voordoet. Vast staat immers dat op de geldende peildatum de verwezenlijking van de oorspronkelijk geplande autosnelweg (de Verlengde Coentunnelweg) feitelijk niet langer meer mogelijk was. Die peildatum is, anders dan waarvan de SAOZ is uitgegaan, naar thans geldende jurisprudentie - zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 januari 2003 in zaak no. 200202411/1 (AB 2003, 121) - de datum van inwerkingtreding van laatstbedoeld besluit. Op het ten behoeve van de autosnelweg geplande tracé - in elk geval voorzover dat lag in de gemeente Heemskerk - was op die peildatum immers reeds grotendeels woningbouw gerealiseerd. Die bebouwing is zodanig gesitueerd dat verwezenlijking van de autosnelweg ook op de onderhavige strook grond - die uitsluitend ten behoeve van de aanleg van de "Verlengde Coentunnelweg" is bestemd - volkomen illusoir is. Voorts heeft verweerder - die zich blijkbaar van aanvang aan tegen de aanleg van die rijksweg heeft verzet - een deel van het tracé in de in 1990 opgestelde en in 1992 vastgestelde "Structuurvisie Heemskerk 2015" aangewezen voor "bijzondere voorzieningen", en heeft provinciale staten van Noord-Holland het onderhavige gebied in het op 22 januari 1987 vastgestelde streekplan "Amsterdam-Noordzeekanaalgebied" aangewezen als "toekomstig te realiseren woonfunctie". Ook in het gemeentelijk verkeersstructuurplan van 21 december 2000 is het tracé van de rijksweg hier niet (meer) opgenomen.

2.17. Op grond van het vorenstaande moet worden geoordeeld dat in het onderhavige geval bij de planvergelijking niet mag worden uitgegaan van een maximale invulling van de planologische mogelijkheden op grond van de hiervoor vermelde ter plaatse geldende bestemmingsplannen met de daarin geplande rijksweg "Verlengde Coentunnelweg", en, nu de grond uitsluitend ten behoeve van de verwezenlijking van die weg is bestemd, evenmin met de verwezenlijking van een andere weg.

Nu de SAOZ de mogelijkheid van een maximale invulling van de onderhavige grond met de daarin geplande rijksweg "Verlengde Coentunnelweg" bij de planvergelijking niet heeft uitgesloten en voorts bij de planvergelijking niet is uitgegaan van de juiste peildatum, is het standpunt van verweerder voorzover dat inhoudt dat aan de betrokken SAOZ-adviezen inhoudelijke gebreken kleven en dat deze dus niet zonder meer kunnen worden gevolgd, dus op zichzelf juist.

2.18. Uit het vorenstaande volgt evenwel tevens dat ook de door verweerder gemaakte planvergelijking niet juist is, zodat reeds daarom niet zonder meer staande kan worden gehouden dat eisers geen planologisch nadeel - maar voordeel - hebben ondervonden en geen schade in de vorm van waardevermindering van hun woningen hebben geleden.

Daarnaast is - uitgaande van de juiste planvergelijking - de beantwoording van de vraag of belanghebbenden in een nadeliger positie zijn komen te verkeren, ten gevolge waarvan zij schade lijden of zullen lijden, alsmede, in voorkomend geval, de bepaling van de hoogte van die schade, zonder advies van een deskundige niet juist mogelijk. Die deskundigheid bezit verweerder niet. Verweerder kan zijn eigen oordeel over deze kwesties dan ook niet - zoals hij in de betrokken gevallen wel heeft gedaan - zonder meer in de plaats stellen van het oordeel van een deskundige.

2.19. De conclusie in zoverre is dus, dat verweerder de SAOZ of een andere deskundige in de betrokken gevallen om (nader) advies had behoren te vragen. Daarbij had deze deskundige moeten worden gewezen op de hiervoor geconstateerde ondeugdelijkheden in de uitgebrachte adviezen, en moeten worden verzocht advies uit te brengen, dat in elk geval is gebaseerd op de zekerheid dat de geplande rijksweg "Verlengde Coentunnelweg" niet zal worden aangelegd, op de feitelijk ter plaatse aanwezige "groenstrook", op de zekerheid dat de grond in het provinciale streekplan en in het gemeentelijke structuurplan - hiervoor genoemd - is gereserveerd voor bebouwing, alsmede op de daaruit voortvloeiende onzekerheid omtrent de precieze ruimtelijke invulling.

2.20. Op grond van het vorenstaande moet worden geoordeeld dat de bestreden besluiten op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn voorbereid en genomen en niet berusten op een deugdelijke motivering. Dit is in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.21. Ten aanzien van de voorzienbaarheid overweegt de rechtbank het volgende.

2.22. In de zaken van eisers sub 1, sub 2 en sub 3 heeft verweerder zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de planologische wijziging op de in dit verband relevante peildata - het tijdstip van eigendomsverkrijging van de onderscheiden woningen in respectievelijk 1992, 1990 en 1993 - geheel voorzienbaar was, zodat het eventueel daardoor ondervonden nadeel in de vorm van schade door waardevermindering van die woningen reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Eisers eisers sub 1, sub 2 en sub 3 hebben terecht betoogd dat dit standpunt van verweerder onjuist is.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

2.23. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State - neergelegd in bijvoorbeeld voormelde uitspraak van 19 februari 2003, in zaak no. 200202248/1 - dient de vraag of sprake is van voorzienbaarheid van de schade op grond waarvan deze redelijkerwijs voor rekening van betrokkenen dient te blijven, te worden beoordeeld aan de hand van de vraag of ten tijde van de eigendomsverkrijgingen van betrokkenen voor een redelijk denkende en handelende koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie voor omwonenden in ongunstige zin zou veranderen.

2.24. Op de betrokken peildata was geen enkele aanwijzing dat zou worden besloten ter plaatse de bouw mogelijk te maken van een appartementengebouw als waarop het onderhavige vrijstellingsbesluit ziet. Voor een redelijk denkende en handelende koper bestond derhalve geen aanleiding om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie in deze zin zou veranderen. Anders dan verweerder blijkbaar veronderstelt, gaat het om de voorzienbaarheid van dit appartementengebouw, en niet om de voorzienbaarheid van het niet-doorgaan van de aanleg van de autosnelweg. De zekerheid dat die weg er niet zou komen speelt - zoals voortvloeit uit hetgeen hiervoor is overwogen - wel een rol bij de planvergelijking en bij de bepaling van het nadeel en de eventuele schade. Voorts bood ook het streekplan "Amsterdam-Noordzeekanaalgebied" in elk geval nog onvoldoende inzicht in de aard en omvang van de daarin beoogde "woonfunctie" en de situering daarvan ten opzichte van de woningen van eisers om ervan uit te kunnen gaan dat eisers, als redelijk denkende en handelende kopers, moeten worden geacht ten tijde van de aankopen van hun woningen het risico van een voor hen nadelige wijziging van de planologische situatie te hebben aanvaard, zodat de gevolgen daarvan redelijkerwijs, als geheel voorzienbaar, geheel voor hun rekening behoren te blijven.

2.25. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de bestreden besluiten ook in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn voorbereid en genomen en niet berusten op een deugdelijke motivering.

2.26. De conclusie is dat de beroepen gegrond zijn en dat de bestreden besluiten moeten worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 Awb.

Verweerder zal met inachtneming van het vorenstaande opnieuw op de bezwaren van eisers dienen te beslissen.

Dat brengt met zich dat er thans geen plaats is voor het door eisers verlangde oordeel dat de door hen verlangde schadevergoedingen door verweerder behoren te worden toegekend.

Voorts zijn er termen verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers.

3. Beslissing

De rechtbank

3.1. verklaart de beroepen gegrond;

3.2. vernietigt de bestreden besluiten van 29 januari 2004, nummer 2004/2551, nummer 2004/2554 en nummer 2004/2558;

3.3. bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak nieuwe beslissingen op bezwaar dient te nemen;

3.4. veroordeelt verweerder in de door eisers sub 1 en sub 2 gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,00, te betalen door de gemeente Heemskerk aan eisers;

3.5. veroordeelt verweerder in de door eiser sub 3 gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,00, te betalen door de gemeente Heemskerk aan eiser;

3.6. veroordeelt verweerder in de door eiser sub 4 gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,00, te betalen door de gemeente Heemskerk aan eiser;

3.7. wijst het meer of anders gevorderde af;

3.8. gelast dat de gemeente Heemskerk het door eisers sub 1 en sub 2 betaalde griffierecht van € 136,00 aan hen vergoedt;

3.9. gelast dat de gemeente Heemskerk het door eiser sub 3 betaalde griffierecht van € 136,00 aan hem vergoedt;

3.10. gelast dat de gemeente Heemskerk het door eiser sub 4 betaalde griffierecht van € 136,00 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Groverman, voorzitter, en mrs. G.Guinau en A.P.M. van Rijn, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Hekelaar als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.